Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Chen

Eigenaar van de vermeende Victory Boogie Woogie III

Chen, een Chinese man van begin veertig, wiens grootvader, een pianist in een jazz orkest, bevriend was met Piet Mondriaan in New York. Hij duikt op in Amsterdam samen met zijn vrouw en een krat waarin naar zijn zeggen een derde variant van Mondriaans Victory Boogie Woogie zit. Zijn grootvader zou het schilderij hebben gekregen van Mondriaan en gedurende het maoisme verborgen hebben gehouden. Nu wil hij het Nederland binnenbrengen en te koop aanbieden. Commotie.

Chen

Bijdragen over Chen

Meesterwerk

10,0

Schilderles in het Hutchison Whampoa Museum

Dertig zwarte stippen, zou dat ook kunst kunnen zijn? Als die vlakjes dat waren, waarom dan niet stippen, dacht Chen. Stippen waren levendiger dan vlakjes, stippen hadden aan zichzelf genoeg maar samen begonnen ze vanzelf te dansen en konden ze alle verbindingen aangaan, het maakte niet uit welke, de mogelijkheden waren onbeperkt. Afwezig frunnikend aan de knopen van zijn uniform liet hij zijn blik over de schoolkinderen gaan. Hun haar glansde als verf die net was opgebracht, ze zaten allemaal in kleermakerszit en bogen diep over hun vel papier heen, met een liniaal trokken ze strakke lijnen, sommigen waren al met het inkleuren begonnen, om hen heen rode, blauwe en gele spetters, als confetti. Hij was vertederd, hij zou van hen allemaal kunnen houden, wat voor hem op de vloer van de museumzaal gebeurde, was één groot feest.
Godfried was als eerste klaar en hield zijn Victory Boogie Woogie omhoog, niet voor zijn juf, maar voor hém, Chen, zijn vader, althans, hij had maar aangenomen dat het jongetje, dat negen maanden na hun avontuur in Nederland uit Fei Fei’s buik tevoorschijn kwam, zijn zoon was, en niet dat van Wong. Dat de kleuter het talent van zijn oom Li had was onmiskenbaar. Zou hij daarnaast de bezetenheid hebben van de Nederlandse kunstenaar naar wie hij vernoemd was, dan zou hij later misschien nog rijk kunnen worden, zoals Ai Wei Wei, en hoefden Fei Fei en hij zich geen zorgen meer te maken over hun oude dag. Weliswaar had Wong hem een baan gegeven, maar hij was en bleef de harde zakenman die hem groot had gemaakt; zijn salaris was ‘marktconform’, en dus niet meer dan de eerste de beste arbeidster in een confectieatelier of computerfabriek uitgekeerd kreeg. ‘Voor jou een miljard anderen,’ had botweg Wong gezegd; het salaris dat het Hutchison Whampoa Museum for Magnificent Reproductions of Great Masterworks betaalde, bleek net genoeg om hun appartement te kunnen betalen, vijftien vierkante meter op eenentwintig hoog. Om elke maand enkele yuan apart te kunnen leggen voor later, als Godfried zou gaan studeren, was Fei Fei als manicure in een nagelstudio gaan werken, soms verzorgde ze ook massages; het was niet het leven zoals ze zich dat had voorgesteld, maar dat de nagelstudio in het nabijgelegen Hong Kong gevestigd was, vergoedde veel: elke dag ging ze een half uur eerder van huis zodat ze nog even gelegenheid had langs de etalages te lopen. Het was goed zo, haar liefde voor kleren, schoenen, sieraden en parfum was ze niet kwijt, maar ervan dromen volstond, haar zoon was haar geluk.
Of Chen zelf ook gelukkig was, kon hij niet zeggen. Geluk was misschien meer een Westerse preoccupatie, het nastreven van ervan leidde daar tot niets dan chaos en ongeluk, dat was hem in die weken in Nederland wel duidelijk geworden. Tevreden kon hij zichzelf wel noemen, hij had eindelijk iets in zijn leven tot een goed einde gebracht, hij was erin geslaagd de Victory Boogie Woogie te verkopen, en nog herinnerde hij zich hoe hij van trots had gegloeid toen hij Fei Fei de koffers met geld had laten zien; wel jammer dat Roderick ineens vijftig procent bemiddelingskosten in rekening had gebracht en dat Papadiamantes hem vervolgens, behalve een glas raki en gefrituurde calamares , een astronomische rekening had voorgeschoteld, vanwege advocatenkosten, liggeld, logies, brandstofkosten, gederfde inkomsten, ongespecificeerde schade, een post ‘onvoorzien’ en btw van 23% – er was nog maar net genoeg geld over geweest om voor Li, Fei Fei en hemzelf vliegtickets naar China te kopen.
De schilderles liep ten einde, ineens heerste er chaos, de kleuters liepen kriskras door elkaar en wapperden met hun vellen papier - bij velen liep de verf uit, alsof de Victory Boogie Woogie helemaal niet meer zo uitgelaten was maar huilde. Met zijn vel als een vlag omhoog gestoken rende Godfried op Chen af. Hij aarzelde, als suppoost mocht hij geen bezoeker aanraken, laat staan oppakken of betasten, maar hij kon zich niet beheersen en nam het jongetje op, zwierde het door de lucht, zette het weer neer; vervolgens liet hij zich door zijn hurken zakken en bekeek samen hem de vlekkeloos nageschilderde vlekken.
‘Wat denk je dat het voorstelt?’ vroeg hij.
Het jongetje aarzelde geen moment, ‘de wereld,’ zei hij, ‘de hele wereld in een plat vlak.’
Chen drukte het jongetje tegen zich aan, o, dat tengere, ongedurige lijfje, dat hartje dat hij dwars door zijn uniform heen voelde bonken alsof het op de hielen werd gezeten - maar hij werd op zijn schouder getikt.
Zijn chef, of hij even mee wilde komen naar zijn kantoor. Zijn gezicht stond op onweer.

Edzard

4 jaren, 3 maanden geleden

Naamsverandering

5,9

De nieuwe orde komt uit China

Ineengedoken zat Chen op zijn stoel en staarde verslagen naar de Victory Boogie Woogie. Het koste hem moeite zijn blik te focussen, de vakjes dansten voor zijn ogen, hij knipperde met zijn ogen, schudde even met zijn hoofd, hij was bang dat hij flauw zou vallen, klemde zich al vast aan de zitting. Dat de vele scheuren en barsten zich met het vlakjespatroon mengden en zich geen enkele rekenschap gaven van Mondriaan’s esthetiek, maakte het beeld alleen maar onrustiger.
Waarschijnlijk was het schilderij mooier zo, getuigend van het leven, dat zich niet in die vakjes laat dwingen, niet in een verhaal met een strak plot, in niets, behalve in wat evenzeer onderhevig was aan woekering, ja, die gedachte kon nog in hem opkomen maar erin geloven of er vrolijk van worden lukte hem niet meer. Hij had gefaald, dit ding kon hij met geen mogelijkheid meer kwijt aan Wong, hij durfde de topman van Hutchison Whampoa zelfs niet meer onder ogen te komen en had Li gestuurd om het slechte nieuws over te brengen, en, zo nam hij aan, diens getier te incasseren. Het was niet alleen dat hij deze Victory Boogie Woogie niet meer kon verkopen, hij dreigde ook de grip te verliezen op het eveneens door Wong begeerde schilderij van zijn grootvader. Ja, het was nog van hem, maar dat scheen betwist te worden en zou misschien niet meer lang duren; van Rong Rong, die Chinese massagedame waarmee Joy Puik was komen aanzetten, had hij begrepen dat het onderwerp was geworden van een nationaal publiek spektakel, de eerste minister scheen zich ermee te bemoeien, erfgenamen van Mondriaan, een televisiester en wat zij ‘politieke partijen’ noemde. Geen idee wat dat waren, ‘politieke partijen’, voor hem bestond er maar één partij, de communistische, en als hij Wong tevreden had kunnen stellen, had hij misschien ooit nog kans gemaakt te mogen toetreden, zodat het met zijn carrière, en dus ook met zijn huwelijk, uiteindelijk toch nog goed zou komen. Dat hij de Partij nu wel op zijn buik kon schrijven, was zonneklaar. Beter kon hij zijn paspoort weggooien en stateloos door het leven gaan, van alles en iedereen verlost.
Het moet gezegd: tussen de wandkleden en iconen in de hut van Papadiamantes misstond het schilderij niet. Het sloeg er een brug tussen; het kleurgebruik correspondeerde met dat van de iconen, de patronen met die van de kleden. Maar Papadiamantes was de enige die het opmerkte, misschien moest dat schilderij daar maar blijven staan, naast Fanourious, het heilige jongetje dat licht schijnt voor zij die iets kwijt zijn geraakt, dacht hij, en nipte van zijn rakí.
Soms wierp Chen een vluchtige blik opzij, naar Fei Fei. Ze had nog niets gezegd, ze had daar alleen maar gezeten, met stijve rug en haar armen over elkaar, hij was bang dat ze elk moment kon ontploffen. Eén keer eerder had hij dat meegemaakt, in Beijing, toen hij gearresteerd werd vanwege zijn betrokkenheid bij het aanvoeren van illegaal vuurwerk voor het nieuwe hoofdkantoor van de staatstelevisie, een soort uit zijn voegen hangende Victory Boowie Woogie, ontworpen door die andere Nederlander, Koolhaas; de bouwers hadden de triomf ervan luister bij willen zetten maar het nog onvoltooide gebouw was in lichtelaaie gevlogen. Dat dat gebouw was afgefikt, had Fei Fei niets kunnen schelen, wel dat zijn zoveelste poging geld te verdienen, op een mislukking was uitgedraaid. ‘En nu laat je me ook nog stikken! Je laat me aan mijn lot over! Kijk nou eens naar jezelf, ik ben je kwijt, voor twee jaren! Wat heb ik aan jou! Elke vent is beter dan jij, Chen! En dat zal je weten ook!’, had ze geschreeuwd terwijl hij door de agenten werd afgevoerd. Eigenlijk was die hele onderneming met dat schilderij een poging geweest het weer goed te maken met haar, maar daar was dus niets van terecht gekomen. Als hij haar zo zag zitten, tot haar tengere lichaam veroordeeld als tot de nauwe cel, ging hij door de grond van schaamte; dat ze dan met een smeltende blik terugkeek, alsof hij een kind was dat haar met zijn kattenkwaad vertederde, was al helemaal dodelijk.

