Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Fei Fei

De charmante vrouw van Chen

Fei Fei, eind dertig, vrouw van Chen, die met hem het avontuur aangaat om de derde Victory Boogie Woogie naar Nederland te brengen. Zij verheugt zich op de media-aandacht, de succesvolle verkoop en het mondaine leven dat de opbrengst mogelijk zal maken.

Fei Fei

Bijdragen over Fei Fei

Schaduwen

7,0

Schaduwen

De laatste tijd komt Godfried vaker bij me langs. Dan gaan we samen bij het raam zitten en kijken uit over Hong Kong. Het leven beneden, zestien etages lager, lijkt ver weg: ik kom er niet meer. Hierboven is het rustig, tussen leeftijdsgenoten, al heb ik er moeite mee mezelf als bejaarde te zien. De jonge zusters zouden eens moeten weten hoe ik er vroeger uitzag. Mannen stonden voor me in de rij. Maar wie gelooft dat ik het ben, op de foto’s, dertig lentes jong in een strak jurkje. De zusters knikken alleen maar beleefd: ‘Dat jurkje is nu weer helemaal terug in de mode.’ Ik ben een oud besje met dikke kuiten, dat weet ik best, maar mijn zoon is prachtig. Hij is kunstenaar, hij kan echt iemand worden…

Die paar maanden in Nederland, veertig jaar geleden, daar vraagt Godfried de laatste tijd steeds vaker naar: de boot, de schilderijen, Wong, wie Godfried eigenlijk is waar hij naar is vernoemd. Vooral wil hij meer weten over zijn vader. Chen… ik mis hem wel. Nog steeds. Die alcohol ook. Geen gemakkelijke man om mee te leven. Vooral nadat Godfried het huis uit was en we met z’n tweeën overbleven. Chen rommelde van het ene baantje naar het andere, zoals hij altijd had gedaan, hij kon maar geen vastigheid vinden. Ik werkte in de nagelstudio, maar toen mijn ogen achteruit gingen, werden de inkomsten minder. Wat overbleef waren de stiltes tussen ons en de vervlogen hoop. Het feit dat we in Nederland zoveel geld waren misgelopen heeft Chen nooit kunnen verwerken. ‘We hadden het anders moeten aanpakken,’ riep hij dan vol spijt. ‘Die verdomde Roderik. Die verdomde Papadiamantes.’ Ik probeerde hem dan te kalmeren door te zeggen dat het jaren geleden was en we samen toch een mooie zoon hadden. Hoeveel Chen ook van Godfried hield - dat geloof ik met heel mijn hart - een prater was hij niet. Toen Chen ouder werd en de fles vond, werd hij nog zwijgzamer. Een mislukking, zo noemde hij zich. ‘Zelfs een baantje als suppoost kon ik niet aanhouden!’ Hij schaamde zich ten opzichte van zijn zoon. Godfried heeft nooit met zijn vader gepraat. Ik bedoel ècht praten. Toen hij de leeftijd bereikte om met zijn vader volwassen gesprekken te voeren, was het al te laat.

Zelf heb ik heus ook mijn twijfels gehad. Niet over de tijd toen Godfried nog kind was, maar erna, toen hij ons niet meer nodig had. Op een winteravond jaren gleden maakte ik de balans op en ik besefte dat het leven waar ik van droomde maar niet dichterbij was gekomen. Maar ik greep niet naar de fles. Ook ben ik niet vertrokken. Ik bleef. We hadden elkaar nodig, Chen en ik, we moesten elkaar steunen.

Voor mij is het leven nooit een kunstwerk geworden. Geen zeeaanzicht met witte villa’s, witte bootjes en vrije tijd. Rijkdom kregen we in de haven van Amsterdam, en we gaven hem daar ook weer weg. Aan Roderik en Papadiamantes. Zo verstild en abstract als de Victory Boogie Woogie is mijn leven ook nooit geworden. Ik bedoel, het was hard werken en improviseren. Ik was best tevreden hoor, maar makkelijk is het niet geweest. Ik kan die afbeelding trouwens niet meer zien of luchten. Als ik ergens een reproductie tegenkom, in een etalage of zo, dan kijk ik weg. Alleen omdat Godfried ernaar vraagt, denk ik er weer aan. Het komt allemaal weer terug. Roderik, Wong, de vijfsterrenhotels… Het was spannend, een roes, een avontuur uit een vorig leven. Misschien voelt Godfried aan dat mijn langste tijd erop zit. Met moeder praten voordat het te laat is. Vragen stellen die anders niet meer gesteld kunnen worden. Hij heeft me gevraagd herinneringen uit die fase op te schrijven, daar wil hij iets mee gaan doen. In een kunstwerk of publicatie. Het is nog een beetje vaag, misschien wordt het wel een soort literair spel, zei hij. Al ben ik veel vergeten, bepaalde momenten staan me nog helder voor de geest: de aankomst in de haven, een eenzame wandeling langs het water, de dagen in Roderiks appartement… Die herinneringen heb ik zo goed mogelijk op papier proberen te zetten. En aan Godfried gegeven. Ben benieuwd wat hij ermee gaat doen. Ik vraag me wel af of een zoon bepaalde details over zijn moeder wel wil weten. Maar hij is een volwassen man en zal niet snel schrikken. Tenslotte, hij vroeg er zelf om en het zijn verhalen uit een voorbije tijd. Ik begrijp het wel. Ik had hetzelfde moeten doen bij mijn eigen moeder, toen het nog kon, maar ik jaagde die droom na van status en rijkdom. Ook wat dat betreft ben ik trots op Godfried: hij maakt niet dezelfde fouten als zijn ouders. Er is dus toch sprake van ontwikkeling en vooruitgang: met elke generatie worden er binnen een stamboom toch stappen gezet richting een betere toekomst. Hij is kunstenaar geworden. Hij heeft een droom en kan die gaan waarmaken. Wellicht zal hij de Victory Boogie Woogie wèl begrijpen. Voor Chen en mij bleef het schilderij iets wat we wilden verkopen. Godfried zal de diepere betekenis ervan kunnen inzien. Als dat zo is, dat weet ik: het is allemaal niet voor niets geweest.

Robbert

4 jaren, 3 maanden geleden

Robots

4,9

Zes Boogie Woogie's

In de loods van Godfried was Li bezig alles klaar te maken om de drie Victory Boogie Woogie’s voor Wong na te schilderen: de kleine schets, de gehavende versie die Li zelf via Schiphol had meegebracht en de derde Victory die in Den Haag hangt, daarvan had hij een poster, bij gebrek aan beter. Het moest allemaal snel en hier in de haven gebeuren, dus tijd om naar Den Haag te gaan was er niet.
Li begon met de kleine schets. Hij mat hem op, zaagde de latjes in vieren en timmerde ze in ruitvorm aan elkaar, om er vervolgens het doek op te spannen en vast te maken met een tacker. Op het linnen bracht hij een laag gesso aan. Terwijl die ondergrond van gips droogde, begon hij met het volgende werk: hij mat de gehavende Boogie Woogie op en zaagde de latten in de juiste maten, om ook daar het linnen op te spannen en met gesso te prepareren. Van de Victory die in Den Haag hangt, zocht hij op een laptop op internet de maten. Het was allemaal gemakkelijk te vinden.
Toen het eerste doek droog was, begon hij de kleine schets na te schilderen. Ik zat op een krukje toe te kijken. Hij was zo geconcentreerd in de weer met verf, tape, houtskool en potlood dat hij mijn aanwezigheid was vergeten.
Ik vond het fijn om een beetje toe te kijken. Het kalmeerde me, het maakte me slaperig en tegelijkertijd klaarwakker, omdat ik getuige was van iets wat hier nu voor mijn neus ontstond.
Li werkte geroutineerd, alsof hij dit elke dag deed, gewend aan een naderende deadline: weinig tijd om na te denken. Het was een kwestie van doen, handelen, doorgaan.
Het drong voor de eerste keer tot me door dat een kunstwerk gemààkt wordt. Het heeft niet altijd in de uiteindelijke vorm bestaan, het wordt vanaf een nulpunt opgebouwd. Een wit vlak, dat steeds meer gevuld werd met vlakjes, streepjes en de kleuren rood, geel, blauw, zwart, wit en grijs.

