Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Bijdragen over Kunstenaarschap

Een onderwerp voor spelers. Aantal bijdragen deze ronde: 0

3,9

For Instance He Didn't Like Trees

When he came to our house - we had only this one armchair
where he would sit comfortably - he would have his back
turned to the trees because you could see a garden through
our front windows. We could see the trees.
So he would turn his back. They bothered him a lot.

Virginie Pevzner* in een gesprek over Piet Mondriaan

Naar aanleiding van het plezier dat men kan hebben
in het werk van Piet Mondriaan of Mondrian
zoals hij zelf liever heette in Parijs en New York
waar ik moeite mee heb alsof hij dichterbij mij staat
wanneer hij Nederlands klinkt en waarom
zou ik dat willen wanneer men de vraag zou stellen
of hij humor had zag ik een meubelstuk wringen.

De eerste keer dat ik Mondriaan zag stond hij stokstijf
in zijn atelier de ellenboog een scherpe hoek in de zij.
De zijden van een ruitenschilderij sterk en waarachtig
evenwijdig met zijn onder- en bovenarm.
Ik hoopte dat deze houding een grap was opdat ik anders
naar zijn werk en hem zou kunnen kijken.

Ik had Martinus Nijhoff** nee ik had zijn Netty***
nee ik had haar Marlow**** nodig die Netty nodig had
die Martinus op haar beurt nodig had om Mondriaan
opnieuw te kunnen zien en misschien wel voor het eerst.

De vrouwen die met Mondriaan dansten
of het probeerden omdat hij het zo graag deed
zeiden dat ze liever met een ander dansten.
Zijn heupen beschreven hoeken en haken
lijnen en hortten en kraakten

en zijn liefde voor de improviserende Josephine (zie afbeelding 3)
zijn liefde voor muziek en het idee van een nieuwe
schoonheid een nieuwe tijd bewegen zich soepel
terwijl de schilder zijn penselen evenwijdig
aan de wanden schikt en welk verdriet
aan zijn volharding ten grondslag ligt
vermeldt de geschiedenis niet.

Het atelier sluit zich als een van zijn schilderijen
op in een compositie van regels en lijnen
waaraan een enkele plastic bloem feminien
in het Frans in een vaas en een onwaarschijnlijk
golvend eenpersoonsbed ontsnapt.

*
Virginie Pevzner, vriendin van Piet Mondriaan.
Bron: Im Atelier von Mondrian, een film van François Lévy-Kuentz.

**
'Er valt een man langs het raam naar beneden’ zei de dichter Martinus Nijhoff nogal droogjes op een avond rond 1934 in een Chinees restaurant in Utrecht tegen zijn tafelgenoten. Naar verluidt had de Chinese kok plotseling de Chinese kelner uit het keukenraam boven het eetzaaltje gegooid en zo vermoord.'
Bron: Oud Utrecht, nr. 82 (augustus 2009), pp. 88–94.

***
In 1929 ging Netty, echtgenote van Martinus Nijhoff, naar Parijs, samen met haar zoontje. Daar maakte ze kennis met de Engelse beeldend kunstenares Marlow Moss, die haar geliefde zou worden. Het rustige leven inspireerde haar tot schrijven, wat in 1930 resulteerde in de publicatie van twee hoofdstukken van Twee meisjes en ik in De Gids.
Bron: Wikipedia

****
Marjorie Jewel “Marlow” Moss (1889 – 1958), also known as Marlow Moss, was a biological realist, a recluse, a persona non grata, a phenomenon, an Amazon. She was a British, lesbian, Constructivist artist. She was also a woman, a Modernist, and a Neo Plasticist, a disciple of Piet Mondrian, and a student of Léger. She was a painter and a sculptor. She was a drag-king. She was a contemporary of Georges Vantongerloo, Jean Gorin, and Max Bill. Added to the list of adjectives could also be ‘middle class’, or even ‘upper-middle-class’, and Jewish, but then again she was also an atheist and an existentialist. Moss disrupts and subverts the narratives that could include her. This resistance to categorisation is a large factor in Moss’s obscurity; she is omitted from the histories, because she does not fit in. To date she is most consistently approached in reference to Mondrian, a context that casts her in the role of follower, or worse: imitator, a role that’s far beneath her.