Ook Godfried zweeg, zo intens staarde hij naar het kapotte schilderij dat het leek of hij het tot leven wilde wekken. Hij was en bleef een magiër, een sjamaan, hij appelleerde aan iets universeels, dwars door de culturen heen; Chen’s ontzag voor hem was niet geweken en hij voelde zich ook tegenover hem door de mand vallen als voor het oog van god; ach, was hij maar in zijn geboortedorp gebleven en nooit naar de stad gegaan, daar was alleen maar ellende van gekomen.
‘Ja,’ zei Godfried, eerst nog zacht, ‘ja, ja’, daarna steeds luider, tot hij een langgerekt ‘JAAA!’ brulde. ‘Dit is beter dan ik ooit heb durven dromen! Chen, je weet niet hoe dankbaar ik je ben. Jij hebt mij losgeschud.’
Hij sloeg op zijn dijen, klapte zowat voorover van enthousiasme, omhelsde Chen, keerde zich weer naar het schilderij en keek er ineens weer roerloos en gebiologeerd naar, bewoog traag als een leguaan zijn hoofd heen en weer, en sprak, alsof hij het over een ander had: ‘Ja, Godfried kan hier wel wat mee, Godfried gaat zijn levenswerk voltooien en zal uit de as herrijzen!’
Chen kreeg niet de kans te vragen welk plan er in die archaïsche kop van hem was geboren. Li kwam de hut binnen, aangeslagen leek hij niet, integendeel, zijn gezicht was glad van blijdschap.
‘We zijn eruit,’ en zijn blik schoot van Chen naar Fei Fei en weer terug, en hij begon nog uitgelatener te stralen. ‘het komt allemaal goed, kinderen, maar eerst een glaasje rakí.’
Hij sloeg hij de sterke drank in één teug naar binnen en hield zijn glaasje meteen weer bij. Wong was aanvankelijk woedend geweest, vertelde hij vervolgens. Zeker, hij had getierd en gedreigd, maar hij draaide bij nadat Li uitvoerig met hem over kunst had gesproken, dat had Wong nooit eerder gedaan, geen tijd voor gehad, Hutchison Whampoa leiden was geen sinecure. Li had hem voorgehouden dat het vreemd was om als Chinees van een trots rijk zich andermaal te vernederen en Westerse waarden over te nemen en nog te blijven geloven in het aura van het echte originele kunstwerk. Zelfs in het Westen waren er al genoeg die die mythe omver hadden gekegeld, toch kon het er zich niet van losschudden, de kwestie echt of onecht bleef de gemoederen verhitten en bepaalde nog altijd de waarde van een schilderij, en niet alleen dat, er was zelfs een hysterie omheen ontstaan die zijn weerga niet kende en prijzen tot astronomische hoogten opdreef.
‘Dus zei ik tegen hem: waarom niet een museum met kopieën van topstukken? Die zijn veel beter dan het origineel. Elke keer dat je zo’n schilderij doet, wint-ie aan kracht en zuiverheid. Zie het maar als een soort mantra dat je opzegt: hoe vaker je die vlakjes schildert, hoe minder ze er toe doen en hoe dieper je tot de essentie doordringt. Als Mondriaan iets later geboren was, was hij een Chinees geweest die kopieën schilderde. Toen ik klaar was, zei hij: en, wat is je voorstel? Ik zei: ik schilder beide versies na, ik kan ze vandaag al klaar hebben, en als u wilt, schilder ik ook nog de Victory Boogie Woogie die ze hier al hebben, dan heeft u ze alledrie. Ik zag dat hij met zijn mondhoek trok en wist dat hij zou instemmen. Ik bood nog aan het in China te doen, maar hij wilde dat de kopieën zo nauwkeurig mogelijk waren, dus rechtstreeks overgeschilderd van de originelen. Hij wilde dat het ze geloof ik ook inwrijven, dat ze eindelijk eens door zouden krijgen dat wij nu de orde uitmaken. Ik ben meteen langs de winkel gegaan en heb alles besteld, verf, tape, doeken, latjes, de hele mikmak; ze kunnen het elk moment langsbrengen.’

Edzard

4 jaren, 3 maanden geleden

De prijs van kunst

2,4

Wong's woede

Fei Fei’s gezicht straalde toen hij over de loopplank rende. Het viel met geen mogelijkheid te begrijpen: hij zag dat ze daar stil en eenvoudig stond, ineens weer helemaal open voor hem, alsof ze van voren af aan konden beginnen, hij had door dat hij in de schoot geworpen kreeg wat hij zich ten diepste gewenst had, hij besefte dat ze hem alleen al met die blik van haar precies datgene gaf waarom hij die krankzinnige onderneming met de schilderijen was begonnen, hij wist dat hij niets meer nodig had, geen geld, geen andere mensen, geen kunst - en toch groette hij haar alleen maar met een knikje en rende langs haar heen.
Misschien zei ze nog iets, hij kon het niet goed horen, een volgend vliegtuig diende zich aan en uit de garage van Godfried kwam een hels knarsen, alsof daar de aarde openspleet en een monster baarde. Maar hij wilde haar ook niet horen: alles wat van haar kwam en hem tot zichzelf zou brengen, leek hem te ondermijnen. Hij moest rennen, en nog eens rennen, opgejaagd als Woyzeck, en in alle tumult die er rondom de Elefteria was ontstaan Wong ervan overtuigen dat hij geen spelletje met hem speelde maar geheel en al aan zijn kant stond, en dus voor het Rijk van het Midden koos.
Abrupt bleef hij staan, de zwarte auto stopte vlak voor hem, hij hoefde slechts zijn arm te strekken om het portier open te doen en Wong te laten uitstappen.
Gezichten lezen, tekens opvangen, gebaren duiden, als voor elke Chinees was het voor Chen een tweede natuur, en hij bleef dan ook onbewogen, met iets gebogen schouders en op de een of andere wijze ieler dan normaal naast de topman van Hutchison Whampoa lopen terwijl de vloer met hem werd aangeveegd. ‘Wat doen al die mensen daar? Moet de hele wereld er soms bij aanwezig zijn? Als je soms denkt dat je daarmee de prijs om kan drijven, dan vergis je je enorm. In stilte waren we allang tot een deal gekomen, eentje die veel beter voor jou zou zijn geweest. Maar nu zal ik je op de knieën dwingen. Ik zal je helemaal klein krijgen, er blijft niets van je over. Ben je net zo’n botterik als al die mensen hier geworden? Je hebt me in grote verlegenheid gebracht, Chen, ik weet niet of je daar ook achter zit maar er blijkt zelfs een nationale actie opgang gekomen om de Victory Boogie Woogie hier in Nederland te houden. Ik heb die eerste minister hier, die Lll..Rrrutte, moeten bellen om het voor mij op te lossen. Onze ambassadeur is er ook al achter de schermen mee bezig. Zonder ons kunnen ze hier niets meer, ze weten donders goed hoe afhankelijk ze van ons zijn geworden. Weet je, Chen, ik zeg het je maar even voor het geval je het nog niet door hebt, maar als je er niet voor zorgt dat ik hier vandaag met dat schilderij vandaan komt, zorg ik ervoor dat jij wegens landverraad en corruptie naar een heropvoedingskamp gestuurd wordt.’
Chen liet de woorden langs zich afglijden en knikte af en toe, hij wist dat zolang Wong de moeite nam tegen hem uit te varen, er nog niets verloren was. Gezagsverhoudingen waren gezagsverhoudingen, daar hoefde je verder niets achter te zoeken, en je al helemaal niet persoonlijk door gekwetst te voelen.
Bij de loopplank nam de chauffeur als in een dans de hand van zakenman en leidde hem tot op het schip. Roderick, Botering en Fei Fei stonden al op het dek, met de kist die nog niet zolang geleden onder het bed in zijn hut gelegen had; hij voelde een brok in zijn keel, alsof hij ineens aan vroeger herinnerd werd. Negeren, dacht Chen, de hele boel negeren en doorstoten naar de kapiteinshut, anders werk ik me nog verder in de nesten. Terwijl Wong maar bleef razen, ongegeneerd en met overgave, zijn stem hard en scherp als het langs elkaar schuren van platen metaal, liepen ze op Papadiamantes af, die zich met lodderige blik en de armen over elkaar voor de deur had geposteerd, vaag glimlachend.
Vlak voordat Chen naar binnen zou gaan, als laatste, alsof hij er al niet meer toe deed, werd hij aan zijn mouw getrokken.
Ook haar gezicht liet zich moeiteloos lezen. Tegelijk had hij haar nooit eerder zo gezien. Ze was woedend, voor het eerst sinds ze elkaar hadden leren kennen.
‘Zo dus niet,’ siste ze.