Plotseling kwam Roderik de loods binnenlopen. Ik herkende hem bijna niet, zo strak in pak en gladgeschoren: hij maakte een opgeruimde indruk die lang was weggeweest. Wat Li aan het doen was, leek Roderik niet in zich op te nemen, alsof het onbelangrijk was. Hij had goed nieuws. Heel goed nieuws zelfs.
‘Ja ja,’ zei ik.
‘Nee, nu is het anders,’ zei hij. ‘Vergeet de gemeente Amsterdam, vergeet mijn vriendjes, het is nu rond. Zo rond als een cirkel maar rond kan zijn. Ja, het is rond!’
Ik had geen idee waar hij het over had, maar dat legde hij me uit. Hij wilde zichzelf niet op de borst slaan, maar dankzij een stuk van zijn hand in NRC, met als onderwerp de kleine schets van de Victory, had de landelijke overheid interesse getoond om dàt werk,’ hij wees naar de schets op de ezel, ‘aan te kopen voor Villa Mondriaan in Winterswijk.’
‘Wat? Waar?’
‘Winterswijk. Dat is een plaatsje in de Achterhoek in Gelderland. Jij zal er nooit van je leven een stap zetten, maar daar begon Mondriaans leven. Mij maakt het niet zoveel uit, een mens moet ergens geboren zijn, maar ze zijn er in Winterswijk nogal trots op. Kort geleden is er een museum geopend. De collectie is klein en moet groter worden. De overheid wil de schets aankopen. Nederland wil het werk van jou en Chen kòpen!’
‘Echt?… Eh, jee. Waar is Chen? Ik wil dat Chen hier bij is. Het is ook zijn werk.’
‘Maak je geen zorgen, Chen maakt buiten kennis met twee heren die namens de overheid de aankoop regelen. Zullen we er ook naartoe gaan?’
Buiten stond Chen inderdaad met twee heren in pak te praten, op de kade, naast twee dikke zwarte auto’s. We voegden ons bij hen en toen ging het allemaal heel snel. De heren deden hun verhaal, deels een herhaling van Roderiks verhaal, en ze sloten af met het noemen van het bedrag dat ze bereid waren te betalen voor ons schilderij: 7,5 miljoen euro. Om er droogjes aan toe te voegen dat we er uiteraard rustig over mochten nadenken. Chen en ik keken elkaar aan, onze ogen zochten elkaar als vanzelfsprekend op, en we zeiden alsof we dat afgesproken hadden: ‘We doen het’. Zo vreemd, zo simpel. Het een en ander aan papierwerk volgde, contracten die ondertekend moesten worden, in de stuurhut van de boot, aan een tafeltje. Daarna liepen we met z’n vijven naar de loods van Godfried om het werkje op te halen. Li en zijn gekopieerde kunstwerken… Als grapje zei Chen tegen de heren dat Li hobbyist was, onschuldig dus.
‘Ben je klaar met de kleine?’ vroeg Chen, best nonchalant voor zijn doen. ‘Of heb je hem nog even nodig?’
‘Nee hoor,’ zei hij, ‘ik ben er klaar mee.’
En zo ging het dus. Wij overhandigden de twee heren het schilderij, zij gaven ons uit zo’n zwarte auto een koffer gevuld met stapeltjes briefgeld. Het voelde als een louche transactie, maar de glimlach op Chens gezicht maakte alles goed dus ik dacht er niet meer over na. Het schilderij verdween in een auto. Vrij abrupt namen de heren afscheid en reden weg, Roderik ook. Chen en ik keken ze na, een beetje onwennig. Bijna stak ik mijn hand op om het schilderij uit te zwaaien. In plaats daarvan pakte ik Chens hand vast.

Robbert

4 jaren, 3 maanden geleden

Sponsor

1,7

De hele mannenbende

Deze kant van Chen was ik even vergeten: in sommige situaties kan hij zo paniekerig en drammerig zijn. Zoals hij mij negeerde, naar de stuurhut stormde en Wong maar liet foeteren; dan heeft hij iets voor ogen - en tegelijk lijkt hij blind. Alles moet wijken voor een plannetje waar hij niemand over informeert, dus niemand weet precies wat er aan de hand is. Op zo’n moment lijkt hij op een voortdenderende trein die op een muur af rijdt, terwijl Chen, als hij eens rustig om zich heen zou kijken, zou kunnen zien dat er een stukje verderop een opening is.

In ieder geval vond ik het niet zo realistisch om met die hele bende mannen èn de Victory Boogie Woogie de zee op te varen. Wat dacht Wong nou? Dat het allemaal zo makkelijk zou gaan? Ik wist zeker dat we het open water niet eens zouden bereiken. Voordat we de haven uit zouden zijn, zou de pleuris al uitbreken, op de boot zelf, bedoel ik. En dan zou er binnen de kortste keren weer iemand in het water liggen. Wie? Ik vreesde arme Botering. Die had zoiets onhandigs over zich, ik zag hem zo over de reling vallen. Of ik zou zelf in het water belanden, dat hield ik ook niet voor onmogelijk. Wong zou het natuurlijk niet zijn, die is niet van de grond te krijgen, waarmee hij liet zien hier de baas hier te zijn, al sprak uit zijn aanhoudende gefoeter eerder onmacht. Chen trok zich steeds verder terug in zichzelf. En Roderik, was hij nu echt alweer aangeschoten? Ik zag het allemaal voor mijn neus gebeuren. Wat een bende.

Daar kwam bij: ìk wilde niet met Chen en Roderik en Wong op een bootje op het water terechtkomen. Dat spreekt voor zich, toch? Drie mannen bij elkaar waarmee ik de afgelopen tijd het bed had gedeeld… het zou geheid ruzie worden. Want ik zag Roderik glazig naar mijn billen kijken toen ik achterom keek. En Chen legde in het voorbijgaan vluchtig zijn hand op mijn middel en hij liet daarna zijn vingers even over mijn bh bandje gaan. En Wong, in bed had hij zich rustig gehouden, maar daarbuiten was het een driftkikker. Dus nee, het kon gewoon niet. Het moest anders kunnen. Mijn god, hoe moest ik dit oplossen? In ieder geval door kordaat op te treden.

