Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Bijdragen over Naamsverandering

Een onderwerp voor spelers. Aantal bijdragen deze ronde: 0

 

Chen

5,9

De nieuwe orde komt uit China

Ineengedoken zat Chen op zijn stoel en staarde verslagen naar de Victory Boogie Woogie. Het koste hem moeite zijn blik te focussen, de vakjes dansten voor zijn ogen, hij knipperde met zijn ogen, schudde even met zijn hoofd, hij was bang dat hij flauw zou vallen, klemde zich al vast aan de zitting. Dat de vele scheuren en barsten zich met het vlakjespatroon mengden en zich geen enkele rekenschap gaven van Mondriaan’s esthetiek, maakte het beeld alleen maar onrustiger.
Waarschijnlijk was het schilderij mooier zo, getuigend van het leven, dat zich niet in die vakjes laat dwingen, niet in een verhaal met een strak plot, in niets, behalve in wat evenzeer onderhevig was aan woekering, ja, die gedachte kon nog in hem opkomen maar erin geloven of er vrolijk van worden lukte hem niet meer. Hij had gefaald, dit ding kon hij met geen mogelijkheid meer kwijt aan Wong, hij durfde de topman van Hutchison Whampoa zelfs niet meer onder ogen te komen en had Li gestuurd om het slechte nieuws over te brengen, en, zo nam hij aan, diens getier te incasseren. Het was niet alleen dat hij deze Victory Boogie Woogie niet meer kon verkopen, hij dreigde ook de grip te verliezen op het eveneens door Wong begeerde schilderij van zijn grootvader. Ja, het was nog van hem, maar dat scheen betwist te worden en zou misschien niet meer lang duren; van Rong Rong, die Chinese massagedame waarmee Joy Puik was komen aanzetten, had hij begrepen dat het onderwerp was geworden van een nationaal publiek spektakel, de eerste minister scheen zich ermee te bemoeien, erfgenamen van Mondriaan, een televisiester en wat zij ‘politieke partijen’ noemde. Geen idee wat dat waren, ‘politieke partijen’, voor hem bestond er maar één partij, de communistische, en als hij Wong tevreden had kunnen stellen, had hij misschien ooit nog kans gemaakt te mogen toetreden, zodat het met zijn carrière, en dus ook met zijn huwelijk, uiteindelijk toch nog goed zou komen. Dat hij de Partij nu wel op zijn buik kon schrijven, was zonneklaar. Beter kon hij zijn paspoort weggooien en stateloos door het leven gaan, van alles en iedereen verlost.
Het moet gezegd: tussen de wandkleden en iconen in de hut van Papadiamantes misstond het schilderij niet. Het sloeg er een brug tussen; het kleurgebruik correspondeerde met dat van de iconen, de patronen met die van de kleden. Maar Papadiamantes was de enige die het opmerkte, misschien moest dat schilderij daar maar blijven staan, naast Fanourious, het heilige jongetje dat licht schijnt voor zij die iets kwijt zijn geraakt, dacht hij, en nipte van zijn rakí.
Soms wierp Chen een vluchtige blik opzij, naar Fei Fei. Ze had nog niets gezegd, ze had daar alleen maar gezeten, met stijve rug en haar armen over elkaar, hij was bang dat ze elk moment kon ontploffen. Eén keer eerder had hij dat meegemaakt, in Beijing, toen hij gearresteerd werd vanwege zijn betrokkenheid bij het aanvoeren van illegaal vuurwerk voor het nieuwe hoofdkantoor van de staatstelevisie, een soort uit zijn voegen hangende Victory Boowie Woogie, ontworpen door die andere Nederlander, Koolhaas; de bouwers hadden de triomf ervan luister bij willen zetten maar het nog onvoltooide gebouw was in lichtelaaie gevlogen. Dat dat gebouw was afgefikt, had Fei Fei niets kunnen schelen, wel dat zijn zoveelste poging geld te verdienen, op een mislukking was uitgedraaid. ‘En nu laat je me ook nog stikken! Je laat me aan mijn lot over! Kijk nou eens naar jezelf, ik ben je kwijt, voor twee jaren! Wat heb ik aan jou! Elke vent is beter dan jij, Chen! En dat zal je weten ook!’, had ze geschreeuwd terwijl hij door de agenten werd afgevoerd. Eigenlijk was die hele onderneming met dat schilderij een poging geweest het weer goed te maken met haar, maar daar was dus niets van terecht gekomen. Als hij haar zo zag zitten, tot haar tengere lichaam veroordeeld als tot de nauwe cel, ging hij door de grond van schaamte; dat ze dan met een smeltende blik terugkeek, alsof hij een kind was dat haar met zijn kattenkwaad vertederde, was al helemaal dodelijk.