Edzard

4 jaren, 3 maanden geleden

De prijs van kunst

2,1

Terug naar waar het allemaal begon: op de Elefteria

Voorop liep Li, dat wil zeggen, achterwaarts en angstvallig omlaag kijken, naar het donkere water. Dan volgde de kist met de Victory Boogie Woogie, een halve meter zwevend boven de loopplank. Tot slot kwam Chen, enigszins gebukt, zijn gezicht vertrokken en zijn handen om de onderkant van de kist geklemd. Na een knikje van Chen zakten hij en Li door hun knieën en zetten ze het schilderij op het dek. Beiden strekten en bogen hun vingers, veegden ook het zweet van hun voorhoofd. Ze leken elkaar na te bootsen, de een het origineel van de ander, en dus beide niet alleen echt en authentiek, maar ook een geraffineerde kopie, zoals tweelingen.
Glimlachend keek kapitein Papadiamantes toe, ‘alles stroomt, alles keert weer tot zijn oorsprong terug. Als dat schilderij ergens thuishoort, is het wel op dit schip. Zal ik de trossen alvast losgooien, dan gaan we een eindje varen. Zijn we van het hele gezeik af. Ik word nog steeds ondervraagd, door de douane, door de politie, door de pers, malákes. Ze laten me nog geen seconde met rust.’
‘Nog even blijven liggen, we zijn hier nog niet klaar, we verwachten bezoek,’ zei Chen, en aan zijn stralende gezicht was te zien dat hij Wong hoger aansloeg dan alle mensen die hij vanwege de schilderijen in Nederland had ontmoet, alsof hij met de komst van de hooggeplaatste Chinees weer werd opgenomen in gezagsverhoudingen waarmee hij van kindsbeen vertrouwd was. Het had ook met geen mogelijkheid kunnen slagen: zaken doen in een land dat hij niet kende en waarin hij zijn plek niet had. Alle gevoel voor verhoudingen was hij kwijtgeraakt, zelfs was hij als een slaapwandelaar achter die maffe kunstenaar aangelopen, het had hem niets dan gedoe opgeleverd. Wat hem betreft was met Wong de orde weer hersteld; alles moest nu wel goed komen.
Van Papadiamantes kregen ze toestemming de kist in de kapiteinshut neer te zetten. Dat was een gepastere omgeving om de Victory Boogiewoogie aan Wong te presenteren, dan Chen’s hut. Er hing een gewijde sfeer. Behalve met foto’s van vrouwen (het viel niet uit te maken wie zijn vrouw was, wie zijn dochters en minnaressen, wie zijn moeder) was de ruimte behangen met wandkleden en iconen. Het ontbrak er nog maar aan dat er ook wierook werd gebrand. Achteloos pakte Chen een boek van tafel; ‘door mijn grootvader geschreven, Alexandros Papadiamantes, een schrijver die zijn hele leven arm is gebleven maar wiens boeken meer waard zijn dan al die dure schilderijen van jullie bij elkaar. Beter nog dan Tsjechov, heren, maar wie kent hem nog?’ zei de Griekse kapitein met een zucht.
Hij wees naar een grote doos, ‘pas bezorgd, bestelling van je vrouw. In je hut staan nog meer dozen. Het was hier de afgelopen dagen een komen en gaan van bestelbusjes. Alsof ik dat erbij kon hebben.’
Met een mesje sneed Chen de tape door, laarzen met pantermotief, zo lang dat ze bij haar tot haar liezen moesten komen.
‘Het is zo genoeg geweest, die gaan dus niet mee. Als je me aan een telefoonnummer kan helpen, laat ik een koerier komen,’ en hij sloot de doos met een klap.

Voor het eerst in die weken begon de zon te schijnen, geheel onverwacht, want de hemel leek nog altijd potdicht te zitten. Een verticale lichtbaan kwam er dwars doorheen en liet de roestige staalplaten van de Elefteria opvlammen. Met Papadiamantes wachtten Chen en Li op het dek. In de verte zagen ze de fietshandelaar de ene na de andere fiets naar de garage van Godfried de Ridder rijden. Telkens maakte hij de meest wilde bochten, het zag er frivool uit, het leek of hij er een spelletje van maakte, maar misschien probeerde hij alleen maar plassen en kuilen te ontwijken. Uiteindelijk reed hij elke fiets de donkere muil van Godfrieds garage in, de kunstenaar zelf kregen ze niet te zien.
‘Gaat dit nog lang duren?’ vroeg Papadiamantes met een geeuw.
Chen keek op zijn gsm. ‘Ze hadden er al moeten zijn.’
‘Ik heb nog een fles raki staan…’
‘Dacht dat we alles al opgemaakt hadden…’
‘Er is altijd nog één fles meer, maar dit feest moet niet te lang gaan duren.’
Nogmaals tuurde Chen tussen de loodsen door, gebarsten beton, modder, plassen. Toen toch een geronk, een auto bonkte door de kuilen, het bordeauxrood van een oude Peugeot, zo leek het, hoe dan ook niet het glanzende zwart waar ze naar uitkeken, en hij draaide zich naar de kapitein, die met een fles zonder etiket in zijn ene, en drie glaasjes in zijn andere hand uit de stuurhut opdook.
Chen en Li hielden hun glaasje bij, Papadiamantes schonk in. Een vliegtuig vloog laag over; even leek alles gevangen in een alomvattend razen.
‘Chen! Chen!’ klonk een schelle, hoge vrouwenstem toen de wereld weer open lag.
Hij draaide zich naar de wal - Fei Fei.
Ze zat nog in de auto, alsof ze bang was uit te stappen. Hij zag dat ze niet alleen was.

Edzard

4 jaren, 4 maanden geleden

Kunstenaarschap

3,5

De redding komt uit China!

De auto weerspiegelde de plassen, en omgekeerd vergrepen de plassen zich aan de glanzende auto. De fijne druppeltjes, die als een voile over de zwarte lak lagen, hielden de loodsen en kranen gevangen, tenminste een miljoen keer vermenigvuldigd en ook nog eens duivels verkleind. Dat een dergelijke slee zijn entree op het haventerrein maakte, geluidloos meegevend met de kuilen, haast zwevend, had alles van een zinsbegoocheling, en als iemand ernaar gekeken zou hebben gekeken (dat deed niemand, het miezerde nog), dan zou hij zijn ogen niet hebben geloofd, of onmiddellijk begrepen hebben dat het terrein zelf een illusie was, die al spoedig plaats zou gaan maken voor een grote fabriek of, wat in Nederland ondanks de crisis nog altijd waarschijnlijker was, een luxe appartementencomplex, want hun handen uit hun mouwen steken waren ze hier voorgoed verleerd.
Voor de garage van Godfried de Ridder bleef de auto staan. De chauffeur stond al buiten, in een plas, en boog met zijn paraplu naar voren; een Chinese man, kogelrond maar strak in het pak, wurmde zich uit zijn stoel. Van de achterbank stapten nog drie Chinezen uit, Chen, Li en Fei Fei.
Chen ging voor en loodste het gezelschap tussen de plassen door. Fei Fei liep naast hem, hij wilde niets liever dan haar hand pakken - hoe eigengereid ze ook was, haar handen bleven klein en onschuldig en wonden hem altijd weer op - maar met anderen erbij durfde hij dat niet. Haar passen waren kort maar fel, nog steeds droeg ze de schoenen met bandjes, de modder kon haar niet meer schelen, ineens was weer te zien dat ze eigenlijk nog een dorpsmeisje was, een beetje lomp en onwaarschijnlijk lief. Misschien maakte al die luxe haar alleen maar ongelukkig en zou ze zich meer op haar gemak voelen op het platteland, in het dorp waar ze geboren was, Wulingshanxiang, een modderpoel, met varkens en al, maar wat een bevrijding zou dat zijn, voor hen beide!
Waarom waren ze aan dit avontuur begonnen, het had hen alleen maar verder van huis gebracht. Ook waren ze erdoor van elkaar verwijderd geraakt, meer dan ooit. Er was iets in de dynamiek tussen hen, die hem niet onbekend was maar die hier, in Nederland, dankzij het bizarre aura rond die twee foeilelijke schilderijen, volledig uit de hand was gelopen. In de warboel die als een kluwen wol vanzelf was ontstaan in dit bemoeizieke land, waar geen enkele discretie leek te kunnen bestaan en alles meteen op straat lag, was een van de directeuren van de multinational Hutchison Whampoa, operates businesses in ports and related services, telecommunications, property and hotels, retail and manufacturing, and energy and infrastructure, als uit het niets opgedoken.
Als je je maar openstelde, kwam de redding altijd, had zijn grootvader Cheng Liu hem geleerd, en dat gold niet alleen voor improvisatie maar ook voor het leven als zodanig. Die redding heette Chun Hin Wong; ineens had hij zich op Chen’s gsm gemeld, hij had Fei Fei aan de roulettetafel ontmoet en haar al spelend uitgehoord over de schilderijen. Hij had meteen begrepen welke van de twee Victory Boogie Woogie’s de echte moest zijn en voorgesteld het kunstwerk terug te brengen naar China, waar hij doende was in Shenzen het Hutchison Whampoa Museum op te richten, met louter hoogtepunten uit de kunstgeschiedenis. Eerst had Chen nog tegengesputterd, ‘er zijn al onderhandelingen gaande, de stad Amsterdam wil het voor het museum hier aanschaffen, ze hebben er zo’n enorme toestand over gemaakt dat ze er vast en zeker veel geld voor over zullen hebben.’ Maar Wong had hem gezegd dat hij van Nederland niets hoefde te verwachten; als directeur van een multinational wist hij dat het een land op z’n retour was, van geen belang meer. ‘En vergeet je vaderland niet, Chen. Het schilderij hoort in China, het is door Mondriaan aan je grootvader geschonken, het was zijn wil en intentie dat het naar China zou gaan. De geschiedenis bepaalt waar een schilderij thuishoort, en die geschiedenis zegt ‘China’, en niets anders. Het wordt tijd dat we met het westerse cultuurimperialisme afrekenen. Het is je kans om je als patriot te bewijzen, Chen.’
Chen had moeite de directeur van Hutchison Whampoa te volgen, maar toen hij een prijs noemde, was hij meteen om. Het was wel lastig dat het schilderij al in het depot van het Stedelijk opgeborgen was en professor Vlekveld elke medewerking weigerde om het daar weer weg te krijgen; zo boos was ze geweest dat ze al haar voorkomendheid verloren had en het gesprek als een driftig pubermeisje abrupt had afgebroken. Chen’s hoop was nu gericht op Godfried de Ridder, magiër die alles voor elkaar kon krijgen maar die hoe dan ook als enige in staat leek Vlekveld te vermurwen; hij had allang door dat zij een zwak had voor de kunstenaar.
Chen klopte op de deur. Harde rockmuziek, het doffe dreinen van een dreun, jankende gitaren, tot slot een uithaal van een kopstem waar geen einde aan leek te komen - Black Sabbath.
Toen er niet werd opgedaan, bonkt hij met zijn volle vuist op de garagedeur.
Onderaan een kier, en jankend, een met de muziek die aanzwol naarmate de opening groter werd, kwam de garagedeur omhoog.
Alleen zijn broek had hij aan, zijn bovenlichaam naakt en behaard, overal druppels, waarin de dag zich gretig spiegelde. Zijn ogen leken haast helemaal wit en stonden vreemd omhoog gedraaid; het moest wel of hij had iets ingenomen. Achterin de garage, in de groezelige schemering die de ruimte vulde, lag een man op de vloer. Het leek of hij van daaraf aan het fotograferen was, maar het kon ook zijn dat hij sliep. Er schoot iets bleeks door de ruimte, van de ene hoek naar de andere, een naakte vrouw.
‘Eén, twee, drie, vier… en met de dame erbij vijf… vijf Chinezen,’ stamelde Godfried, ‘mán, wat zo’n schilderij al niet losmaakt. Kunst hè, dat kan alleen de kunst, wat ze ook zeggen.’