Bron: informatie bij tentoonstelling van Sarah Crowner, Kunstverein Amsterdam, waar tot 22 juni 2013 een schilderij van Marlow Moss hangt, een werk dat de originaliteit van Mondriaan ter discussie stelt.
Sinds ik dit schilderij van Moss zag, kijk ik anders naar de doeken van Mondriaan. Ze zijn niet langer alleen maar van een betweter, maar mogelijk ook van iemand die anderen van invloed kon laten zijn op zijn werk. Iemand die zich openstelde. Zich wel eens liet verrassen. Mogelijk zelfs humor had. De strepen zijn er minder rechtlijnig van geworden. Ze zoeken een nieuwe richting.

Maria Barnas

4 jaren, 1 maand geleden

 

Bert van Petten

3,1

Dutch Soul

Bert mocht Godfried wel, van een afstand, het was een moeilijke kerel. Soms dronken ze wat en dan voelde hij zelfs een vage verbondenheid. Godfried was iemand die die net als hij, het plezier in het leven niet al te veel wilde laten verpesten door burgerlijke minimumeisen en zorgen. Het hoorde er wel bij dat je vervolgens niet zeurde over de onzekerheid en rommeligheid van je leven en je de vooroordelen die mensen (bv over kunst) hadden (de positieve èn de negatieve) niet aantrok. Daar was Godfried erg goed in. Op het lompe af.

De laatste maanden was Godfried wel op drift geraakt. Een explosie aan activiteit vond er in de studio plaats. Eerst vooral met drankgebruik en feestgedruis. Zijn vrouw had hem het huis uitgeknikkerd en sinds het binnenlopen van de Griekse schip met dat Mondriaan-geval, leek hij over een extra battery-pack te beschikken. Hij kwam en ging in steeds verschillende wagens, luid pratend tegen onduidelijke Chinezen en meelopers. Zijn rug was rechter, zijn oogopslag even uitdagend als altijd, maar minder wazig. Hij had een doel, zo leek het.

Godfried had breed lachend geroepen dat hij het nog wel zou uitleggen, die dag dat hij al zijn onverkochte werk, de oude meubeltjes, de archiefdozen vol publicaties en knipsels naar buiten had gezeuld en in de fik gestoken. Even later had Bert gezien dat er bestelwagens en zelfs een vrachtwagen kwamen om enorme hoeveelheden, ja, zooi af te leveren. Een partijtje bakstenen, gebruikte golfplaten inclusief algenlaag, verweerd houtwerk, spatborden van oude Opels, zeildoek, ga maar door.

Bert was nieuwsgierig geworden. Het werd tijd om eens te gaan buurten en te zien wat zich daar binnen allemaal afspeelde. De woest bebaarde fotograaf Stefan deed open, bromde, knikte en liet hem binnen. Met een peuk in de mond liep Godfried rond, een groot vel papier in de hand, een veldheer tijdens een veldslag in volle gang. Het hele vloeroppervlak van het atelier was met lijnen duct-tape in zones verdeeld. In ieder van die zones stond een berg zooi.

‘Ha Bert, jou moest ik net hebben. Precies op tijd. Moet je zien, dit hele atelier, of eigenlijk dat hele gekantelde vierkant dat je met de buitenste rode lijn ziet afgezet, wordt een kunst-installatie, Dutch Soul. Na de Boogie Woogie komt de Soul, toch? Ik werk met elementen uit het Nederlandse landschap, zoals je ziet. Er komt morgen nog een wagen met grasplaggen om er wat weiland in te verwerken. Ik heb dus fietsen van je nodig. Het liefst losse onderdelen. Wielen, frames, de bak van een bakfiets, spatborden en losse spaken en kettingen. Denk je dat je wat kunt missen, wat anders naar de schroot gaat?’

Bert was perplex. Hij krabde op zijn hoofd, zei dat hij wel kon kijken. Knikte, maar maakte van de afwachtende houding van Godfried gebruik om meer uitleg te vragen.

‘Een landschap? Een soort Madurodam bedoel je? Alleen dan zonder pittoreske stadhuisjes, zoiets?’

‘Jezus Bert, ik ben net begonnen. Het wordt mijn versie van het nationale landschap, maar er komen ook mensen in. Die bouw ik van dezelfde spullen. Twee meter hoge figuren, van doek en spatbord, en dat zijn Nederlandse oer-types. Maar dan hedendaags, natuurlijk. Een keuterboer, een visser, een schoolmeester, een makelaar, een kantoorpik, een wethouder, een bouwvakker ga maar door. Het wordt een plastische explosie waarin Mondriaans Victory Boogie Woogie, als verbeelding van de elektrische energie van het Nederlandse landschap, versmolten is met Rembrandts Nachtwacht.’

