Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Bijdragen over De prijs van kunst

Een onderwerp voor spelers. Aantal bijdragen deze ronde: 0

 

Chen

2,4

Wong's woede

Fei Fei’s gezicht straalde toen hij over de loopplank rende. Het viel met geen mogelijkheid te begrijpen: hij zag dat ze daar stil en eenvoudig stond, ineens weer helemaal open voor hem, alsof ze van voren af aan konden beginnen, hij had door dat hij in de schoot geworpen kreeg wat hij zich ten diepste gewenst had, hij besefte dat ze hem alleen al met die blik van haar precies datgene gaf waarom hij die krankzinnige onderneming met de schilderijen was begonnen, hij wist dat hij niets meer nodig had, geen geld, geen andere mensen, geen kunst - en toch groette hij haar alleen maar met een knikje en rende langs haar heen.
Misschien zei ze nog iets, hij kon het niet goed horen, een volgend vliegtuig diende zich aan en uit de garage van Godfried kwam een hels knarsen, alsof daar de aarde openspleet en een monster baarde. Maar hij wilde haar ook niet horen: alles wat van haar kwam en hem tot zichzelf zou brengen, leek hem te ondermijnen. Hij moest rennen, en nog eens rennen, opgejaagd als Woyzeck, en in alle tumult die er rondom de Elefteria was ontstaan Wong ervan overtuigen dat hij geen spelletje met hem speelde maar geheel en al aan zijn kant stond, en dus voor het Rijk van het Midden koos.
Abrupt bleef hij staan, de zwarte auto stopte vlak voor hem, hij hoefde slechts zijn arm te strekken om het portier open te doen en Wong te laten uitstappen.
Gezichten lezen, tekens opvangen, gebaren duiden, als voor elke Chinees was het voor Chen een tweede natuur, en hij bleef dan ook onbewogen, met iets gebogen schouders en op de een of andere wijze ieler dan normaal naast de topman van Hutchison Whampoa lopen terwijl de vloer met hem werd aangeveegd. ‘Wat doen al die mensen daar? Moet de hele wereld er soms bij aanwezig zijn? Als je soms denkt dat je daarmee de prijs om kan drijven, dan vergis je je enorm. In stilte waren we allang tot een deal gekomen, eentje die veel beter voor jou zou zijn geweest. Maar nu zal ik je op de knieën dwingen. Ik zal je helemaal klein krijgen, er blijft niets van je over. Ben je net zo’n botterik als al die mensen hier geworden? Je hebt me in grote verlegenheid gebracht, Chen, ik weet niet of je daar ook achter zit maar er blijkt zelfs een nationale actie opgang gekomen om de Victory Boogie Woogie hier in Nederland te houden. Ik heb die eerste minister hier, die Lll..Rrrutte, moeten bellen om het voor mij op te lossen. Onze ambassadeur is er ook al achter de schermen mee bezig. Zonder ons kunnen ze hier niets meer, ze weten donders goed hoe afhankelijk ze van ons zijn geworden. Weet je, Chen, ik zeg het je maar even voor het geval je het nog niet door hebt, maar als je er niet voor zorgt dat ik hier vandaag met dat schilderij vandaan komt, zorg ik ervoor dat jij wegens landverraad en corruptie naar een heropvoedingskamp gestuurd wordt.’
Chen liet de woorden langs zich afglijden en knikte af en toe, hij wist dat zolang Wong de moeite nam tegen hem uit te varen, er nog niets verloren was. Gezagsverhoudingen waren gezagsverhoudingen, daar hoefde je verder niets achter te zoeken, en je al helemaal niet persoonlijk door gekwetst te voelen.
Bij de loopplank nam de chauffeur als in een dans de hand van zakenman en leidde hem tot op het schip. Roderick, Botering en Fei Fei stonden al op het dek, met de kist die nog niet zolang geleden onder het bed in zijn hut gelegen had; hij voelde een brok in zijn keel, alsof hij ineens aan vroeger herinnerd werd. Negeren, dacht Chen, de hele boel negeren en doorstoten naar de kapiteinshut, anders werk ik me nog verder in de nesten. Terwijl Wong maar bleef razen, ongegeneerd en met overgave, zijn stem hard en scherp als het langs elkaar schuren van platen metaal, liepen ze op Papadiamantes af, die zich met lodderige blik en de armen over elkaar voor de deur had geposteerd, vaag glimlachend.
Vlak voordat Chen naar binnen zou gaan, als laatste, alsof hij er al niet meer toe deed, werd hij aan zijn mouw getrokken.
Ook haar gezicht liet zich moeiteloos lezen. Tegelijk had hij haar nooit eerder zo gezien. Ze was woedend, voor het eerst sinds ze elkaar hadden leren kennen.
‘Zo dus niet,’ siste ze.