Edzard

4 jaren, 4 maanden geleden

Cultuur in crisistijd

2,0

Gesprek op het stadhuis

Godfried gaf ze een hand, stevig, zo te zien, maar bij Chen en Li vouwde Lianne Verstraaten haar handen en maakte een kleine buiging. Haar blik was plechtig, alsof het een religieuze ceremonie betrof. Schutterig stond professor Botering op en rechtte zijn rug, strekte zijn arm. Roderik van Zwaaij bleef zitten, nog geen blik gunde hij hen waardig, met zijn nagel krabde hij aan een stukje vastgekoekt gebak, om de een of andere reden moest die korst eraf.
Waar was ze? Waarom was ze niet meegekomen? Ze hadden die middag nog samen in een hotelkamer doorgebracht. Vreemd genoeg had die Roderik voor hen betaald, waarschijnlijk hoopte hij er iets voor terug te krijgen, Chen wist alleen niet wat. Het had Fei Fei niet kunnen schelen, maar toen hij in haar kwam, beetje bij beetje, alsof hij zich in een wilde stroom liet zakken, had hij gevoel gekregen dat de kunsthandelaar door een gaatje in de muur meekeek.
‘En Professor Vlekveld? Komt zij ook nog?’ zei Lianne Verstraaten in onberispelijk Engels. Haar tanden waren als schotten in haar tandvlees geslagen.
‘Niet helemaal lekker, je moet het met mij doen. En met deze heren natuurlijk.’
Godfried legde zijn hand op haar schouder. Meteen schoot ze naar achteren, maar Chen zag dat ze tegelijk even haar hand door haar haar haalde; niemand was ongevoelig voor de presentie van de kunstenaar, ook deze rood vlammende vrouw niet, met haar onwaarschijnlijk blauwe ogen en, warempel, kanariegele blouse, alsof ze het erom gedaan had. Misschien zou dat goed uitpakken voor de verkoop van het schilderij, Godfried’s fysieke werking, maar na Chen’s aanvankelijke optimisme vanwege Vlekveld’s verklaring over de Victory Boogie Woogie was het alsof het schilderij alweer van hem wegdreef, als een schip met een geliefde.
Zorgelijk was ook dat Godfried en de professor een hooglopende ruzie hadden gekregen. Godfried was schreeuwend weggelopen en schreeuwend weer teruggekomen; de mond van Vlekveld had zich samengetrokken tot een lijntje, alleen af en toe had ze afgemeten en nog zachter dan ze doorgaans sprak, weerwoord gegeven.
Er was iets gaande tussen die twee, een spanning die de lucht dikker leek te maken, al vanaf het moment dat ze Magda Vlekveld buiten bewustzijn in de hall van haar appartement hadden gevonden. Chen kon er de vinger niet opleggen, maar hij kreeg het er wel benauwd van.
‘Ze wil niet met dat zwijn Van Zwaaij om een en dezelfde tafel zitten, en al helemaal niet met die Botering. Ze wil apart met de gemeente gaan praten maar daar hoeven wij ons niets van aan te trekken, het is jouw schilderij, of niet soms?’ zie Godfried tegen Chen toen ze van haar huis wegreden. Chen durfde hem niet tegen te spreken, hij kón hem niet eens tegenspreken, zo waren de verhoudingen, nog steeds.

Van Zwaaij sprak uit de hoogte, alsof hij het tegen een kind had: ‘ Je doet maar wat je wilt, meisje, maar de wethouder zal zich onsterfelijk belachelijk maken als ze het schilderij van meneer Chen gaat aanschaffen. Ik weet niet of je enig onderzoek hebt gedaan, maar ik zou het je kunnen aanraden, want die andere Chinese meneer’ - hij wees naar Li – ‘heeft er zijn beroep van gemaakt schilderijen te vervalsen. Dat doet hij heel verdienstelijk, daar niet van, maar om er nou miljoenen voor te geven, dat lijkt me wel wat overdreven. Ik denk niet dat de wethouder dat straks zal kunnen verantwoorden in de gemeenteraad. Het lijkt me ook smullen voor de pers, om van de PVV maar te zwijgen. Of heb je daar misschien andere gedachten over?’
Rode vlekken in haar hals, Chen en Li durfde ze niet aan te kijken, haar blik schoot van Godfried naar professor Botering.
‘En? Wat denkt u ervan, professor?’ vroeg ze met een bleek stemmetje.
‘Dat zal onderzocht moeten worden, juffrouw Verstraaten. Ik ga hier niet zomaar uitspraken doen zonder een gedegen onderzoek. Dat lijkt meer iets voor de journalistiek, waar u ongetwijfeld vertrouwder mee bent. Alles kneedbaar en rekbaar, zoals het uitkomt, nietwaar? Maar dat deze heren met een echte Mondriaan uit China komen aanzetten, mag ik toch wel als zeer onwaarschijnlijk bestempelen. Ik zou niet verrast zijn als het inderdaad en vervalsing is; meneer Li heeft zijn reputatie helaas tegen. Het is ook een veeg teken dat mijn collega Vlekveld niet is komen opdagen. Misschien heeft zij haar vingers er toch niet…’
Godfried was opgesprongen en leunde over de tafel heen. ‘Gelul, Botering, gelul, jij hebt geen geweten. Je bent een parasiet, je hebt Magda altijd tegengewerkt, je probeert je een positie te verwerven ten koste van haar, ten koste van de kunst.’
‘We weten allemaal dat uw verhouding tot collega Vlekveld niet geheel neutraal is, meneer De Ridder. Heeft u het tot u laten doordringen dat uw blik misschien… hoe zal ik het zeggen… enigszins vertroebeld zou kunnen zijn?’
‘Alsof jij weet wat kunst is, Godfried,’ zei Roderik smalend. ‘Wanneer heb jij eigenlijk je laatste gemaakt? Ik bedoel maar…’
‘Een goed werk maak je niet, dat ontstaat. Dat is precies het verschil. Maar daar begrijp jij natuurlijk geen snars van.’ Hij liet zich weer in zijn stoel zakken, staarde voor zich uit alsof hij zelfs de lucht iets had kunnen aandoen.
‘Heren toch, ik geloof dat hier een stevige portie oud zeer bovenkomt. Misschien kunnen jullie dat na afloop even uitpraten, met een biertje erbij. Ik denk dat professor Botering wel een punt heeft, we willen natuurlijk geen flater slaan, of zo,’ zei Lianna met een lachje.
‘Ons schilderij is het schilderij dat mijn grootvader van… Monlian… Mondlian… ’ Chen’s stem verried wanhoop.
‘Dat is allemaal goed en wel, maar het publiek heeft al kennis gemaakt met het schilderij waarmee uw vrouw kwam aanzetten. Als zou blijken dat dat vals is, dan zal niemand meer geloven dat die andere wel echt is. Dan zijn het beide vervalsingen en zijn we dus nog verder van huis. Heb ik gelijk of niet?’
‘Je praat als een kip zonder kop,’ brieste Godfried met hernieuwde drift. ‘Je kent je klassieken niet, maar de waarheid is een zweer die altijd zal doorbreken.’
Chen keek naar de lege stoel naast Roderik. Hij voelde zichzelf ook leeg, leger nog dan toen Fei Fei die middag haar kleren weer had aangetrokken, aan de bandjes van haar schoenen had getrokken, en met hem en nog een ander stel, uit Indonesië, de lift naar beneden had genomen en voor het hotel met een wel erg luchtige kus afscheid van hem had genomen.