‘Zo dus niet,’ siste ik tegen Chen, de enige toon die hij op dat moment begreep. Hij zag me weer, dat merkte ik, ik doorbrak zijn blinde gejaag op die muur. ‘Dit moet anders,’ zei ik. ‘We zullen…’
‘Wat staan jullie daar te smiezen?’ onderbrak Wong me. ‘Stiekem met z’n tweeën plannetjes bedenken, hè? Ik heb het wel in de gaten. Jou vertrouw ik niet meer,’ zei hij terwijl hij met zijn dikke wijsvingertje bijna in mijn gezicht prikte. ‘Achter dat laagje schoonheid gaat alleen maar vuil schuil.’ Alsof hij ineens een moment van helderheid had, vroeg hij aan Chen: ‘Trouwens, waarom heb je me het tweede doek nog niet laten zien? Daar hoor ik je niet over. Die is ook hier op de boot, neem ik aan?’
Als een kind dat straf gaat krijgen van een dominante vader, begon Chen te stamelen. Waarop ik het woord nam: ‘Dat schilderij is niet op de boot. Het is zojuist in een taxi meegenomen - gestolen - door Magda Vlekveld en Godfried de Ridder. Waar de taxi is, geen idee.’
‘Zo zo,’ zei Wong akelig kalm. Met een vuil glimlachje bekeek hij Chen. ‘En wanneer was je van plan mij hierover in te lichten?’
‘Het gaat je toch om ons schilderij?’ vroeg Chen. ‘Ons schilderij is hier op de boot. Wij houden ons aan de afspraak. Alles kan gewoon doorgaan. Als we nu eens met z’n allen de stuurhut in gaan en de motor starten…’
‘Het gaat me om beide schilderijen! Dàt was de afspraak. En het ging me ook om haar.’ Opnieuw wees hij met zijn dikke vingertje naar mij, met een verbitterde uitdrukking op zijn gezicht, alsof ik hem persoonlijk pijn had gedaan door niet te zijn wat hij in me zag.
‘We kunnen ook…’ begon ik, maar Wong luisterde niet. Hij begaf zich alweer naar de loopplank. ‘Ik ga niet weg zonder het andere schilderij,’ zei hij. ‘Twee of niets. Ik wacht op de kade. Zorg er maar voor dat die taxi hier terugkeert.’

Robbert

4 jaren, 3 maanden geleden

De schoenen van de vrouw van Chen

1,5

De kleine rivier

Nadat ik Roderik had gesproken, belde ik niet met Wong: ik sloop het hotel uit. Bij de receptie, op de trappen keek niemand op of om en toch was het alsof ik ontsnapte. De afgelopen tijd had ik op zoveel plekken opgesloten gezeten, eerst op het schip, toen in het appartement van Roderick. En dan had je de uitstapjes, als bubbels in de tijd: de avond in de televisiestudio, het weerzien met Chen in een warenhuis, de morsige hotelkamer, de roulettetafel waar ik Wong ontmoette. Ik was op veel plaatsen geweest maar overal was ik mee naartoe genomen of heengebracht, gedropt of begeleid als iemand die onder toezicht staat.
Het was een van de eerste mooie dagen sinds onze aankomst. De lucht was waterig blauw. De kleine rivier die midden door de stad liep glom. Ik bleef er langs lopen, zo dicht mogelijk langs de kade, de auto’s en fietsen die er geparkeerd stonden omzeilend. Er stonden planten in teilen en potten. Ik herkende rode tulpen en een kleine bamboesoort maar veel planten kende ik ook niet. Het groeide lukraak door elkaar, zonder orde of structuur. De bomen hadden nog net die lichtgroene kleur van het vroege voorjaar. In de rivier lagen boten waar mensen op woonden. Sommige boten lagen zij aan zij. Om op de achterste te komen moest je over het dek van de buren lopen. Door een open raam zag ik een man in blote bast die zich uitrekte. Hij zette zingend koffie. In Nederland gebeurde veel in het openbaar. Men riep, men schreeuwde, men toonde zich. Men sprak zich uit. Zwijgen was niet de sterkste kant van de Nederlanders, ik hoefde alleen maar te knikken en er was me van alles verteld de afgelopen weken, behalve hun strategieën bij de verkoop van die schilderijen hadden de Hollandse mannen me hun levens uit de doeken gedaan. Van Roderick wist ik inmiddels alles over zijn bazige moeder, journalisten hadden me steevast aangesproken of ik hun beste vriendin was. Steeds keken ze me recht in de ogen, alsof ze me gingen aanvallen.
Een bel rinkelde, ik sprong opzij, een man met twee kinderen in een soort bakje voorop zijn fiets, reed me bijna omver. Hij was aan het bellen. Hij leek een beetje op die presentator van die talkshow, van dat woeste haar. Je kon wel zien dat ze hier nog van de Vikingen afstamden. De kinderen zagen er al even woest uit, hun lichtblonde haren waren ongekamd en ze gilden boven het gerammel van het voertuig uit. Een had een hondje op schoot dat luid begon te keffen toen de man om een geparkeerd busje heen laveerde.
Ik liep langs een groot gebouw, het was zeker honderd jaar oud. Hermitage Amsterdam stond erop, de mensen ervoor droegen sportieve jacks. Dat viel me ook op, veel mensen zagen er hier uit of ze net uit bed kwamen of op het punt stonden een grote sportieve prestatie te gaan leveren.
Trams rinkelden en passeerden elkaar. Wit en blauw. Ik stak over tussen vele nationaliteiten. Een groep Japanners volgde een gids, de paraplu’s in de aanslag. Een plein met een rond bakstenen gebouw met veel glas, grote wit met roze taart. Langs de rivier stonden bankjes, ik ging zitten en zag een witte zwaan die dobberde op het grauwe water. Mijn jas was te dun en toch was het goed om hier te zijn, alleen op een bankje aan de kleine stadsrivier, met niemand die iets van me wilde. Even dacht ik dat dit zelfs beter was dan het zwijgend naast Chen zitten. En die ene gedachte zorgde ervoor dat ik een besluit nam.

Sanneke van...

4 jaren, 4 maanden geleden

Cultuur in crisistijd

1,5

Op naar de haven

Weet je, Roderik kreeg de Victory maar niet verkocht aan een van zijn ‘vriendjes’ en de tijd verstreek, er gebeurde niets, het schilderij lag stof te verzamelen in het depot van het Rijksmuseum, dus ik heb het heft maar weer eens in eigen hand genomen. Sommige mannen… ze brengen met veel kabaal dingen wel aardig op gang, maar ze bezitten zelden de kracht om hun plan werkelijk tot een einde te brengen.

Dus belde ik Bert op – hij beweerde tenminste nooit meer te zijn dan hij was. Hij kwam me in zijn oude Peugeot ophalen uit zo’n slagroomtaartig vijfsterrenhotel. Oet oet, drukte hij op zijn stuur en uit zijn opengedraaide raam riep hij in het Engels iets van: ‘Hé wijfie, hier zo’. Waarop ik, als een hoertje, in zijn raam voorover boog en hem mijn waar aanbood. Hij kon zijn lach maar met moeite onderdrukken.

Van alle Nederlanders had ik Bert als eerste ontmoet, in zijn loods, nadat ik een voet op de kade had gezet: hij als geen ander zou me ook weer terug naar die plek moeten brengen. Wat een grap: het begon in de haven, het piekte even in een vijfsterrenhotel en nu gaan we weer terug naar de haven. Is dat niet het leven in het kort? Je bent niets, dan ben je even iets, en daarna keer je weer terug naar het begin.

We haalden de Victory op uit het depot van het Rijksmuseum. Ze sputterden wel tegen, dat had ik verwacht, maar ze hadden geen poot om op te staan. Ik ben tenslotte nog steeds de eigenaar.