Edzard

5 jaren, 6 maanden geleden

 

Lianne Verstraaten

2,6

Mooie nagelriemen

'Hoi Hester! Lianne Verstraaten, we hebben elkaar al eens ontmoet bij een borrel op de Zuid-as. Die kunstmanifestatie.’
Hester kijkt alsof ze vis ruikt.
‘Ik ben de assistente van Carla Claetering.’
‘Ooo! De assistente! Aangenaam.’
‘Ik wil het even met u hebben over de Victory Boogie Woogies.’
‘Ja, in Den Haag is het een heksenketel, hoorde ik al. En hier, in Amsterdam, nog twee of drie, of hoeveel waren het er? Wat een gedoe, zeg.'
Ze pakt haar lederen tas erbij, haalt haar telefoon eruit. Een smartphone, in een hoesje van hetzelfde leer als de tas: de nageboorte van het gedrocht om haar schouder.
'Nou, zo'n gedoe is het niet, hoor. Zullen we even gaan zitten?'
Lianne wil naar de tafel lopen, maar schrikt af van het blok graniet waarin Hester is veranderd.
'Weet je, eh-'
'Lianne'
'Lianne, ja. Lianne, ik heb eigenlijk nu een afspraak.'
'Ehm, ik ben uw afspraak. Uw secretaresse heeft me net binnengelaten.'
'Aha! Oke. Die mondriaantjes dus? En… wat wilde je me daar precies over vertellen?'
'Het is meer een vraag. Ik weet dat u kunst voor een breed publiek toegankelijk wilt maken.'
'Klopt! Ik vind dat ieder mens recht heeft-'
'Daarom wilde ik u vragen, namens mevrouw Claetering, of Akzo Nobel Art Foundation misschien geïnteresseerd is in het behouden van Hollands glorie, namelijk die, eh, mondriaantjes die nu circuleren?'
Hester neemt haar leesbril af, laat hem bungelen terwijl ze Lianne meewarig aankijkt.
'Mondriaan? In ons fonds?! Maar kindje, je weet toch wel hoe duur die werken zijn? Die werken zijn miljoe- nee, miljárden waard! '
De bungelende bril verdwijnt in de tas.
'De gemeente wil dolgraag dit kostbare erfgoed behouden, alleen heeft niet de middelen. Daarom kwamen we bij u uit,’ zegt Lianne, terwijl Hester haar nagelriemen bijwerkt. ‘We gaan dolgraag met u de samenwerking aan om deze kans met beide handen aan te grijpen! Gemeente Amsterdam zal u helpen waar ie maar kan. U weet hoe goed de connecties van mevrouw Claetering zijn met de milieudienst, niet waar?’
‘Lianne, ik weet niet waar je op doelt. Ik weet alleen dat wij van Akzo Nobel het erg goed zelf kunnen. De gemeente Amsterdam moet blij zijn dat we niet al naar Den Haag zijn vertrokken!’
Ze snuift. Haar lok waait heel even omhoog.
‘Mevrouw, begrijpt u: dit is dè kans om het Nederlandse volk te tonen waar u voor staat. En we hopen natuurlijk dat door deze aankoop mensen weer naar het museum worden getrokken en worden geïnspireerd door kunst, ópen gaan staan voor kunst, want dat is toch wat u wilt?’
‘Lianne, toch. Natuurlijk wil ik dat, maar we moeten wel reëel blijven.’
‘U zegt zelf op uw site, dat iedereen voor kunst vatbaar is, dat het geen kwestie van veel of weinig kennis is, maar van openstaan. En als er iets is wat mensen laat openstaan, is het de VBW! Dat is wel te merken aan alle mediaheisa rondom de werken. Het zou toch mooi zijn als dit virus zich verspreid onder de mensen en musea hip worden! Het zou zonde zijn om deze bevlieging van het volk niet te gebruiken om men weer in de ban te laten komen van kunst! Kunst! Kunst voor iedereen!'
Waar kwam dit opeens vandaan? Zat er nog XTC van afgelopen weekend in haar bloed of zo?! Misschien iets rustiger aan doen. Hester is natuurlijk wel een vrouw met macht. Vrouwen met macht, dat wist ze inmiddels al, moet je benaderen als een man met macht: van achteren.
'Lianne, kindje. Ik vind het een erg mooi idee, ik snap dat je het al helemaal voor je ziet, maar we moeten ook denken aan ons budget. We zijn er vooral om jonge kunstenaars te begeleiden. Onze begroting is niet gebouwd op dit soort uitgaven. Misschien kan je er beter nog even met Carla over hebben, voordat je weer een afspraak maakt met iemand uit het veld.'
'Maar als jonge kunstenaars zich in een fonds bevinden waar ook de VBW’s toe behoren, dan is dat werk toch een goed smeermiddel om publiek te lok- eh, aan te raken?'
Hester kijkt op haar horloge.
'Maar als u het niet ziet zitten,’ Lianne knoopt haar jas dicht, ‘dan gaat het over.’
‘Sorry, liefje. Doe Carla de groeten van me. En de mensen van de milieudienst.’
‘Dat zal ik morgen doen. Ik moet nu eerst naar het bestuur van de Caldic Collectie. Ze denken erover een dependance in Amsterdam te starten.’
Ik draai me half om. ‘Tot ziens!’, loop in de richting van de automatische deur.
‘Lianne? Lianne! Wat dom van me! Ben ik helemaal vergeten je rond te leiden door onze collectie! Die vind je vast interessant, nu je toch zo met kunst bezig bent.’
Hebbes.
‘Of moet je echt nú weg?’
Lianne draait zich om, haar gezicht in de plooi.
‘Nee, ik heb nog wel een kwartiertje.’