Edzard

4 jaren, 4 maanden geleden

De schoenen van de vrouw van Chen

1,3

Niet zonder Fei Fei!

Ze was twijgdun en adembenemend lang. Daarbij stond ze ook nog eens op naaldhakken. Aan één zijde gaf haar bikini iets van haar tepel prijs, een scherp roodachtig randje, als de bloedmaan die oprijst boven de heuvels van Sichuan, de provincie waar Chen geboren was. Zo dik was haar make-up aangebracht, dat ze ook niet zou hebben misstaan in een Chinese opera. Ze lachte naar hem en hij staarde terug. Even een rimpeling van ergernis, meteen had ze haar gezicht weer in de plooi. Ze zwierde haar haar over haar schouder en schonk haar glimlach even gul aan de man die naast hem stond.
‘Nooit met een westerse gedaan. Maar er wel duizenden geschilderd, al die naakten!’ zei Li glimmend. ‘Meestal wel dikker dan deze, met borsten en billen, zo groot dat ik er bang van werd. Maar Lubens is ín, het hele kader heeft de muren volhangen met die volle dames. Je vraagt je af waar dat naar toe gaat met de Partij.’
‘Lubens?’ Chen staarde nog steeds voor zich uit. Hij zag de hoer niet eens, hij dacht aan Fei Fei. Zoals ze bij dat televisieprogramma had gezeten, met dat schokkerige heen en weer schieten van haar hoofd, als een of ander nerveus vogeltje, was ze nog helemaal de vrouw die hij kende, zíjn Fei Fei. Maar hij had haar sindsdien niet meer gezien en ze had ook niets meer van zich laten horen. Vreemd, hij was er altijd vanuit gegaan dat ze bij hem hoorde, even vanzelfsprekend als een lichaamsdeel, maar waarom zou ze niet ineens kunnen losschieten en haar eigen weg kunnen gaan, zonder hem? Waar hij aanvankelijk zo trots op was geweest - dat ze hem te slim af probeerde te zijn - begon hem tegen te staan. Was ze maar een gewone vrouw geweest, een vrouw die hem volgde waar hij ook maar ging, en zich voor het overige bezighield met vrouwenzaken! Zijn moeder had hem nog zo gewaarschuwd! Die Fei Fei, had ze gezegd, die doet wat haar uitkomt, trouw toch een verpleegster of gewoon, een meisje uit de fabriek!
Hij kreeg een duw, een groep Engelsen die schreeuwend door de steeg trok en bleef hangen voor een hoer met uitpuilende borsten. Ze bonsden op het raam, maakten ronde gebaren voor hun borst, ‘are they real or are they fake?’
‘Waar maken ze zich hier toch druk om? Echt of niet echt, als je maar klaarkomt, ’ zei Li, en hij glipte door de kier die al voor hem openstond.

Afwezig dwaalde Chen over de Wallen. Drommen toeristen, vaak aangevoerd door een man of vrouw met een vlag, het kwam hem op de een of andere manier bekend voor, vertrouwde rituelen van de Partij, zijn hele jeugd had hij achter vlaggen moeten aanlopen. Soms ving hij ook Mandarijn en Cantonees op, zijn landgenoten liepen dicht aaneen, om elkaar niet kwijt te raken, gaf ze eens ongelijk.
Hij liet zijn blik over de ramen glijden, de vrouwen erachter zag hij nauwelijks meer. Hij zou opgetogen moeten zijn, zijn plan leek te slagen, de eerste stap was gezet, Professor Vlekveld had het schilderij als echt aangemerkt, in een lucht van braaksel en desinfectiemiddel, wat een associatie met het beroemde schilderij. Maar nu hij de vruchten zou kunnen plukken en spoedig met Fei Fei en een zak vol geld terug zou kunnen keren, moest hij er maar naar raden waar zij rondhing. Trouw of ontrouw kon hem weinig schelen, maar zonder haar was het einde van alles.
De Dam herkende hij aan de fallus die voor een oorlogsmonument moest doorgaan. Daar, op de treden rondom het monument, had hij hem Li afgesproken. Hij zocht zich een weg tussen de geparkeerde fietsen en liep het warenhuis binnen. Als hij een parfum voor haar kocht, Un Voix Noir, haar merk, dan kon hij haar tenminste weer dichterbij voelen. Het was als een offer, zoveel geld had hij niet meer, misschien veranderde er met die aanschaf iets in het krachtenveld dat hen uit elkaar leek te trekken en zou ze vanzelf weer naast hem opduiken.
Ook in het warenhuis wemelde het van de landgenoten, het was alsof hij weer in Beijing verkeerde, de vrouwen met hun tassen, de mannen die achter hen aan sjokten.
Daar was ze, dat kon niet waar zijn, die vrouw met halflang haar die aan sjawls stond te trekken, maar toen hij dichterbij kwam, zijn hart bonzend in zijn keel alsof hij een eerste afspraakje met haar had, bleek ze een ander, eerder Koreaans dan Chinees. Ze glimlachte en wendde zich verschrikt weer af – misschien zag hij er verwilderd uit.
Bij de parfumafdeling vroeg hij naar Un voix Noire, van Serge Lutens.
‘Is uitverkocht, maar we hebben wel Tubéreuse Criminelle . Heel exclusief, meneer, verder alleen in het Palais Royal te krijgen, dat is dus in Parijs,’ zei de dame achter de balie. ‘Als u even een momentje heeft, de tester is in gebruik.’
Naast hem twee forse vrouwen, Russinnen, hij herkende ze meteen aan hun grove manieren. Nog verder een slanke hand die de tester omhoog bracht, de bleke huid van haar pols. Hij keek omlaag, zag voorbij de stevige stronken waarmee de Russinnen zich overeind hielden, haar smalle enkels en elegante schoenen die uit niets dan bandjes bleken te bestaan.
Vergiste hij zich weer? Die schoenen herkende hij niet. Hij vergat te ademen en neeg voorzichtig naar voren.
Haar gezicht zacht en haar lippen die leken te bloeden. Ze hield haar pols onder haar neus, keek stralend op, naar de man die haar vergezelde.
Chen had hem eerder gezien, maar waar? Ah, hij wist het weer, Lodelik nog wat.. Lodelik Z… Zw… hij had iets onbegrijpelijks gezegd, in het Nederlands, hij had naast haar gezeten toen ze op de televisie was.

Edzard

4 jaren, 4 maanden geleden

Kunstenaarschap

1,5

Vlekveld onderuit

De tocht van Schiphol naar het huis van Magda Vlekveld in Buitenveldert, met Li’s bagage en de koker met de Victory Boogie Woogie in de kofferbak, duurde uren. Nog op de lus die Godfried, Chen en Li op de snelweg zou moeten slingeren, begon de Mercedes te pruttelen en te schokken; ineens was het doodstil en gleed de auto sereen met de bocht mee, om in de vluchtstrook verder uit te vieren en dood te vallen.
De wegenwacht bellen was beneden Godfried’s stand. Hij dook onder de motorkap en haalde draden los, bevestigde ze weer; Chen en Li zagen af en toe zijn nagenoeg kale schedel, glimmend en bepareld, toch een fiere bekroning van zijn brein. Met bevuilde handen en vegen op zijn gezicht, de groeven nog dieper en dramatischer, kwam hij weer tevoorschijn.
Toen de auto nog niet wilde starten, dirigeerde hij Li en Chen uit de auto om te duwen.
‘Wat een idioot,’ zei Li tegen Chen terwijl ze met gekromde rug kracht zetten, ‘een soort aapmens, de beschaving moet hier nog uitgevonden worden. Hoe haal je het hoofd om zijn hulp te vragen?’
‘Hij is geen kwaaie, hoor, veel gewauwel waar ik ook niets van begrijp, maar hij brengt ons naar die kunsthistorica, die Vlekvlek. Hij weet waar ze woont, hij zegt dat ze nog iets hebben gehad toen zij nog studeerde.’
‘Iets gehad?’
‘Nou, je weet wel. Ze vielen allemaal voor hem, beweert hij, alle kunstgeschiedenisstudentes. Hij werkte ze een voor een af, hup eroverheen, en dan de volgende. Zo gaat dat hier, Li, echt een beestenbende, ze werken vrouwen af en van standjes weten ze niets, hoe je het een vrouw naar de zin moet maken, ik ben hier nog maar net maar als je eens wist…’
Telkens leek de motor steunend aan te slaan, maar dan stierf het aarzelende geluid nog voor het goed en wel op gang gekomen was. Li en Chen moesten tenminste een halve kilometer geduwd hebben, toen eindelijk een donker grommen opklonk vanonder de motorkap en ze konden instappen, nat van het zweet en de motregen die het Hollandse landschap met zijn snelwegen en bedrijfsgebouwen deed vernevelen tot een idylle uit een andere, gedroomde wereld.