Bert schrok van Godfrieds blik, zo bevlogen dat het richting allesverschroeiende woede ging. Godfried schoot in de lach.

‘Ja Bert, voor minder doe ik het niet. En plat wordt het ook niet. Daar aan de noordwand, zei je, loopt het op, daar komt een heuvel. Daar, op het brandpunt van de compositie, gulden snede weet je wel, komt de bekroning.’

Bert liep er naar toe. Van klei, steigerplanken en brokken beton was inderdaad een helling opgebouwd. Er zaten recht onder elkaar twee uitsparingen in het rommelige oppervlak. Bovenaan was een gekanteld vierkant uitgespaard, ongeveer zo groot als de krat met het schilderij dat Bert van boord gedragen had zien worden van het Griekse vrachtschip. Eronder iets dat op de afdruk van een menselijke gestalte leek. Wijdbeens, de armen opgeheven, zodat het was alsof hij het vierkant als een trofee, een vlag, een heilig symbool vasthield en het volk toonde.

Godfried trapte zijn sigaret uit en wees.

‘Dit wordt het pronkstuk van het Stedelijk. Daar komt die nieuwe Victory Boogie Woogie, en daar kom ik.’

Hij wees op de Godfried-vormige leemte in het veld van schroot, puin, riet en klei.

Bert had het opeens koud en meed Godfrieds blik.

‘Ik zal eens kijken wat ik aan fiets-onderdelen voor je heb…’ mompelde hij.

Dirk Sr.

4 jaren, 2 maanden geleden

 

Chen

3,5

De redding komt uit China!