Op weg naar de haven pikten we Botering op. Bert en Botering raakten meteen in een vurig gesprek verwikkeld, waarbij Bert regelmatig achterom keek naar Botering op de achterbank, waardoor een paar keer een ongeluk maar net werd vermeden. Want het is uitgelekt dat de gemeente Amsterdam de twee werken wil kòpen, terwijl Gemeentemuseum Den Haag hun VBW juist wil vèrkopen. Andere media spraken dit gerucht weer tegen: niet de VBW uit Den Haag zullen ‘we’ verkopen, juist èèn van de twee laatst opgedoken versies gaat verkocht worden aan China. Welke van de twee is dan weer onduidelijk. Of toch allebei? Interessant aan deze discussie vond Botering dat het niet langer om de kwestie van het geld ging: in de discussie was het woordje ‘we’ steeds vaker gevallen. ‘We gaan deze werken niet zomaar laten weghalen naar China,’ is de protesttoon van een groeiende groep mensen die de kunstwerken als Nederlands gedachtegoed is gaan toe-eigenen.

Bert was het hier helemaal mee eens, en reed bijna van de weg af, toen hij zich, met het stuur in zijn handen geklemd, naar Botering omdraaide. Sterker nog, riep hij boven de motor uit, nu komt naar boven wat al langere tijd onder de oppervlakte van de maatschappij borrelt (of eigenlijk had hij het laatst in de column van een krant gelezen): we worden eindelijk verlost van de terreur van de wansmaak. Er zijn te veel mensen die er genoeg van hebben dat Nederland de afgelopen jaren in een soort Volendam aan het veranderen was, waar Geert Wilders als een held werd gezien. Die tijd is voorbij, hij heeft afgedaan en deze kunstwerken staan symbool voor een nieuwe orde. We hervinden ons en iemand uit het buitenland, uit China nota bene, heeft ons ons besef van waarde teruggegeven. Dus gaan we dat nu niet alweer weggeven. De werken hebben hun plek hier, als onderdeel van de geschiedenis van dit land. En van de toekomst, vulde Botering met zijn piepstemmetje aan. En dit allemaal is in gang gezet door iemand van buìtenàf, herhaalde Bert hoofdschuddend, een beetje geëmotioneerd. En hij keek veelbetekenend naar mij.

We reden de haven binnen terwijl er boven ons een vliegtuig overvloog. Tijdens die oorverdovende herrie zag ik Chen op de boot staan. Opeens leek het allemaal weer zo dichtbij, wij twee, dagenlang op dat bootje op zee, hopend op geluk, en die momenten met hem kwamen me niet langer als beklemmend voor, zoals het toen wel leek, maar juist gezellig en vertrouwd, die momenten wàren het geluk. Naar dat geluk riep ik uit het autoraam: ‘Chen! Chen!’

Hij stapte de kade op en ik stapte de auto uit. Hij leek verrast me te zien, hij leek iemand anders te verwachten, was afgeleid. Ik had op een kus en omhelzing gehoopt. Daar, op de kade, dat zou toch mooi zijn geweest? Hij zei dat hij inderdaad ieder moment Wong verwachtte. Waar ik meteen zenuwachtig van werd. Wong, hier? Ik dacht hem juist achtergelaten te hebben, daar, in de stad. Intussen waren Botering en Bert ook uit de auto gestapt, met de Victory. Ik wilde dat werk aan Chen geven, in een verzoeningspoging, maar ik zag Bert ermee weglopen, richting een loods. En zag ik daar nu een glimmende zwarte auto aan komen rijden? Er gebeurde zoveel tegelijk, ik had me het weerzien heel anders voorgesteld.

Robbert

4 jaren, 4 maanden geleden

Cultuur in crisistijd

1,4

Het mysterie Wong

Jeetje, wat was de auto groot. En het restaurant chique. En de hotelkamer daarna groot èn chique. Ik laat me op het bed vallen, zo moe ben ik. Ik weet niet eens waar ik ben of hoe dit hotel heet. Hoog boven me golft de reflectie van water over het plafond. Is er buiten een gracht, een rivier? De trap in de lobby was breed en over de treden lag een dieprode loper. Wong vergezelde me naar boven, die dikke pad. In het begin had het wel wat, dat vertrouwen wekkende volume, maar na een paar dagen was het me gaan tegenstaan. Wat is alles aan hem toch rond. Zijn buik, wangen, ogen. En iedere dag rijden we in een andere auto, dineren in een ander restaurant, overnachten in een ander hotel.
‘Waarom doen we dit eigenlijk?’ vroeg ik hem.
‘Je hebt het verdiend,’ zei hij. ‘Of je gaat het verdienen.’
Dit soort antwoorden krijg ik de laatste tijd alleen maar, van mannen, sinds ik in Nederland ben. Je kan er helemaal niks mee. Zijn woorden suggereren dat ik iets gedaan heb waar ik nu een beloning voor krijg. Of dat ik iets zal gaan doen en er nu alvast dit voor krijg. Geen idee wat dat ‘iets’ zou moeten zijn. Ik heb niks bijzonders gedaan sinds ik hem aan de roulettetafel ontmoette. Ik kletste alleen maar wat met hem over de schilderijen, maar ja, iederéén om me heen heeft het over die schilderijen.
‘Daar hoef jij je geen zorgen over te maken,’ antwoordde Wong toen ik vroeg wat ik dan voor hem gedaan had, of zou gaan doen. Weer zo’n denigrerend antwoord. Ik bepaal zelf wel waar ik me zorgen over maak. Maar hij is een en al onbereikbaarheid. Zijn dikke vette huid fungeert als een verdedigingswerk en ik kan niet tot hem doordringen. En dan die zware oogleden waardoor hij zich nog verder in zichzelf lijkt terug te trekken. Gelukkig laat hij me in bed met rust. Daar is het hem dus niet om te doen. Toen hij zojuist naast me ging liggen en het licht uit deed, viel hij meteen in slaap. Maar de vraag blijft op mijn lippen liggen. In het donker staar ik naar het plafond waar nu nog zichtbaarder het water over golft. Het moet wel iets met de schilderijen te maken hebben.