De motorpech was niet het enige oponthoud. Vlak voor de afslag bij het VU ziekenhuis klopte Li op de schouder van Chen en zei hij dat hij eerst naar het Rijksmuseum wilde; hij had in de Beijing Times gelezen dat het heropend was.
‘Alsjeblieft, laten we eerst doen wat we moeten doen, het museum komt later wel. Dan kunnen we daarna samen ook naar de redlightzone, als je wilt,’ zei Chen in het Chinees.
Maar Li stond erop, het hoefde niet lang te duren, hij kende de beroemdste schilderijen wel, hij had ze geschilderd, honderden, duizenden keren, hij wilde ze alleen maar even vergelijken met hoe hij ze schilderde. ‘Weet je, Chen, ik denk eerlijk gezegd dat ik ze in de loop der jaren dus verbeterd heb. Het is pure zen, je verliest jezelf en zinkt weg in de gedachte, of hoe zal ik het zeggen, in de géést van het schilderij. Hoe vaker je het doet, hoe dieper je erin komt. Je wordt het schilderij, bij elke kopie een beetje meer. Wat je dan schildert, kan alleen maar beter zijn dan het origineel. Ik bedoel, het origineel is niet meer dan een vertrekpunt; waar het echt om gaat is de herhaalde oefening.’
‘Wat zitten jullie nou te lullen!’ riep Godfried, ‘wat een fucking brabbeltaal, hoe krijgen jullie het voor elkaar om elkaar ook maar iets aan het verstand te brengen, mán! Je kunt beter twee van die jengelviolen tegen elkaar laten instrijken, je reinste kattengejank.’
‘Li wil naar het Rijksmuseum. Maar dat gaan we niet doen.’
‘Waarom niet? Dat waren echt teringgoede schilders, dat wil je niet weten, die wisten tenminste wat schilderen was.’
‘Hij wil kijken of hij beter is.’
Godfried bulderde van het lachen, ‘goeie gozer. Het kan hem allemaal geen fuck schelen, reputaties, hij gaat voor de kunst, vrijheid blijheid.’
Hij trapte de gaspedaal dieper in, de auto schoot naar voren.

Godfried en Chen dwaalden door de zalen, stonden in mum van tijd weer buiten, dronken koffie, lunchten en gingen op bier over in een café aan het Leidseplein. Met verwondering nam Chen alle oranje versiering op, het roodwitblauw dat ook overal terugkeerde, vreemde, harde kleuren, waarin hij verwantschap zag met de kleuren van de Victory Boogiewoogie – misschien had Mondriaan ooit voor het Hof geschilderd en was zijn kinderlijke kleurpalet in dit land tot wet verheven.
Li was nog steeds in het Rijksmuseum. Godfried had al meerdere biertjes op en werd onrustig. Hij kon het niet laten steeds weer over Li te beginnen, hij was bang dat hij iets met het schilderij aan het uitspoken was, in het Rijksmuseum, of elders.
‘Zonder Vlekveld kan hij er niets mee,’ herhaalde Chen, en Godfried liet zich dan weer in zijn stoel zakken, steeds wanhopiger en stiller, alsof zijn bravoure met de verstrijkende minuten weglekte.
‘Zie je, niets aan de hand,’ riep Chen toen zijn mobieltje leek te exploderen.
‘Weet je, die Victory Boogie Woogie kan me aan m’n reet roesten. Mijn handen tintelen, die energie, ik moet weer eens iets maken. Ik voel het, het is dichtbij, ik kan het niet tegenhouden.’
Terwijl hij opstond, als verzwaard, viel zijn stoel. Hij leek het niet te merken en slingerde tussen de tafels en stoelen door, stootte nog een stoel om en liep naar buiten.
‘Misschien is het beter als jij rijdt,’ zei Li tegen Chen.
‘Er is maar één die in mijn Mercedes rijdt, en die heet Godfried,’ brieste de kunstenaar toen Chen zei dat hij ook kon rijden.
Met een schok, alsof ze gelanceerd werden, verlieten ze de parkeergarage en schoten ze de Van Baerlestraat op. Het bier had Godfried op scherp gezet, zijn zwijgen was onheilspellend, zijn rijden driftig, alsof hij remmend en versnellend, bruut voorrang nemend en andere auto’s afsnijdend, iets wilde openbreken, iets wat hem beknelde, zijn leven, zijn kunstenaarschap. Chen zei niets, in Beijing was hij niet anders gewend, het was hem al opgevallen dat Nederlanders als bejaarden reden. Weer voelde hij ontzag voor de grote, uit botten en vlees opgebouwde Nederlander. Godfried reed dierlijk, op zijn instinct, als een neushoorn die door het oerwoud stampt. Met zijn hoofd zat hij zowat tegen de voorruit aan, telkens wist hij net op tijd bij te sturen of af te remmen.
Hij liet zijn remmen piepen. Jankend schoot de Mercedes vervolgens tientallen meters achteruit, bonkte het trottoir op, voor een laag flatgebouw, waar nooit iets zou gebeuren.
‘Jezus, mán, ze was best een wilde chick, en nu hier, in deze graveyard…’
Chen liep met Godfried mee naar de voordeur, Li bleef in de auto, met de koker over zijn schoot - hij zou er pas uit komen als de professor thuis was.
M.J.A.M.L. Vlekveld’ vermeldde het naambordje. Ze woonde op de begane grond.
Geen gezoem, de gemeenschappelijke hal leeg, behoudens een aardewerken vaas zonder bloemen.
Chen keek op naar Godfried, als een kind.
‘Verdomme, dat ook nog, die kut is niet…’ maar er klonk een klik, als een tikje tegen een glas, amper hoorbaar. De klap waarmee Godfried de deur tegen de stopper duwde, dreunde door het trappenhuis.
Haar voordeur stond op een kier, ‘zie je Chen, Magda verwacht ons al,’ zei de kunstenaar, toch weer monter en energiek.
Ze bleven staan. De kier bleef de kier, daarachter stilte, witte stilte, dat was nog net zichtbaar.
Weer staarde Chen naar de kunstenaar, hij kende de mores van dit land. Op zijn beurt grijnsde de kunstenaar naar de Chinees en liet deurknop in zijn hand verdwijnen.
Geen beweging, iets blokkeerde de deur. Hij zette zijn schouder ertegenaan, hij gebruikte zijn volle gewicht, hij kreeg de deur zover open te krijgen dat hij eromheen kon kijken.
Hij was één bonk zwijgend vlees. Hij zou daar voor een eeuwigheid te staan, een kolos die de tijd weerstond.
‘Krijg de fucking tering, Jezus, mán,’ hoorde Chen hem uiteindelijk zeggen, en hij zette zich schrap en schoof de deur zover open dat ze naar binnen konden.

Edzard

4 jaren, 4 maanden geleden

Vervalsing

1,6

Daar is ze, met het schilderij, bij DWDD.

Als een holenmens stormde hij uit zijn oude garage, met woeste armgebaren. Hij was groot en breed, en had een grove kop, nog onafgewerkt, niet eens geschuurd, laat staan gepolijst. Chen voelde zich meteen geïntimideerd. Het liet zich niet verklaren, het had iets dierlijks, hij wist meteen dat hij er niet onderuit kon zich naar hem te voegen.
‘Hé, pal, jij bent toch die Chinees van dat schilderij. Nou, ik weet niet of je het al weet, maar het is weer opgedoken hoor, die fucking bitch van je is ermee aan de haal. Ze was ermee op tv. Kom, ik laat het je zien, mán, wat een fucking toestand,’ zijn Engels was zo lomp dat Chen het nauwelijks kon verstaan, alsof hem een zak aardappelen in de armen werd gedrukt.
Een moment later zaten ze op bierkratten. De tv op het beton, snoeren kronkelden meters voordat ze de muur vonden. De man die zich als Godfried de Ridder had voorgesteld, hield de afstandsbediening zo ver mogelijk voor zich uit en drukte met zijn duim wild op de knopjes, terwijl hij tegelijkertijd op zijn onderlip beet, ‘fuck, fuck, fuck, ik haat dit kutding. Ik doe dit dus nooit, ik vind niets prettigers dan uitzendingen te missen, het liefst mis ik die verdomde troep allemaal.’
‘Yesss,’ een grote tafel met glazen water en wijn, waaraan een man met lange haren, die ademloos ratelde, een man die even verward leek als zijn haar, een man met een geglazuurd gezicht, en als enige vrouw Fei Fei, zijn Fei Fei, op de televisie nog mooier dan ze in het echt al was, als omgeven door een halo van het zachtste licht.
Als ze sprak, liet ze haar tanden zien, glinsterend en scherp. Chen hield van haar, wat ze hem ook flikte, hij kon er niets aan doen.
‘Jezus, wel een lekker fel wijf,’ zei Godfried. Hij zwaaide met zijn hand, alsof hij zijn vingers had verbrand.
Chen grijnsde, ja, zo was ze ook in bed, meteen zag hij haar weer voor zich, oprijzend vanuit zijn schoot, jasmijn blank. Dat Chinezen in dit deel van de wereld geel werden genoemd, sloeg nergens op.
‘Niet te stoppen, die draaft maar door. Ze denkt dat ik niets voor elkaar krijg, nou, dat heeft ze dus mis. Kan me niet schelen. Ik weet hoe ik het moet spelen. Die ellendige reis met dat Griekse schip, die kist, echt alles, omdat ik wel wist dat ze me zou belazeren. Iedereen dacht dat ik helemaal kapot was dat die kist verdwenen was. Je had ze eens moeten zien, hoe ze me aankeken.’
‘Cool mán. Wat kunnen we anders dan faken? We redden het niet zonder faken. We weten niet eens wat dat is, faken. Als je geen kind meer bent, is alles faken. Het is godverdomme allemaal één fucking pot nat. Dus die van haar is de fake versie. Zie je, dat bedoel ik dus, echt of fake, who cares. Ik zou wel eens een boom willen opzetten met die neef van jou. Dat weten jullie in China dus beter dan wij. Of het origineel is, maakt echt geen bal uit. Allemaal westerse bullshit, fucking fetisjisme. Het gaat om de geest die erin zit. Content. Spirit.’ Hij sloeg Chen op zijn schouder, nogal hard, schoot vervolgens naar voren, ‘watch out, nu komt het.’
Fei Fei stond op, ze droeg een strakke, adembenemende glitterjurk die Chen nooit eerder had gezien, en ze keken haar allemaal aan, de mannen aan tafel, de mensen in het publiek. Ze bukte zich en haalde het schilderij omhoog, verpakt in een laken. De man met de lange haren bleef praten, alsof alles ineen zou storten als hij een stilte zou laten vallen, niet alleen zijn programma maar ook het gebouw, de wereld als zodanig, al pratende hield hij in zijn eentje de gehele kosmos in stand, helaas in het Nederlands, Chen verstond geen woord.
Het laken ging eraf, maar een onthulling kon het nooit worden. Wat was er op het scherm ook van het schilderij te zien? Niets dan een schilderij dat op de eerste Victory Boogie Woogie leek, of de tweede, of welke Victory Boogie Woogie dan ook. Even zwenkte de camera erover heen, vluchtig als een zwaluw over het water, en meteen kwam de showmaster weer in beeld, die nooit zou versagen.
‘Wat een fucking goede joke, kijk nou hoe blij ze zijn, ze gaan helemaal uit hun dak,’ Godfried sloeg met vlakke handen op zijn knieën, ‘te gek, te gek, te gek, ze stinken er allemaal in, Matthijsje en die suffe fietsenboer en ook die eikel van een Roderik met zijn maniertjes. Weet je, nu luist Roderik the lunatic er eens niemand in maar wordt-ie er zelf ingeluisd. Dat heb je fucking goed gedaan, Chennie. Ik mag jou wel.’