De auto weerspiegelde de plassen, en omgekeerd vergrepen de plassen zich aan de glanzende auto. De fijne druppeltjes, die als een voile over de zwarte lak lagen, hielden de loodsen en kranen gevangen, tenminste een miljoen keer vermenigvuldigd en ook nog eens duivels verkleind. Dat een dergelijke slee zijn entree op het haventerrein maakte, geluidloos meegevend met de kuilen, haast zwevend, had alles van een zinsbegoocheling, en als iemand ernaar gekeken zou hebben gekeken (dat deed niemand, het miezerde nog), dan zou hij zijn ogen niet hebben geloofd, of onmiddellijk begrepen hebben dat het terrein zelf een illusie was, die al spoedig plaats zou gaan maken voor een grote fabriek of, wat in Nederland ondanks de crisis nog altijd waarschijnlijker was, een luxe appartementencomplex, want hun handen uit hun mouwen steken waren ze hier voorgoed verleerd.
Voor de garage van Godfried de Ridder bleef de auto staan. De chauffeur stond al buiten, in een plas, en boog met zijn paraplu naar voren; een Chinese man, kogelrond maar strak in het pak, wurmde zich uit zijn stoel. Van de achterbank stapten nog drie Chinezen uit, Chen, Li en Fei Fei.
Chen ging voor en loodste het gezelschap tussen de plassen door. Fei Fei liep naast hem, hij wilde niets liever dan haar hand pakken - hoe eigengereid ze ook was, haar handen bleven klein en onschuldig en wonden hem altijd weer op - maar met anderen erbij durfde hij dat niet. Haar passen waren kort maar fel, nog steeds droeg ze de schoenen met bandjes, de modder kon haar niet meer schelen, ineens was weer te zien dat ze eigenlijk nog een dorpsmeisje was, een beetje lomp en onwaarschijnlijk lief. Misschien maakte al die luxe haar alleen maar ongelukkig en zou ze zich meer op haar gemak voelen op het platteland, in het dorp waar ze geboren was, Wulingshanxiang, een modderpoel, met varkens en al, maar wat een bevrijding zou dat zijn, voor hen beide!
Waarom waren ze aan dit avontuur begonnen, het had hen alleen maar verder van huis gebracht. Ook waren ze erdoor van elkaar verwijderd geraakt, meer dan ooit. Er was iets in de dynamiek tussen hen, die hem niet onbekend was maar die hier, in Nederland, dankzij het bizarre aura rond die twee foeilelijke schilderijen, volledig uit de hand was gelopen. In de warboel die als een kluwen wol vanzelf was ontstaan in dit bemoeizieke land, waar geen enkele discretie leek te kunnen bestaan en alles meteen op straat lag, was een van de directeuren van de multinational Hutchison Whampoa, operates businesses in ports and related services, telecommunications, property and hotels, retail and manufacturing, and energy and infrastructure, als uit het niets opgedoken.
Als je je maar openstelde, kwam de redding altijd, had zijn grootvader Cheng Liu hem geleerd, en dat gold niet alleen voor improvisatie maar ook voor het leven als zodanig. Die redding heette Chun Hin Wong; ineens had hij zich op Chen’s gsm gemeld, hij had Fei Fei aan de roulettetafel ontmoet en haar al spelend uitgehoord over de schilderijen. Hij had meteen begrepen welke van de twee Victory Boogie Woogie’s de echte moest zijn en voorgesteld het kunstwerk terug te brengen naar China, waar hij doende was in Shenzen het Hutchison Whampoa Museum op te richten, met louter hoogtepunten uit de kunstgeschiedenis. Eerst had Chen nog tegengesputterd, ‘er zijn al onderhandelingen gaande, de stad Amsterdam wil het voor het museum hier aanschaffen, ze hebben er zo’n enorme toestand over gemaakt dat ze er vast en zeker veel geld voor over zullen hebben.’ Maar Wong had hem gezegd dat hij van Nederland niets hoefde te verwachten; als directeur van een multinational wist hij dat het een land op z’n retour was, van geen belang meer. ‘En vergeet je vaderland niet, Chen. Het schilderij hoort in China, het is door Mondriaan aan je grootvader geschonken, het was zijn wil en intentie dat het naar China zou gaan. De geschiedenis bepaalt waar een schilderij thuishoort, en die geschiedenis zegt ‘China’, en niets anders. Het wordt tijd dat we met het westerse cultuurimperialisme afrekenen. Het is je kans om je als patriot te bewijzen, Chen.’
Chen had moeite de directeur van Hutchison Whampoa te volgen, maar toen hij een prijs noemde, was hij meteen om. Het was wel lastig dat het schilderij al in het depot van het Stedelijk opgeborgen was en professor Vlekveld elke medewerking weigerde om het daar weer weg te krijgen; zo boos was ze geweest dat ze al haar voorkomendheid verloren had en het gesprek als een driftig pubermeisje abrupt had afgebroken. Chen’s hoop was nu gericht op Godfried de Ridder, magiër die alles voor elkaar kon krijgen maar die hoe dan ook als enige in staat leek Vlekveld te vermurwen; hij had allang door dat zij een zwak had voor de kunstenaar.
Chen klopte op de deur. Harde rockmuziek, het doffe dreinen van een dreun, jankende gitaren, tot slot een uithaal van een kopstem waar geen einde aan leek te komen - Black Sabbath.
Toen er niet werd opgedaan, bonkt hij met zijn volle vuist op de garagedeur.
Onderaan een kier, en jankend, een met de muziek die aanzwol naarmate de opening groter werd, kwam de garagedeur omhoog.
Alleen zijn broek had hij aan, zijn bovenlichaam naakt en behaard, overal druppels, waarin de dag zich gretig spiegelde. Zijn ogen leken haast helemaal wit en stonden vreemd omhoog gedraaid; het moest wel of hij had iets ingenomen. Achterin de garage, in de groezelige schemering die de ruimte vulde, lag een man op de vloer. Het leek of hij van daaraf aan het fotograferen was, maar het kon ook zijn dat hij sliep. Er schoot iets bleeks door de ruimte, van de ene hoek naar de andere, een naakte vrouw.
‘Eén, twee, drie, vier… en met de dame erbij vijf… vijf Chinezen,’ stamelde Godfried, ‘mán, wat zo’n schilderij al niet losmaakt. Kunst hè, dat kan alleen de kunst, wat ze ook zeggen.’