Fleur van G...

5 jaren, 6 maanden geleden

 

Chen

2,1

Terug naar waar het allemaal begon: op de Elefteria

Voorop liep Li, dat wil zeggen, achterwaarts en angstvallig omlaag kijken, naar het donkere water. Dan volgde de kist met de Victory Boogie Woogie, een halve meter zwevend boven de loopplank. Tot slot kwam Chen, enigszins gebukt, zijn gezicht vertrokken en zijn handen om de onderkant van de kist geklemd. Na een knikje van Chen zakten hij en Li door hun knieën en zetten ze het schilderij op het dek. Beiden strekten en bogen hun vingers, veegden ook het zweet van hun voorhoofd. Ze leken elkaar na te bootsen, de een het origineel van de ander, en dus beide niet alleen echt en authentiek, maar ook een geraffineerde kopie, zoals tweelingen.
Glimlachend keek kapitein Papadiamantes toe, ‘alles stroomt, alles keert weer tot zijn oorsprong terug. Als dat schilderij ergens thuishoort, is het wel op dit schip. Zal ik de trossen alvast losgooien, dan gaan we een eindje varen. Zijn we van het hele gezeik af. Ik word nog steeds ondervraagd, door de douane, door de politie, door de pers, malákes. Ze laten me nog geen seconde met rust.’
‘Nog even blijven liggen, we zijn hier nog niet klaar, we verwachten bezoek,’ zei Chen, en aan zijn stralende gezicht was te zien dat hij Wong hoger aansloeg dan alle mensen die hij vanwege de schilderijen in Nederland had ontmoet, alsof hij met de komst van de hooggeplaatste Chinees weer werd opgenomen in gezagsverhoudingen waarmee hij van kindsbeen vertrouwd was. Het had ook met geen mogelijkheid kunnen slagen: zaken doen in een land dat hij niet kende en waarin hij zijn plek niet had. Alle gevoel voor verhoudingen was hij kwijtgeraakt, zelfs was hij als een slaapwandelaar achter die maffe kunstenaar aangelopen, het had hem niets dan gedoe opgeleverd. Wat hem betreft was met Wong de orde weer hersteld; alles moest nu wel goed komen.
Van Papadiamantes kregen ze toestemming de kist in de kapiteinshut neer te zetten. Dat was een gepastere omgeving om de Victory Boogiewoogie aan Wong te presenteren, dan Chen’s hut. Er hing een gewijde sfeer. Behalve met foto’s van vrouwen (het viel niet uit te maken wie zijn vrouw was, wie zijn dochters en minnaressen, wie zijn moeder) was de ruimte behangen met wandkleden en iconen. Het ontbrak er nog maar aan dat er ook wierook werd gebrand. Achteloos pakte Chen een boek van tafel; ‘door mijn grootvader geschreven, Alexandros Papadiamantes, een schrijver die zijn hele leven arm is gebleven maar wiens boeken meer waard zijn dan al die dure schilderijen van jullie bij elkaar. Beter nog dan Tsjechov, heren, maar wie kent hem nog?’ zei de Griekse kapitein met een zucht.
Hij wees naar een grote doos, ‘pas bezorgd, bestelling van je vrouw. In je hut staan nog meer dozen. Het was hier de afgelopen dagen een komen en gaan van bestelbusjes. Alsof ik dat erbij kon hebben.’
Met een mesje sneed Chen de tape door, laarzen met pantermotief, zo lang dat ze bij haar tot haar liezen moesten komen.
‘Het is zo genoeg geweest, die gaan dus niet mee. Als je me aan een telefoonnummer kan helpen, laat ik een koerier komen,’ en hij sloot de doos met een klap.