Een uur later zaten ze in de auto van Godfried, een oude Mercedes. Hij reed langzaam, zelfs op de snelweg kwam hij niet boven de tachtig, zijn bovenlichaam bewoog hij heen en weer, alsof hij de auto probeerde aan te stuwen. Traag zakte een vliegtuig door het wolkendek, Schiphol moest vlakbij zijn.
‘Weet je zeker dat je neef dat ding langs de douane krijgt? Straks zitten we daar uren te lullen, nou, heb ik dus echt geen zin in, het moet wel leuk blijven.’
‘Denk niet dat er problemen zullen zijn. Hij neemt het gewoon als normale bagage mee. Als ze hem ertussenuit pikken, zegt hij dat hij het zelf gemaakt heeft. Dat is niet eens echt gelogen, hij had die andere gemaakt, even goed of zelfs beter, zoals hij zelf beweert. Of weten de douaniers hier veel van kunst? Bij ons kun je ze een Van Gogh voorhouden en zeggen dat het een schilderijtje van je dochter is.’
‘Cool, nooit gedacht dat die botte domheid nog eens een voordeel zou zijn, leve de PVV,’ en met beide handen ramde de kunstenaar op het stuur; de auto maakte een zwieper, claxons, boze gezichten.
Tussen families met ballonnen, bloemen en spandoeken staarden ze even later naar de stroom reizigers die door de schuifdeuren aan Nederland werden toevertrouwd. Sommigen waren pijnlijk bruin en droegen strooien hoeden en shirts met palmbomen, maar steeds meer mengden ze met Chinezen, die minder opzichtig en ook veel stiller hun entree maakten. Misschien waren er nog meer vliegtuigen uit China geland, want uiteindelijk waren er alleen nog maar Chinezen, er kwam geen einde aan.
‘Jezus, dit wordt niks. Die Li heeft je belazerd. Wat een linkmiechel, die gaat gewoon zelf iets uitvreten met die Victory Boogie Woogie…’
Chen haalde zijn schouders op. ‘Zonder Vlekveld komt hij niet ver. En hij weet niets van haar. Hij weet niet eens dat ze bestaat.’
‘Ach, Vlekveld, die kennen we wel, die droge…’
‘Li!’ riep Chen uit en wurmde zich door de feestelijke menigte, stormde op een Chinees af die zowat verdween achter zijn volgestouwde bagagekar.

Edzard

4 jaren, 5 maanden geleden

Improvisatie

1,6

Met Vlekveld aan zijn zijde…

Voor een Chinees was Chen niet klein, eerder gemiddeld. Maar tussen de kunsthistorica en de journaliste in bleef er weinig meer van hem over; het leek of de vrouwen met hun kind over het industrieterrein liepen. Die indruk werd ook gewekt door zijn wijze van lopen: zijn armen zwaaiend, zijn stappen los en ongericht, alsof er nog iets mankeerde aan zijn coördinatie. Geen steentje op zijn pad dat hij niet wegschopte.
De aankomst was verre van eenvoudig geweest. Douane, politie, officier van justitie, die opdringerige journaliste, die niet meer van zijn zijde week en zich ook als een teek in Magda Vlekveld had vastgebeten, nog wat vreemde types die als ratten uit de loodsen waren gekropen, en Fei Fei die aan zijn kop was gaan zeuren en zei dat hij er al weer een zootje van had gemaakt en dat zijn plan belachelijk was en nooit zou kunnen lukken, en dat ze dat altijd al geweten had en nooit mee had moeten gaan. Maar naast de rijzige, grijze Vlekveld voelde Chen zich volstromen met optimisme en zelfvertrouwen. Wat een vrouw was zij! Nee, niet meteen het type waar hij op viel, hij hield van zijn tengere Fei Fei met haar fijne handjes en priegelvingers, en ook zijn vriendinnetjes en zelfs de prostituees die hij af en toe bezocht, als hij toevallig geld had, leken altijd op haar. Maar Vlekveld was zo kordaat en stevig dat hij zich op een aangename wijze geïntimideerd voelde. Aan haar zou hij zich kunnen overgeven als aan een moeder.
‘Ik ben best opgewonden,’ zei ze met een koket lachje, meer een hik. ‘Het is niet alleen het schilderij. Het is alsof ik hem steeds dichter nader. Soms droom ik van hem, zo’n stijlvolle man.’
‘Dat zei mijn grootvader ook. Maar veel meer heeft hij me nooit willen vertellen. Alles is muziek, alles is jazz, zei hij, en dan zette hij een plaat op van vroeger.’
‘Ach, hoe romantisch. Straks ga ik ook nog dromen van uw grootvader,’ en ze begon weer hikkend te lachen.
Tot zijn verrassing had hij haar niet eens hoeven opzoeken. Ze had zichzelf gemeld, met een advocaat. Nog steeds kon hij het niet geloven: in China zou hij geen kans gemaakt hebben, maar binnen een dag hadden ze een kort geding geregeld en stonden ze voor de rechter. Nog geen uur had het proces geduurd; de rechter had ook niet lang hoeven nadenken en het beslag opgeheven en de politiebewaking van tafel geveegd als was het niet meer dan kattenkwaad. Hoe dat mogelijk was, viel niet te begrijpen en veel moeite om het hem uit te leggen hadden Vlekveld en haar advocaat ook niet gedaan. Ze waren helemaal door zichzelf in beslag genomen, alsof hij er niet toe deed. Maar daarover klagen was ongepast, hij was hen dankbaar, ze hadden hem uit de brand geholpen, het zou niet lang meer duren of het geld zou op zijn bankrekening staan en hij en Fei Fei zouden weer kunnen teruggaan naar China.

Godzijdank lag het schip er nog. Ergens in zijn achterhoofd was hij bang geweest dat de kapitein de trossen had losgegooid en was vetrokken. Een en al beminnelijkheid, die Griek, maar wat er onder die zachte deken van charmes verborgen lag… Als Chen iets had geleerd, was het wel dat je met charmante mensen moest oppassen, en die wijsheid koesterde hij, want dat was ook zo ongeveer het enige wat hij van het leven wist…
Een hels knarsen. Chen keek om en zag Fei Fei op hen afrennen, plassen ontwijkend, op blote voeten, haar pumps in haar handen. Achter haar sloeg een immense schuifdeur dicht; niet alleen de lucht, ook de grond trilde ervan, even leek alles ineens op losse schroeven te staan.
Waar zij had uitgehangen, vroeg hij. En zij, terwijl ze haar voeten vluchtig schoonveegde en in haar pumps wurmde, en achter hen aan over de loopplank trippelde, ‘kopje thee bij de buurman.’
Chen draaide zich om. Ook zij bleef staan. Ze schikte haar haar en keek terug, zo strak dat hij het er benauwd van kreeg.
‘ Dat kan toch geen kwaad?’ zei ze, en haar mondhoeken trokken omhoog zoals hout kromtrekt, onwillekeurig en haast onmerkbaar.
Over de ijzeren trap daalden ze in het schip af. Groot was het niet, maar de gang leek zonder einde en was ondanks het plafonnieres slecht verlicht en hun voetstappen galmden zo hard dat het pijn deed aan zijn oren. Het had alles van een geboorte, zíjn geboorte, zijn wedergeboorte; binnen een paar minuten zou dat spuuglelijke, haastig in elkaar geflanste schilderij veranderen in een meesterwerk dat zijn leven voorgoed zou veranderen.
Hij ging voor, de hut in. Vlekveld, Puik en kapitein Papadiamantes volgden zwijgend, reeds bevangen door eerbied voor het schilderij. Fei Fei bleef op de gang staan. Spookachtig van boven aangelicht leunde ze tegen de wand, rommelde wat in haar handtas, haalde een spiegeltje tevoorschijn en draaide haar gezicht van de ene naar de andere kant, trok met haar lippen, en begon ze secuur met lippenstift bij te werken.
Op zijn knieën tastte hij onder het bed, midden, links, rechts.
Zijn handen grijs van het stof, hij keek op, naar Vlekveld, zocht Fei Fei maar zag haar niet. Vervolgens liet hij zijn handen nog eens ronddwalen, alsof hij ze niet vertrouwde.

Kennelijk bestonden er vele soorten leegte - nooit was leegte hem zo volstrekt leeg voorgekomen. Alleen improvisatie zou hem nog kunnen redden.