De volgende ochtend, Wong slaapt nog, kleed ik me stilletjes aan en verlaat de kamer op mijn tenen. In de gang trek ik mijn schoenen aan. Een telefoon vind ik beneden in de lobby. Ik twijfel over wie ik zal bellen: Chen of Roderik. Ik kies uiteindelijk voor Roderik, want hij is gehaaider en zal Wong dus beter doorzien.
‘Hij voert iets in zijn schild. Wat zou het kunnen zijn?’ vraag ik hem, nadat ik heb uitgelegd bij wie ik de laatste dagen was, al blijkt Roderik daar niet verrast over. Hij vermoedde het al, zei hij, maar hij is duidelijk niet geamuseerd. Hij heeft het druk en zijn antwoord is dan ook warrig, alsof er twee dingen door elkaar lopen.
‘Wie voert er niet iets in zijn schild?’ zegt hij enigszins geïrriteerd. ‘Bel je me daarvoor op? Ik verwacht een belangrijk telefoontje. Wie is onschuldig en integer? Natuurlijk heeft Wong iets met de schilderijen te maken, alles heeft de laatste maanden met de schilderijen te maken. Jouw Wong is echt rijk, ik bedoel, hij is manager van een grote multinational in China. Wat ik verder over hem heb kunnen lospeuteren: hij is nog eens hartstikke patriottistisch ook. China is in zijn ogen nummer één, de rest van de wereld is tweederangs. Dus het laat zich raden wat Wong wil. Hij wil een Victory naar China halen. Mij of Botering heeft hij niet benaderd en hij is al een tijdje in Nederland dus het kan niet anders of hij heeft de andere partij wèl benaderd. Deze man zit heus niet stil. Zo zie ik de zaken. Heeft hij tegen jou concrete voorstellen gedaan over onze Victory?’
‘Geen enkele.’
‘Dat vermoedde ik al. En laat hij iets los over de andere Victory?’
‘Niets. Weet je wat hij me wel aan me heeft gevraagd?’
‘Nou?’
‘Of ìk met hem mee terug naar China wil gaan.’
‘Jij? Met hem?’
‘Ja. Hij zei dat alle schoonheid in China thuis hoort. En dat ik daar dus ook thuis hoor.’
‘Wat een charmeur. Is een bosje bloemen niet genoeg? En wat heb je als antwoord gegeven?’
‘Ik deed alsof ik het een compliment vond en zei dat ik erover na zou denken.’
‘En, heb je er al over nagedacht?’
‘Ik weet het niet hoor. Ik heb echt geen idee wat ik van zo’n voorstel moet denken. Het zijn maar woorden. Of zou het toch meer zijn dan alleen maar woorden? Soms lijkt het me best prettig om weer terug in China te zijn. Ik bedoel, hoe lang ben ik hier nu?’
‘Zo te horen te lang. Weet je, kan jij niet contact opnemen met Chen? Polsen of hij iets over Wong en het schilderij weet?’
‘Denk je dat hij dat zomaar zal zeggen?’
‘Je kan het in ieder geval proberen. Tenslotte zijn jullie man en vrouw, weet je nog?’
‘Oké,’ zucht ik, ‘ik zal het doen. Maar waar ben jij zo druk mee de laatste dagen?’
‘Wat denk je? Terwijl jij champagne lag te drinken tussen satijnen lakens en klaar kwam bovenop die aangespoelde walrus, probeer ik het schilderij te verkopen. Dus ga jij Chen nou maar bellen, hij weet vast meer.'
‘Goed, ik ga mijn echtgenoot proberen te bereiken. Bel je zo terug.'

Robbert

4 jaren, 4 maanden geleden

Het leven als een spel

1,3

Overleg van het andere kamp

Lianne opperde het plan om de twee Victory Boogie Woogie’s naast elkaar te hangen, in het Stedelijk, om zo het net geopende museum een extraatje te geven èn om het Gemeentemuseum Den Haag naar de kroon te steken. 'Voor de gemeente Amsterdam zijn de twee werken even belangrijk. Beide hebben evenveel artistieke waarde.'
Roderik daarentegen kwam met het idee om de twee schilderijen van elkaar te scheiden: het ene in het Stedelijk, het andere in het Rijks. 'Voor ons zijn de werken niet even belangrijk. Wij hebben een echte in handen, terwijl de andere partij met een matige kopie meelift op ons succes. Met twee musea kan Amsterdam nog steeds Den Haag naar de kroon steken èn commercieel gezien is het aantrekkelijker: om de schilderijen te zien moet de bezoeker twee toegangskaartjes kopen in plaats van eentje. Persoonlijk voel ik ook meer voor een plekje in het Rijks, want dat wil met de collectie een overzicht geven van de Nederlandse geschiedenis. Dat kan niet zonder een Mondriaan.'
Lianne wist niet of zijn plan uit te voeren was, ze had geen contacten bij het Rijksmuseum, moest ze toegeven. ‘Heeft het museum wel oor naar collectie-uitbreiding? Ze zijn tenslotte net open.’
‘Een museum is altijd bezig met het uitbreiden van de collectie. Achter de schermen worden voortdurend nieuwe werken aangekocht, ook al zeurt de buitenwereld maar door over de fietstunnel en het nieuwe logo,’ reageerde Roderik met zijn basstem. Bovendien kende hij wèl iemand bij het Rijks. Dat komt in orde, verzekerde hij haar.
Lianne maakte van wat hij zei een notitie in het schrijfblok dat op haar bovenbenen lag. Ook nam ze een slokje van haar koffie.
Zo zaten de assistente van de wethouder van Cultuur en de kunsthandelaar/ex-medewerker van Christie’s met elkaar te praten, in zijn huiskamer, en Fei Fei zat erbij. Ze had die ochtend met Chen doorgebracht, onder de lakens in een schemerige hotelkamer, en het gesprek ging langs haar heen: de twee spraken Nederlands dus de woorden bleven slechts klanken.
Een kwartier eerder hadden ze met z’n drieën voor het schilderij gestaan. Lianne zag het werk voor de eerste keer in het echt. ‘Wat mooi,’ zei ze tegen Roderik en ze vertelde over een onderzoek uit de jaren negentig. Twee mannen hadden onderzocht wat het lievelings- schilderij was in elk land van de wereld. De uitkomst was niet zozeer één specifiek schilderij, eerder wat voor type werk. In ieder land had de voorkeur een figuratief schilderij van de natuur: wat bomen, een riviertje, wat dieren, en daartussen een mens. In alle landen vond men dit mooi, behalve in Nederland. Het lievelingsschilderij in Nederland was een abstract werk.
Dat vond Roderik een mooi verhaal en het sterkte zijn vermoeden dat hij een belangrijk werk in handen had dat iets wezenlijks vertelde over de Nederlandse aard.
‘Twee musea zal wat betreft fundraising meer werk kosten dan één museum,’ zat Lianne hardop te denken. ‘Het geeft altijd gedoe, twee partijen.’
‘Het zal op korte termijn misschien meer tijd en geld kosten, maar op lange termijn zal het ook meer gaan opleveren. Blijf die twee aparte toegangskaartjes in gedachten houden. Bovendien, mensen wandelen van het Stedelijk naar het Rijks, over het grasveld of over het looppad tussen de eettentjes door, en dan zullen ze iets te nuttigen willen kopen. Denk ook daaraan. Kortom, je moet het groter zien. Het is niet alleen goed voor de musea, het is vooral goed voor de gemeente Amsterdam als geheel,’ zei Roderik, de twee kunstwerken weer eens reducerend tot een geldkwestie.
Lianne maakte een notitie in haar schrijfblok en Roderik vroeg: ‘Zijn er al concrete geldschieters in beeld? Mondriaan-liefhebbers, sponsoren zoals banken etc?’
‘We zijn ermee bezig,’ antwoordde Lianne met de nadruk op het woordje ‘‘we’’. ‘We zijn met verschillende partijen aan het praten.’
Toen Roderik vroeg welke partijen dat dan zijn, bleef ze hem het antwoord schuldig.
‘En je hebt ook al met Vlekveld & consorten gesproken, neem ik aan?’
‘Met die partij hebben we gesproken ja. Een beetje verdeeld waren ze.’
‘Verdeeld?’ vroeg Roderik.
‘Ja.’
‘Over het schilderij?’
‘Nee, ik had eerder het gevoel dat het om privézaken ging.’
Er viel een stilte die Lianne pijnlijk vond: ze had teveel gezegd. Dat was niet professioneel. Om de aandacht op een ander te vestigen, vroeg ze in het Engels aan Fei Fei wat haar ideeën waren. Maar Lianne luisterde er niet echt naar en Roderik ook niet: hij liep halverwege haar antwoord naar de keuken om nieuwe koffie in te schenken. Fei Fei merkte heus wel dat haar woorden niet gehoord werden, maar ze maakte haar antwoord toch netjes af.
‘We hebben nog veel te bespreken,’ zei Roderik tegen Lianne toen hij een vers kopje koffie voor haar neerzette en op zijn horloge keek. 'Professor Botering kan ieder moment arriveren.'