Voor het eerst in die weken begon de zon te schijnen, geheel onverwacht, want de hemel leek nog altijd potdicht te zitten. Een verticale lichtbaan kwam er dwars doorheen en liet de roestige staalplaten van de Elefteria opvlammen. Met Papadiamantes wachtten Chen en Li op het dek. In de verte zagen ze de fietshandelaar de ene na de andere fiets naar de garage van Godfried de Ridder rijden. Telkens maakte hij de meest wilde bochten, het zag er frivool uit, het leek of hij er een spelletje van maakte, maar misschien probeerde hij alleen maar plassen en kuilen te ontwijken. Uiteindelijk reed hij elke fiets de donkere muil van Godfrieds garage in, de kunstenaar zelf kregen ze niet te zien.
‘Gaat dit nog lang duren?’ vroeg Papadiamantes met een geeuw.
Chen keek op zijn gsm. ‘Ze hadden er al moeten zijn.’
‘Ik heb nog een fles raki staan…’
‘Dacht dat we alles al opgemaakt hadden…’
‘Er is altijd nog één fles meer, maar dit feest moet niet te lang gaan duren.’
Nogmaals tuurde Chen tussen de loodsen door, gebarsten beton, modder, plassen. Toen toch een geronk, een auto bonkte door de kuilen, het bordeauxrood van een oude Peugeot, zo leek het, hoe dan ook niet het glanzende zwart waar ze naar uitkeken, en hij draaide zich naar de kapitein, die met een fles zonder etiket in zijn ene, en drie glaasjes in zijn andere hand uit de stuurhut opdook.
Chen en Li hielden hun glaasje bij, Papadiamantes schonk in. Een vliegtuig vloog laag over; even leek alles gevangen in een alomvattend razen.
‘Chen! Chen!’ klonk een schelle, hoge vrouwenstem toen de wereld weer open lag.
Hij draaide zich naar de wal - Fei Fei.
Ze zat nog in de auto, alsof ze bang was uit te stappen. Hij zag dat ze niet alleen was.