Edzard

4 jaren, 5 maanden geleden

Geldnood

1,0

Interview

Hier kunt u de tekst nalezen van het interview dat Joy Puik, verslaggeefster voor AS3, op 28 maart hield met de heer Chen, die op het schip de Eleftria verblijft in de Amsterdamse haven:

Meneer Chen, u bent helemaal uit China naar Nederland gereisd. Wat is het doel van uw bezoek hier?

Ik heb iets bij me, wat in uw land veel waar schijnt te zijn. Victory Boogie Woogie noemt u het geloof ik. In China zou ik er geen cent voor krijgen. Ik heb een neef in Dafen, Li, misschien moet u ook eens met hem gaan praten, hij kan schilderen als de beste. Hij schildert bekende schilderijen, tientallen per week. Rembrandt, Monet, van Gogh, Picasso. Ik mailde hem een foto, hij zei dat hij dit schilderij nog nooit had hoeven doen. Hij vond het maar knoeiwerk. Binnen een dag had hij er niet twee of drie, maar wel veertig gemaakt, vier per uur! Dus ik dacht dat het niets waard zou zijn, maar toen las ik dat artikel over de ontdekking van professor Vlekvlek. Ik ben blij dat ik hier ben, Amsterdam is in een bijzonder land.

Hoe is de versie van de Victory Boogie Woogie in uw bezit gekomen

Moet ik dat alweer vertellen? Of werkt u niet samen met de politie? Cadeautje van meneer Mondriaan aan mijn opa. Chinezen hebben altijd overal gewoond. Ze doen niet moeilijk, ze sluiten heel makkelijk vriendschap en geven ze elkaar cadeautjes. Dat is toch niet zo vreemd?

Wanneer heeft uw opa Piet Mondriaan ontmoet? Hij moet wel een goede vriend van hem zijn geweest om zo’n waardevol cadeau van hem te krijgen.

U heeft mooie ogen en u bent heel lang. U en ik kunnen ook vrienden worden, misschien geeft u me dan ook ooit een schilderij.

U weet waarschijnlijk dat voor dit soort schilderijen veel geld wordt geboden. Tegen welke prijs wilt u afstand doen van het schilderij?

Hoeveel kostte dat andere schilderij? Zo'n veertig miljoen euro, toch? En we zijn nu alweer 25 jaar verder… Eerst maar eens met mevrouw Vlekvlek praten… misschien houd ik het wel, het is toch een aandenken aan mijn opa. Wij Chinezen zijn gewoon onze voorvaderen te eren.

Hebt u al contact met mevrouw Vlekveld gehad? Hebt u met haar onderhandeld voor uw vertrek of bent u onvoorbereid gekomen?

Via facebook, maar ze heeft me verwijderd, ik begrijp het niet, een misverstand denk ik. Maar ik zit niet aan haar vast hoor, zij zal niet de enige zijn die interesse heeft. Ik ben niet gek, ik heb onderzoek gedaan, er zijn heel veel mensen in uw land met die Mondriaan bezig, ze doen hier niets anders! En ik zag dat het museum hier in Amsterdam ook Mondriaans heeft, het Stidillik, Stedellik, zo heet dat toch? Waarom zouden ze dan niet net als dat museum in Den Haag een eigen Victory Boogie Woogie willen hebben? Ik maak me geen zorgen hoor. Ik heb een schilderij bij me waar iedereen hier om zit te springen.

U hebt uw vrouw meegenomen naar Nederland. Als u het schilderij hebt kunnen verkopen, bent u dan van plan om naar China terug te gaan? Of wilt u zich samen ergens anders vestigen?

Chinese vrouwen kennen hun plek. Fei Fei zal me volgen, waar ik ook ga. Maar China is een groot en mooi land; waarom zouden we daar geen geschikt huis kunnen vinden?

Edzard en Han

4 jaren, 5 maanden geleden

Het plan van Chen

1,5

De douane ruikt onraadt

Door het patrijspoort kwam een futloos licht. Het leek op het licht in Beijing, even melkig en diffuus. Welkom thuis, dacht Chen, reis je de halve wereld om in een benauwde hut en verandert er hoegenaamd niets. Straks stapt hij van het schip en grijnst alles hem weer toe, zijn hele leven in China: de wolkenkrabbers die hij met spoedbestellingen moet afjakkeren, de volgepakte wegen waar hij op zijn fiets doorheen moet manoeuvreren, de gore lucht die hij gedwongen is in te ademen, de armetierige kamer met gemeenschappelijke keuken op tien hoog, die hij met Fei Fei deelt, en even twijfelde hij aan de hele onderneming. Zo onbezonnen was hij niet eerder geweest, zelfs niet toen hij illegaal vuurwerk naar de hoofdstad smokkelde. Goed, hij had gevangen gezeten, er waren schulden ontstaan, Fei Fei had zijn creditcard volledig leeggeplunderd en had hem ook stevig onder druk gezet met haar minnaar, maar hoe had hij het in zijn hoofd gehaald al zijn kaarten te zetten op dat spuuglelijke schilderij? Als het nou een fraaie pentekening was geweest, van een meisje bij een beek, een maan boven een rijstveld, een vogel in een wilg, een pandabeer in het bamboe! Maar dit was niet meer dan een tafelkleed waarbij zelfs de cultuurcommissie nog in slaap zouden zijn gevallen!
De angst greep hem naar de keel. Het was onbehaaglijk met dat schilderij op pad te gaan terwijl het hem volstrekt koud liet en voor hem niet te doorgronden viel waarom er mensen op de wereld schenen te zijn die er vele miljoenen voor over hadden. Misschien was het toch niet zoveel waard als hij dacht, of zou die professor Vrekvlek,Vlekvlek, Vlekvel, of hoe ze ook mocht heten, meteen ontdekken dat het niet door Mondriaan maar door zijn grootvader moest zijn geschilderd. Die man was een bohemien geweest, een wereldreiziger, hij had overal gewoond en alles gedaan wat Confucius verboden had, hij was ook nog eens een musicus geweest, een jazzmusicus, een artiest, en het liet zich heel wel indenken dat hij na zijn kennismaking met de Nederlandse schilder moet hebben gedacht, ‘als schilderen zo eenvoudig is, kan ik het thuis ook wel eens proberen, wie weet kan ik er nog een beetje mee bijverdienen,’ maar dat was toch meer zoals Chen zelf dacht, van zijn grootvader had hij nooit iets begrepen.
Ze stonden dicht opeen gepropt : de douaniers, Fei Fei en hij. Desondanks maakte de douaniers zich breed, hun benen uiteen, gretige uitdrukking, ze roken prooi. Fei Fei keek hem niet meer aan; dat er problemen waren met het inklaren, was voor haar eens te meer een bevestiging dat hij nergens voor deugde, ze ging van niets anders uit. Tegen het onderste bed stond de kist, op zijn kant, ze staarden ernaar alsof het om dat houten geval ging en niet om wat erin zat. Chen had overal spijkers in gejast; vertrouw maar eens op een sluiting als je leven ervan af hangt. ‘Breekbaar’ had hij er ook nog op gekalkt, in het Chinees. En, wel weer in het Engels: ‘Deze kant boven.’
Het duurde even voor kapitein Giorgos Papadiamantes terug was. De schroevendraaier en het breekijzer gaf hij met een knikje aan een van de douaniers, ze begrepen elkaar. Chen kreeg een dodelijke blik. Problemen op zijn schip, iets wat het daglicht niet kon verdragen, verborgen handeltjes - als hij er zelf geen profijt van trok, wist hij zich verraden.
De douanier begon al te wrikken. Toen de opening groot genoeg was, dreef hij het breekijzer er met geweld in. Het hout kraakte , spijkers glinsterden in de spleet als draden slijm in een mond. Chen kon het niet meer aanzien, hij schoot naar voren, maar de andere douanier greep hem zo hard bij de polsen dat ze begonnen te schrijnen, en stevig vastgeklemd zag hij hoe de deksel plank voor plank verwijderd werd en het schilderij, gehuld in een laken, bloot kwam te liggen. Meteen begon de douanier eraan te rukken, voor hem leek elke handeling op een worsteling uit te draaien, het duurde even voordat hij doorhad dat het met vliegertouw op zijn plek werd gehouden, en hij sneed het door en trok het er vervolgens met een groots gebaar af, alsof het om inhuldiging ging.
‘Kunst,’ mompelde de een in het Nederlands.
‘Van wie zei je ook al weer,?’ vroeg de ander, weer in het Engels.
Chen bewoog niet meer, hij leek verlamd, hij was ook nog vastgeklemd. ‘Monlian’ zei hij toen hij tot hem doordrong dat hij was aangesproken.
‘Monlian,’ herhaalde de douanier, en hij liet zijn wijsvinger over zijn smartphone hinkelen, keek naar het scherm, hield het voor Chen’s gezicht. ‘Er leeft een Monlian Lee in Manilla, en een Monlian Chen in Livingston, New Jersey, maar ik geloof niet dat zij de schilderkunst beoefenen.’
‘Als uw collega mij even wil loslaten,’ en hij wreef over zijn polsen, trok zijn portemonnee, zocht tussen de beduimelde renminbibiljetten en haalde een opgevouwen krantenartikel tevoorschijn, uit de Beijing Times.
Eerst las de ene douanier het, daarna gaf hij het, met opgetrokken wenkbrauwen, aan de ander. ‘Nooit van gehoord. Is dit hetzelfde schilderij? Van dezelfde schilder?’
Chen schudde zijn hoofd, ‘derde versie, ik heb een afspraak met die professor, professor Vekvel,’ en hij wees naar de foto.
‘Dat gaat me een beetje snel, lijkt me toch eerder een zaak voor justitie,’ zei de kleinste van de twee, en hij viste zijn smartphone al uit zijn broek.

Edzard

4 jaren, 5 maanden geleden