Robbert

4 jaren, 4 maanden geleden

Liefde en inspiratie

1,6

Telefoon op de Dam

De koffiehoek van de Bijenkorf was helemaal vol. Geen enkel plekje vrij. Chen en ik liepen naar buiten en gingen op een bankje zitten, met het warenhuis in onze rug en met uitzicht op die stenen fallus. Oorlogen worden gevoerd door mannen, zij maken blijkbaar ook de herdenkingssymbolen. Het was ongemakkelijk, een paar minuten daarvoor op de parfumafdeling, Chen, Roderik en ik. De twee mannen wisselden, om het zacht uit te drukken, geen vriendelijke blikken met elkaar. Ik besefte dat het vertrouwd voelde om Chen weer te zien. Zoals hij naar me kéék, zo kijkt geen man naar me. Ook Roderik niet. En die actie met het schilderij op Schiphol, ik weet het niet, ik ben Chen anders gaan zien. Dit liet ik niet merken aan Roderik, maar ik vroeg hem wel om ons een moment alleen te geven. Hij stribbelde tegen, maar liep toen weg. Om zich een houding te geven deed hij alsof hij met iemand belde.
Natuurlijk was Chen boos op me, op het bankje, en ik liet hem boos zijn. Maar hij was ook verheugd en verbaasd, want het was zo toevallig dat we elkaar hier troffen, alsof het voorbestemd was, zei hij. Chen zag er goed uit. Helemaal geen afgetobd gezicht, geen vertwijfelde lichaamstaal.
Natuurlijk spraken we over de schilderijen, ‘de mijne’ en ‘de zijne’, over de talkshow, over Roderik en Magda: over alles wat er de afgelopen tijd was gebeurd. En het gekke was: we waren gewoon aan het bijkletsen, bijna gezellig, als twee schoolkinderen die iets spannends hadden meegemaakt en nu tijdens het navertellen opnieuw adrenaline voelden opkomen. Er waren wel verwijten, maar er was ook toenadering. En toen Roderik ons na een paar minuten al had gevonden (het bleek een kwartier te zijn) en we afscheid namen, en ik weer moest overschakelen naar het moeizame Engels, toen besefte ik hoe prettig het was om met Chen in onze moedertaal te hebben gekletst. Al die nuances en woordjes die zoveel duidelijker uitdrukten wat ik wilde zeggen. Het uit elkaar was op een droge manier gegaan: we zeiden ‘dag’ alsof we elkaar morgen weer gingen zien, ik liep weg met Roderik, terwijl, toen ik even omkeek, Chen de andere kant op liep.
Ik had verwacht dat Roderik boos mijn pols zou vastgrijpen en er zo’n ruk aan zou geven, zo van: ‘vertel op’ of ‘wat flikte je me nou’, maar vreemd genoeg bleef dat achterwege. Hij leek Chen alweer vergeten en had werkelijk iemand aan de telefoon gehad, dat was geen pose geweest. Goed nieuws: iemand toonde interesse voor onze Victory. De assistente van een wethouder van Amsterdam. Het was nog een beetje vaag, zei Roderik, maar het kwam erop neer dat die vrouw, of eigenlijk het meisje, ze klonk nog jong en onervaren, met ons een afspraak wilde maken om eens te praten. En om het schilderij in het echt te zien. Kortom, om de mogelijkheden te bespreken. Ik luisterde wel naar Roderik, maar moest moeite doen om in mijn gedachten niet af te dwalen naar Chen. Toen ik de naam van die vrouw aan de telefoon hoorde, schrok ik wakker.
‘Roderik… Chen had het ook al over haar,’ zei ik.
‘Over Lianne Verstraaten?’
‘Ja, ik geloof het toch echt. Hij noemde die naam. Lianne Verstraaten.’
‘Hoe kan dat nou weer?’
‘Ik weet het niet.’
‘Wat zei hij over haar?’
‘Nou, dat hij door haar gebeld was en met hem over het schilderij wilde praten. Nu ik erover nadenk, hij vertelde precies hetzelfde als jij.’
‘Wat? Dus… de gemeente van Amsterdam…’
Hij viel stil en dacht na.
‘Wanneer is de afspraak eigenlijk?’ vroeg ik.
‘Over twee dagen.’
‘Bij jou thuis of op het gemeentehuis?’
‘Op het gemeentehuis. Zou Chen daar dan ook zijn?’ vroeg Roderik zich hardop af.
Fei Fei vroeg het zich ook af.