Edzard

5 jaren, 6 maanden geleden

1,5

Belangen

'Als je er goed naar kijkt, zie je dat al die kleurige blokjes in het gareel worden gehouden door de strategische verdeling van het blauw over het veld. Precies zoals in de werkelijkheid. Een paar grote politiebureaus die de boel overzien, een paar kleinere politieposten in de wijken, en tenslotte hier en daar wat stille speurders tussen de meerkleurige bevolking. Alleen op deze manier wordt het rode, het gele en het zwarte gevaar een halt toegeroepen, namelijk door er genoeg blauw tussenin te zetten,' zei mevrouw Claetering ferm, terwijl ze probeerde de dop van een thermoskan los te schroeven. 'Je moet alleen op die oranje stip drukken, hij hoeft er niet af' zei Lianne, terwijl ze haar dossiermap op een van de tafels legde en haar handen uitstrekte om de koffiekan over te pakken. Mevrouw Claetering keek gekweld, verbeten en tenslotte hulpeloos naar haar assistente en gaf de kan over. 'Dat geel is te licht voor de NS, toch?' Ook Lianne kreeg de koffiekan niet open en begon ongeduldig te worden van het gehannes, maar ook vanwege de algehele hysterie die aan de oppervlakte was gekomen sinds het schilderij in Amsterdam was gearriveerd. 'Wat zeg je nou?' zei ze geïrriteerd. 'Ik zoek naar connecties. We hebben straks wéér honderd miljoen nodig, als we dat ding hier willen hebben en houden, dus me dunkt dat we als een haas een paar grote clubs moeten gaan zoeken die dat kunnen en willen dragen. Of die dat ding kunnen commercialiseren, toegankelijk maken voor het grote publiek. Draagvlak, snap je? Museumbezoek inclusief treinkaartje, dat soort dingen. Dat rood heeft wel iets van het rood van Vodafone, toch? Kijk nou verdorie eens goed naar dat schilderij!' 'Waarom gaat altijd alles alleen maar over geld tegenwoordig,' zuchtte Lianne en ze zette de koffiekan ongeopend terug op tafel. 'Omdat we ook niet weten of we die twintig miljard euro die we laatst aan die kapseizende landen hebben gedoneerd ooit nog terug zullen zien. Omdat China bezig is Afrika een infrastructuur te geven in ruil voor haar natuurlijke hulpbronnen. Omdat de zonen van het Hemelse Rijk ons met hun lage lonen momenteel schaterlachend beconcurreren,' zei Claetering bits, 'dus ga eens aan de gang, meid, te beginnen met het nabellen van die bankdirecteur en die mediamagnaat die hier vanmorgen waren.' 'Thee dan maar?,' zei Lianne, en haar stem klonk brozer dan ze wilde. 'Laat maar zitten, ik kom te laat voor de volgende vergadering.' Nurks herschikte ze de rechter schoudervulling van haar koningsblauwe blazer, keek links en rechts om zich heen alsof ze haar troepen verzamelde en stak haar kin naar voren. 'Aan de slag, ik reken op je.' 'Ik begin wel met het bellen van die Omar,' zie Lianne zo terloops als ze kon.

Mitch

5 jaren, 6 maanden geleden

 