Ook Godfried zweeg, zo intens staarde hij naar het kapotte schilderij dat het leek of hij het tot leven wilde wekken. Hij was en bleef een magiër, een sjamaan, hij appelleerde aan iets universeels, dwars door de culturen heen; Chen’s ontzag voor hem was niet geweken en hij voelde zich ook tegenover hem door de mand vallen als voor het oog van god; ach, was hij maar in zijn geboortedorp gebleven en nooit naar de stad gegaan, daar was alleen maar ellende van gekomen.
‘Ja,’ zei Godfried, eerst nog zacht, ‘ja, ja’, daarna steeds luider, tot hij een langgerekt ‘JAAA!’ brulde. ‘Dit is beter dan ik ooit heb durven dromen! Chen, je weet niet hoe dankbaar ik je ben. Jij hebt mij losgeschud.’
Hij sloeg op zijn dijen, klapte zowat voorover van enthousiasme, omhelsde Chen, keerde zich weer naar het schilderij en keek er ineens weer roerloos en gebiologeerd naar, bewoog traag als een leguaan zijn hoofd heen en weer, en sprak, alsof hij het over een ander had: ‘Ja, Godfried kan hier wel wat mee, Godfried gaat zijn levenswerk voltooien en zal uit de as herrijzen!’
Chen kreeg niet de kans te vragen welk plan er in die archaïsche kop van hem was geboren. Li kwam de hut binnen, aangeslagen leek hij niet, integendeel, zijn gezicht was glad van blijdschap.
‘We zijn eruit,’ en zijn blik schoot van Chen naar Fei Fei en weer terug, en hij begon nog uitgelatener te stralen. ‘het komt allemaal goed, kinderen, maar eerst een glaasje rakí.’
Hij sloeg hij de sterke drank in één teug naar binnen en hield zijn glaasje meteen weer bij. Wong was aanvankelijk woedend geweest, vertelde hij vervolgens. Zeker, hij had getierd en gedreigd, maar hij draaide bij nadat Li uitvoerig met hem over kunst had gesproken, dat had Wong nooit eerder gedaan, geen tijd voor gehad, Hutchison Whampoa leiden was geen sinecure. Li had hem voorgehouden dat het vreemd was om als Chinees van een trots rijk zich andermaal te vernederen en Westerse waarden over te nemen en nog te blijven geloven in het aura van het echte originele kunstwerk. Zelfs in het Westen waren er al genoeg die die mythe omver hadden gekegeld, toch kon het er zich niet van losschudden, de kwestie echt of onecht bleef de gemoederen verhitten en bepaalde nog altijd de waarde van een schilderij, en niet alleen dat, er was zelfs een hysterie omheen ontstaan die zijn weerga niet kende en prijzen tot astronomische hoogten opdreef.
‘Dus zei ik tegen hem: waarom niet een museum met kopieën van topstukken? Die zijn veel beter dan het origineel. Elke keer dat je zo’n schilderij doet, wint-ie aan kracht en zuiverheid. Zie het maar als een soort mantra dat je opzegt: hoe vaker je die vlakjes schildert, hoe minder ze er toe doen en hoe dieper je tot de essentie doordringt. Als Mondriaan iets later geboren was, was hij een Chinees geweest die kopieën schilderde. Toen ik klaar was, zei hij: en, wat is je voorstel? Ik zei: ik schilder beide versies na, ik kan ze vandaag al klaar hebben, en als u wilt, schilder ik ook nog de Victory Boogie Woogie die ze hier al hebben, dan heeft u ze alledrie. Ik zag dat hij met zijn mondhoek trok en wist dat hij zou instemmen. Ik bood nog aan het in China te doen, maar hij wilde dat de kopieën zo nauwkeurig mogelijk waren, dus rechtstreeks overgeschilderd van de originelen. Hij wilde dat het ze geloof ik ook inwrijven, dat ze eindelijk eens door zouden krijgen dat wij nu de orde uitmaken. Ik ben meteen langs de winkel gegaan en heb alles besteld, verf, tape, doeken, latjes, de hele mikmak; ze kunnen het elk moment langsbrengen.’

Edzard

5 jaren, 6 maanden geleden