Robbert

4 jaren, 4 maanden geleden

De kist

1,5

Terug bij af

Roderik vertelde vandaag aan het ontbijt dat hij heeft gehoord dat Magda Vlekveld een zelfmoordpoging heeft gedaan, in haar woning, met pillen, en dat Chen haar heeft gevonden, samen met Godfried de Ridder en Joy Puik en ene Li. Ze leeft nog, het scheelde niet veel. Ik schrok ervan dit te horen. Niet dat ik haar goed ken, maar toch, zelfmoord is zo grof en hard. Ik heb er ook weleens over nagedacht, maar het is nooit zover gekomen dat ik het echt wilde doen. Roderik zei dat het op een of andere manier te maken had met het schilderij. Hoe precies wist hij niet. Het gaf me allemaal een raar gevoel. Ook dat Chen haar gevonden heeft, ik bedoel, in wat voor vreemde situatie zijn hij en ik eigenlijk terecht gekomen?
Ik liet mijn geroosterde boterham met jam voor me op het bordje liggen en dronk alleen nog wat koffie. Roderik had zijn eetlust niet verloren en leek weer over te kunnen gaan tot de orde van de dag: hij dacht hardop na over zijn plannen met het schilderij. Hij denkt de hele dag hardop, valt me op, er komt geen einde aan zijn woordenstroom. In het Engels ook nog eens, een taal die hij niet goed beheerst en die voor mij moeizaam is om te verstaan. Bovendien, hij praat niet mèt me, maar tégen me. In zijn ogen ben ik een eenkoppig publiek dat op de juiste momenten moet applaudisseren. Ik nam af en toe een slokje koffie en luisterde niet. Dat moest ik Chen nageven: hij kon tenminste zijn mond houden en in stìlte op iets broeden. Als hij iets zei, dan praatte hij echt met me.
De monoloog van Roderik werd onderbroken omdat iemand hem belde. Met de telefoon tegen zijn oor liep hij weg, luisterend. Daarna hoorde ik hem tieren en schelden. Ik verstond niet wat hij zei, hij sprak Nederlands, maar het gesprek eindigde ermee dat hij zijn telefoon op de grond kapot gooide. Daar schrok ik zo van dat ik het koffiekopje bijna uit mijn hand liet vallen.
Het schijnt dat ons werk een kopie is. Chen heeft het echte werk. Laten invliegen door die Li.
Dit vertelde Roderik me nadat hij had opgehangen en in zijn ochtendjas heen en weer liep door de kamer, als een manisch dier in een kooi.
Het gekke is, ik was niet boos of pissig, zoals Roderik wel was. Er gebeurde in mij iets anders. Ik zag Chen voor me en dacht: goed gespeeld. Blijkbaar ging mijn mondhoek bewonderend wat omhoog, want Roderik vroeg wat ik in nou zat te lachen. Als dit bekend wordt, brieste hij in half Engels en half Nederlands, wat ik moeilijk kon volgen, dan wordt òns werk als waardeloos gezien, dus kunnen we wel fluiten naar kopers. Ik probeerde daar iets tegenin te brengen, maar hij noemde me onwetend en ik moest me er niet mee bemoeien. Wel moest ik hem mijn telefoon geven, die hij vervolgens zelf van het dressoir griste, en waarmee hij in de studeerkamer verdween. Ik bleef aan de ontbijttafel zitten, in mijn ochtendjas, die dunne ochtendjas, net nieuw, en voelde me naakt. Zonder telefoon, zonder waardevol schilderij, zonder andere toekomst in het verschiet was ik zomaar een vrouwtje in een huis van een ander, in een land van anderen.
Chen heeft een neef die Li heet, schoot het door me heen, en dat moest ik tegen Roderik zeggen, maar ik had geen zin om daarvoor op die dichte deur te kloppen. In plaats van naar de studeerkamer liep ik naar de badkamer. Op de wastafel lag een scheermes en op een plank een doosje slaappillen. Ach, ik zou dat toch nooit doen.
Ik weet niet hoe lang ik in bad heb gelegen, maar om de zoveel tijd trok ik de stop eruit, zodat het water een paar centimeter zakte, en dan vulde ik het bij met warm water. Volgens mij zat Roderik al die tijd in zijn studeerkamer mensen te bellen. Eén keer kwam hij eruit en riep hij mij, waar de oplader was.
Toen ik uit bad kwam, had Roderik een oplossing gevonden. Tenminste, hij had met ene Botering gesproken, of hij had iemand gesproken die Botering kende: ik was rozig en hij sprak vermoeid. Net als Vlekveld is Botering een autoriteit, een kunstkenner, maar dan eentje met een hele andere kijk op de dingen. Als hij zich bij ons kamp wil aansluiten (dat woord gebruikte Roderik, dat weet ik nog wel, ‘kamp’, er zijn nu dus twee kampen) dan is de zaak nog niet verloren.
Hij stapte onder de douche en schoor zich snel, waarna hij de deur uit ging en tegen me zei dat ik niet op hem hoefde te wachten met eten. In de keukenla kon ik een stapeltje afhaalmenu’s vinden, zei hij. Ook eentje van een Chinees.

Robbert

4 jaren, 4 maanden geleden

Meesterwerk

1,4

In een Jaguar door Amsterdam rijden

Het begint goed te lopen, denkt Fei Fei, terwijl ze een sigaret rookt buiten de televisiestudio. De opnames van DWDD zijn net achter de rug. Ze voelt haar hart nog snel kloppen. De visagist had aangeboden de make-up van haar gezicht te verwijderen, maar dat aanbod had ze afgeslagen: met make-up voelt het alsof de camera’s, de lampen en de ogen van het publiek nog steeds op haar zijn gericht. Over haar glitterjurkje draagt ze geen jas, al is het koud. Bert van Petten had zijn lange jas nog aangeboden voordat hij in een taxi stapte terug naar de haven, maar het naar buiten lopende publiek mag haar zo zien: met blote armen, een sigaret rokend, ongenaakbaar de eigenares van het grootse kunstwerk. Nee, niet alleen eigenares, ook de onthuller. Ze is nu iemand van betekenis. Ze staat op de kaart. Wie is zij? gaat er door de hoofden van televisiekijkend Nederland. Hoopt ze. Ongemerkt probeert ze te peilen of iemand haar bewonderend aankijkt. Een paar mannen kijken haar inderdaad recht in de ogen, alsof ze haar op die manier willen vastgrijpen, doorboren. Goed zo. Anderen laten hun blik over haar strakke jurkje glijden. Ook goed. Nederlandse mannen zijn zo knap. Zeker die lange presentator, grapjes makend, zijn hand op haar smalle pols leggend: wat een charme had hij. En dat dikke lange haar, ze wilde er het liefst haar hand doorheen halen. Het was veel mooier dan het korte, zwarte haar van Chen. Zou hij woedend zijn? Iemand moest toch iets doen? Het was tijd voor actie. Het sukkelde allemaal zo voort en ze lagen daar maar in de haven. Het enige dat Chen deed was wat kletsen met die Vlekveld en Joy. Je krijgt dingen niet voor elkaar door de regeltjes te volgen en met twee vrouwen in zee te gaan. Dit is een mannenwereld. Het eigendom ligt bij de man. En zij deden met z’n drieën net alsof het werk hun eigendom was geworden.
Fei Fei neemt een trekje van haar sigaret en blaast de rook onrustig en oppervlakkig uit, zonder het over haar longen te laten gaan. Ja, nu begint het goed te lopen, denkt ze tevreden. Ik ben verschenen in een stijlvolle, ontzettend belangrijke talkshow, waar het schilderij wereldkundig is gemaakt. Weg met de smoezelige anonimiteit, weg krakkemikkige boot en grauwe haven. Roderik zei het zelf tijdens het interview tegen de knappe presentator aan de andere kant van de tafel: ‘Nu gaat het beginnen. Het is begonnen.’ De presentator reageerde hijgerig dat dat inderdaad zo was, het was begonnen, en wel hier, in zijn show…
Toch komen de kunsthistorica en de journaliste goed van pas. Ze schrijven in de pers alweer een paar weken over het schilderij: zo zal het een steeds groter vraagteken gaan vormen in de hoofden van de mensen.
Roderik komt de studio uitgelopen. Hij heeft zijn make-up laten verwijderen en ziet er weer uit als zijn dagelijkse zelf. Naast hem loopt een brede beveiligingsman, in zijn handen de smalle houten kist. Mensen kijken massaal naar hen. Fei Fei laat haar sigaret op de grond vallen en sluit zich bij hen aan. De Jaguar van Roderik staat om de hoek geparkeerd.
Als ze met z’n tweeën door avondlijk Amsterdam rijden, met het schilderij op de achterbank, hun kindje, voelt Fei Fei zich geborgen bij Roderik. Groot en sterk is hij. Hij zegt waar het op staat en kent veel mensen. Hij weet hoe de dingen werken. Ze voelt zich een klein meisje bij hem en dat gevoel vindt ze fijn.
Roderik vertelt dat er een debat zal ontstaan tussen de kenners en de vele leken, en dat debat zal alleen maar feller worden. ‘Die felheid hebben we nodig. De boel opstoken is de prijs opstoken, zo simpel is het. Nederlanders zijn kooplui,’ zegt hij over zijn eigen volk. ‘De juiste mensen zullen wel begrijpen wat wij vanavond in DWDD hebben gedaan. Een talkshow is als een marktkraam waar je je spul aanprijst.’ Met een glimlach verplaatst hij zijn rechterhand van het glimmende stuur naar het bovenbeen van Fei Fei: ‘Een vrouw moet toch ergens van leven.’
Hij had het er nog met Bert over gehad. ‘Na de televisieshow moet je een paar dagen zwijgen. Dan zal het mysterie groter worden. Niet met de pers praten. En dan juist weer wel. Aantrekken en afstoten. Vroeg of laat zal er iemand opstaan die het werk zal willen zien, niet op tv, maar in het echt. Misschien wel iemand die het werk voor iedereen toegankelijk wil maken, in een vitrine, want dit land is tenslotte een democratie. Wie zal het werk aan het volk geven?’ vraagt Roderik zich af. ‘De overheid, een filantroop of een zojuist rijk geworden voetballertje?’ Hij parkeert de auto voor zijn huis. Zoals Fei Fei verwacht vraagt hij of ze mee naar binnen komt. Het is niet moeilijk kiezen tussen een bootje in de haven of een huis met een douche. Voordat ze het portier opent, denkt ze een moment aan Chen. Overgeleverd aan zichzelf, zonder schilderij. Ze verdringt dit beeld snel en denkt aan de warme douche, zo warm als ze tijden niet meer heeft gevoeld. En dan een zacht bed. En dan de handen van Roderik. En morgen, dan zien we wel weer verder.