Joy Puik

2,3

Entertainmentwaarde

Joy Puik
to: Samantha Borger
date: 13 mei 2013 17.33
subject: Lianne Verstraaten

Altaar van mijn zoekgeraakt zieltje!
Je zult even moeten wennen aan de huiskamer, want er zijn twee toevoegingen: in de zithoek hangt het schilderij van Ben Dickinson dat ik gekocht heb. Nomdevlektyfus, het is een behoorlijk dominant werkje. Het is elke keer slikken als je binnenkomt. Ik ga me van alles afvragen. Wat zegt het over mij dat ik dit schilderij in de kamer heb hangen? Past de rest van de kamer er wel bij? Moet ik mijn leven aanpassen nu ik dit schilderij bezit? En natuurlijk: wat vindt mijn vrouw ervan dat ik hier 800 dollar aan heb uitgegeven, in een opwelling van uitgelatenheid en overmoed? Interessante vragen allemaal. Dat gebeurt er dus als je kunst in je leven laat. Dat laatste is nog wel het interessantst. Mingus vindt het een ‘cool’ schilderij, zegt hij, en dan gaat hij er voor zitten nadenken. Hij heeft ook al diverse pogingen gedaan het te vervalsen. Ik had al bijna Roderik van Zwaaij gebeld.
En boven mijn bureau hangt voorlopig die voorpagina van het Parool: de foto van Mondriaan, opa Chen en het schilderij, zestig jaar geleden, en daarnaast, Fei Fei met hetzelfde schilderij, nu. Ik had haar graag geïnterviewd voor de gelegenheid, maar ik mocht absoluut niet bij de fotosessie aanwezig zijn. Van Zwaaij, lijkt mij zo.
Gisteren werd ik opgebeld door een ambtenaar bij cultuur. Of ik eens langs wilde komen, in verband met de Victory Boogie Woogie. Dus ik vanochtend naar het gemeentehuis.
De ambtenaar heet Lianne Verstraaten. Jonge meid, van het type spontaan en weet van aanpakken, maar haar reet heeft meer verstand van kunst dan haar kop. (Moet je mij horen!)
Ze is bezig met de aankoop van de Boogie Woogies. Een soort twee-voor-de-prijs-van-één-deal, geloof ik. Ik dacht dat ze meer wilde weten van wat ik in New York had ontdekt, maar dat boeide haar niet. Of ik in mijn berichtgeving een beetje rekening kon houden met de belangen van Amsterdam in deze zaak, vroeg ze. Ze begreep best dat het journalistiek interessant was om te gaan vissen naar wie precies welk kwastje op welk schilderij had gezet. Maar uiteindelijk was het toch het belangrijkste dat de schilderijen in Amsterdam kwamen te hangen, dat was ik toch met haar eens?
Nou, zei ik, is het niet handig te weten of de schilderijen echt zijn, voordat je er een paar miljoen tegenaan smijt?
O, zei ze lachend, daar hoefde ik me helemaal geen zorgen over te maken. Daar was geen belastinggeld mee gemoeid. Het geld moest allemaal van het bedrijfsleven komen, dus dat gaf niets. En wat maakte het nou uit, of Mondriaan of Li het schilderij had gemaakt? Voor de prijs misschien, daar had ik gelijk in, maar uiteindelijk ging het toch om de entertainmentwaarde. En met die entertainmentwaarde zat het voorlopig wel snor. Iedereen had het erover, dus iedereen zou de schilderijen ook wel willen zien. Het zou de sponsors meer dan genoeg naamsbekendheid opleveren, de wethouder zou een pluim krijgen voor daadkrachtig optreden, en voor het toerisme in
Amsterdam kon het ook alleen maar goed zijn.
Mijn vader denkt daar overigens heel anders over. Toen ik Mingus kwam ophalen vertelde hij dat er bij de douane nu minstens twee Boogie Woogies per dag worden aangegeven. We sturen ze allemaal direct terug, zei hij, ongezien. Zodra ze over de Boogie Woogie beginnen, zetten we ze op het vliegtuig. Hij klaagde steen en been, het was natuurlijk allemaal mijn schuld, ik bezorgde hem alleen maar extra werk.
Ik mis je. Ik mis je alsof er een rat in mijn buikholte rond knaagt. Hij houdt vooral huis achter mijn schaambeen, als je het weten wilt.

Han van der...

5 jaren, 6 maanden geleden

1,7

Wij zijn het werk

De spijker waaraan het schilderij Victory Boogie Woogie in het Haagse Gemeentemuseum hing was bij wijze van spreken nog amper in de muur geslagen toen ik het doek voor de eerste keer zag. Het was ook meteen de eerste keer dat ik het door Berlage ontworpen museum zelf mocht ervaren, daartoe aangezet door het televisierumoer over de miljoenen die waren gespendeerd aan wat toenmalig Staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg 'De Nachtwacht van de twintigste eeuw' had genoemd. Ik weet nog dat ik die dag, dat was in de tijd dat je in de kantine nog met guldens voor een kop automatenkoffie betaalde, een slaaptekort had, waarschijnlijk zelfs een lichte kater, en daardoor in het soort verruimde, want half verdoofde bewustzijn verkeerde waarin museabezoek het meest opwindend is, vooral het bezoek aan musea waar, in strakke lijsten ingekaderd, de kunst van de laatste eeuw wordt getoond. De schoonheid al die werken komt op de een of andere manier direct binnen, alsof je je op die katerige ochtenden kunt reduceren tot één groot oog.

Ik herinner me een rechthoekige zaal met louter witte wanden en een karaktervolle oude houten vloer, met rondom louter Mondriaans, zodat je in een enkele blik een overzicht kreeg over de ontwikkeling die de schilder in de loop van zijn leven had doorgemaakt, en ik weet vooral nog dat ik niet alleen onder de indruk was van zoveel rijkdom (die kleuren!) aan de wand, maar ook een haast pathetisch soort dankbaarheid voelde dat ik daar op deze doordeweekse ochtend getuige van mocht zijn. Het woord hier is 'geprivilegieerd': voor de duur van mijn zaalbezoek kon ik wat hier hing gewoon mijn bezit noemen, want dat is ook wat schoonheid doet: niet zozeer dat je wilt hebben wat je ziet, nee, het is sterker; even ontstaat de indruk dat je daadwerkelijk bezit wat je ziet.

Eerlijk gezegd weet ik niet wat ik precies 'vond' van het iconische schilderij zelf - ik heb er geen precieze herinnering aan, en kan me ook geen specifiek eerste oordeel ('wow!' of '82 miljoen!?') voor de geest halen. Wat ik me echter nog wel herinner, dat waren de bezoekers die juist op dat moment in de zaal bivakkeerden. Een groep Scandinavische scholieren die zich had genesteld te midden van de Mondriaans, jongens en meisjes die in hun spijkerbroeken en t-shirts op de houten vloer zaten te luisteren naar hun docent die een betoog hield over de kunstenaar en diens werk. Ik kon niet verstaan wat de leraar zei, maar alleen al de manier waarop hij sprak, rustig en in tastende zinnen, en dus niet op de snelle, ingestudeerde manier waarop sommige museumgidsen hun groepen door de zalen jagen omdat ze bijvoorbeeld per se binnen het uur in steenkolen-Duits door de Gouden Eeuw moeten gaan.

De man sprak met liefde, zou je kunnen zeggen, hij verwoordde zijn voorliefde voor het werk, waardoor hij het op een bepaalde manier ook leek te kunnen bevragen terwijl hij uitleg gaf, alsof hij eerder openlijk essayeerde dan een voorbereid betoog afstak. Ook opvallend was de manier waarop de leerlingen op zijn woorden reageerden: ze luisterden, stelden vragen en gaven zelfs aanvullingen of commentaar, zonder dat de leraar daarvoor iemand de beurt moest geven, en zonder dat er eerst vingers de lucht in gingen. Dit was duidelijk geen les kunstgeschiedenis, maar een gesprek over een onderwerp dat hen allemaal aanging.

Het punt van deze herinnering, als er al een punt is, bestaat er niet in dat er diezelfde dag ook een groep Nederlandse scholieren in het museum rondliep dan wel - hing, een groep die nog geen fractie van de aandacht of overgave te speuren gaf die de Scandinavische groep toonde. Niet iedereen heeft het geluk de ideale docent te treffen of de ideale school - zulke docenten en scholen zijn er heus ook nog in Nederland, toch? Het gaat erom dat wat die Scandinavische groep of gemeenschap deed bijzonder was: ze nam verantwoordelijkheid voor het kunstwerk, zo niet voor het complete oeuvre van Piet Mondriaan, om een vervolg te geven aan dat wat een esthetische ervaring heet, door Nabokov eens als de 'gezegende huivering' omschreven. Of, om het in de woorden van de klassieke esthetica te zeggen: ze probeerden een niet-objectiveerbare subjectieve ervaring in begrijpelijke, te bediscussiëren woorden uit te spreken. Ik weet niet of dat nu een verwezenlijking, een erfenis, of een gift van de Verlichting is, maar het is in ieder geval een traditie of kennisveld waarvoor een grote persoonlijke inzet of betrokkenheid vereist is. Kunst wordt alleen dan kunst als, om op Jeroen Mettes te variëren, iemand durft te zeggen: dít is kunst. En dat vervolgens ook verdedigen wil en kan.

Want het werk, dat zijn wij. Ook in zogenaamde crisistijd.

Daniel Rovers

5 jaren, 7 maanden geleden