Robbert

4 jaren, 5 maanden geleden

De kleurenpalet van Nederland

1,8

Vertrouwen

Radeloosheid, het is geen gezicht bij een man. Zeker niet als het je eigen man is. En radeloos was Chen. Zijn ogen stonden groot, zijn mond hing open en dan die rode vlekken die spontaan in zijn nek waren verschenen.
Of ik er iets van wist, wilde hij weten.
Hij was de hut uit gestormd, naar mij toe, en had mijn onderarm vastgepakt.
‘Waarvan?’ vroeg ik.
‘De kist natuurlijk.’ Hij omklemde mijn pols steviger, met twee handen nu, smekend.
‘Je doet me pijn,’ zei ik en keek naar zijn handen. Hij volgde mijn blik en liet los. Zijn armen hingen nu slap langs zijn lichaam en beduusd staarde hij voor zich uit, als een aan zichzelf overgelaten kind.
‘Nee, ik weet niet waar de kist is,’ antwoordde ik. ‘Ik was net in de loods een kopje thee aan het drinken.’
‘Hoe kun je hier zo rustig onder blijven?’ vroeg Chen retorisch. Hij legde zijn warme voorhoofd tegen de koude wand en sloot zijn ogen. ‘De kist is weg! Hij staat niet meer onder het bed!’
‘Dat hij niet meer onder het bed staat, wil nog niet zeggen dat hij weg is.’
Hij draaide zijn gezicht naar me toe. ‘Weet jij dan waar hij is?’
‘Nee.’
‘Waarom zeg je dan zulke dingen? Zo’n opmerking, waar slaat dat op? Soms snap ik echt niks van jou. Je lijkt zo… berekenend, zo irritant kalm. Alsof niets je kan raken. Nou, mij raakt het wel. En jou zou het ook moeten raken. Het is ook jouw toekomst, in die kist.’
Hij kreunde en legde opnieuw zijn voorhoofd tegen de wand.
Radeloosheid: niet alleen bij een man, ook bij een vrouw is het geen gezicht, trouwens. Al zal het in de perceptie van een man iets aantrekkelijks hebben. Hij kan de redder uithangen, het meisje te hulp schieten.
‘Waarom verdenk je mij eigenlijk?’ vroeg ik. ‘Heb je zo weinig vertrouwen in me?’
Hij zuchtte. ‘Je hebt gelijk. Ik was mezelf niet. Sorry. We doen dit samen, dat weet ik.’
Het zal goed komen, wilde ik hem troosten, want ik vond het pijnlijk om hem zo te zien, maar hij was me voor met de vraag: ‘Als jij het niet was en ik ook niet, wie was het dan wel?’
Ik dacht even na.
‘Vertrouw jij de kapitein?’ vroeg ik.
Daar leek hij nog niet aan gedacht te hebben. Hij rende terug naar de hut, de deur viel achter hem dicht. Een moment later hoorde ik een woordenwisseling. De exacte woorden waren hier op de gang niet te verstaan, ik hoorde alleen hoge klanken (Chen) en laag gebrom (de kapitein). De twee vrouwen hoorde ik in het geheel niet. Alsof ze er niet meer waren. Waarschijnlijk stond de journaliste gretig te pennen in een blocnote en keek de kunsthistorica stijfjes en afwachtend naar dit tafereel, te geremd om iets te zeggen, laat staan om iets te doen, zoals weggaan.
Tot een vruchtbaar einde kwam de woordenwisseling niet, want de kapitein verliet de hut en sloeg de deur met een klap achter zich dicht. Zonder me een blik waardig te gunnen liep hij me voorbij, de loopplank op, de kade op. Daar schopte hij met de punt van zijn laars tegen een roestig colablikje. Ja, hij was duidelijk verontwaardigd over het feit dat Chen hem ook maar had kunnen verdenken. Maar gekrenkte trots is nog geen bewijs van onschuld.

Robbert

4 jaren, 5 maanden geleden

De kist

1,7

Aankomst in Nederland

Langzaam glijden we de haven binnen. Het is alsof de motor uit is en we alleen maar wat drijven, stilletjes, richting de kade.
Ik ben buiten op het zijdek gaan staan, in de regen, waarom weet ik eigenlijk niet. Naast me staat een man, hij is me achterna gelopen. Zijn naam is Chen. Met hem vorm ik een echtpaar. Chen is zeven maanden geleden in Peking met me getrouwd. Hij was verliefd op me en zo aanhoudend.
Mijn man pakt zijn fototoestel uit zijn zak en kijkt verwachtingsvol door de lens. Hij maakt een foto en ik begrijp niet waarom. Wie wil er nou een herinnering van dit uitzicht: wat bruine gebouwen, wat desolate hijskranen, een loods en laaghangende grijze wolken? Ik hoop dat de rest van dat Nederland minder saai is.
We dragen allebei dezelfde felgele regenjas. Ik voel me voor gek staan in dit idiote ding. Chen had ze gisteren in het bootwinkeltje gekocht. Omdat ze van pas zouden komen in Nederland, zei hij. Zijn cadeaus zijn altijd teleurstellend.
Desondanks steun ik mijn man. Ik help hem bijvoorbeeld met het dragen van onze bagage: twee koffers en de zware, gelakte notenhouten kist met daarin het schilderij van Piet Mondriaan. We zullen voor het terugbrengen van dit werk een beloning krijgen, van iemand, en vanaf dan zal mijn toekomst beter worden dan het verleden. Want de overheid hier heeft in 1990 voor heel veel geld een bijna identiek kunstwerk van Mondriaan gekocht. Ja, het mondaine leven waar ik altijd al van gedroomd heb ligt in het verschiet.
Chen legt zijn arm om mijn schouder en hij houdt het fototoestel voor ons in de lucht. Ik glimlach en hij drukt op het knopje. Als hij ons op het schermpje wil terugzien blijkt de foto mislukt, omdat er een regendruppel op de lens lag. Als hij een tweede poging wil wagen raakt de boot de wal en door de kleine schok laat hij bijna het toestel uit zijn handen vallen.
Waarom ik met deze sul getrouwd ben? Om die bruidsschat natuurlijk.
Over een paar minuten zal de boot echt aangemeerd zijn en het schilderij zal door de douane moeten. Ik hoop dat dat goed zal gaan. We hebben in ieder geval nauwkeurig voorbereid wat we zullen gaan zeggen…

Robbert

4 jaren, 5 maanden geleden