Edzard

4 jaren, 2 maanden geleden

1,4

Roulette met Fei Fei

Net toen ze onder de glitterpoort van het Scheveningse casino doorliepen ging zijn telefoon.
‘Ja… Ja, met Roderik… Kerel, goed dat je belt, maar… Is het goed dat ik je met vijf minuten terugbel?… Oké!’
Hij stak de telefoon weg en pakte Fei Fei weer bij de elleboog. Ze zag er schitterend uit in de avondjurk die ze ’s middags gekocht hadden. Ja, hij moest grove middelen inzetten, maar zo had hij tenminste weer het gevoel dat hij de boel onder controle had. Straks gooide hij er nog een orgasme van de zaak tegenaan, dan at ze weer uit zijn hand. Chens aantrekkingskracht op Fei Fei was flink afgenomen sinds ze wist dat zij het enige echte schilderij in handen had. Zou ze al eens een casino van binnen hebben gezien?
Ze kwamen bij de roulettetafels en Fei Fei gaf met een glimlach te kennen dat ze wel wilde spelen. Hij gaf haar zijn fiches in handen. Wist ze wat ze ermee doen moest? Ze legde voorzichtig een fiche op even. Mooi zo, hij kon haar wel even alleen laten als ze in dit tempo ging spelen. Hij gebaarde naar zijn telefoon en liep naar de bar.
‘Ha Bastiaan, gozer!… Hoezo?… Natuurlijk heb jij een optie! We hebben toch een afspraak, jij en ik?… Klopt, klopt, je bent zoals gewoonlijk goed geïnformeerd… Ja, op het matje geroepen bij de gemeente, in de gedaante van Lianne Verstraaten. Zo’n miljoenenzaak, en ze zetten er een meid van vijfentwintig op! Het laat weer zien met wat een minachting… Oké, wij gingen ook over miljoenen toen we zo oud waren! Wacht even…’ (Fei Fei kwam op hem aflopen en liet weten dat haar fiches op waren. Roderik gaf haar een paar briefjes van honderd. Hij wees haar naar het loket waar ze de fiches kon halen. Ze glimlachte en liep van hem weg. Kijk, zoals zij die kont liet draaien, dat was nou kunstenaarschap.) ‘Maar dat is het hele punt, die miljoenen hebben ze niet. Ambtenaren, ze rekenen erop dat je met de pootjes omhoog gaat liggen zodra ze het landsbelang en de volksverheffing noemen … Je gaat zo’n topwerk toch niet in een museum weghangen, dat moet naar een topcollectie, een topbedrijf dat het zich kan veroorloven… Ik gebruik dit om de belangstelling aan te wakkeren… Reken maar dat er belangstelling is. Jij hebt de optie, maar… Serieuze partijen, ja hoor… Oké, ik bel je morgen, first thing!’
Toen hij bij de roulettetafel terugkwam zat Fei Fei genoeglijk te praten met een Chinese heer links van haar. Ze zette net een paar fiches van honderd in, en carré. Verloor. Verdubbelde de inzet. Won. Godsodeju, die meid had daar voor minstens tienduizend aan fiches liggen, zag hij nu.
Daar ging de telefoon weer. Fei Fei kon het wel alleen af, dat was duidelijk.
‘Sjaak! Gozer, goed dat je belt!… Je bent als altijd weer uitstekend op de hoogte. Maar maak je geen zorgen, een optie is bij mij een optie, dat weet je… Ach, je kent ze, ze willen het schilderij in het museum hebben om er scholieren en bejaarden naar te laten gapen… Tuurlijk, tuurlijk…’ (Hij zag Fei Fei naar het loket lopen met een berg fiches. De Chinese heer vergezelde haar. Ze knikte hem in het voorbijgaan toe.) ‘Zeg, vind je het goed als ik je met vijf minuten terugbel?’
Maar toen hij buiten kwam waren Fei Fei en de Chinese heer nergens meer te bekennen.

Jochem Broe...

4 jaren, 2 maanden geleden

 

Joy Puik

2,2

Provenance

Joy Puik
to: Samantha Borger
date: 3 mei 2013 22.54
subject: Joy is het prijsbeest!

Ha geile donder!
Die Joy van jou hè, die kan er wat van! Gotnomdenakendechristus. Ze lijkt wel een journaliste soms.
Veel sporen heeft Chen Jié niet achtergelaten in New York. Hij was hier zeer waarschijnlijk illegaal, want de archieven van New York zwijgen over hem. Lang zal hij ook niet gebleven zijn. Zijn optredens in de Cafe Society beperken zich tot wat invalwerk, in de eerste maanden van 1943.
Gisteren werd er eindelijk opengedaan op het adres dat in Barney Josephsons ‘Big Book’ stond, in Greenwich Village. Een licht geïrriteerde jongeman was naar beneden gekomen om me te woord te staan. Hij vroeg zich af wie er de hele tijd aanbelde. Er hadden op het adres in de loop van de tijd allerlei mensen gewoond, legde hij uit. Zijn grootouders hadden altijd mensen op kamers gehad om de huur te kunnen betalen. Maar daar had hij geen administratie van. Waarom was ik naar die Chinees op zoek?
Ik heb het liever niet over het schilderij, merk ik. Het is niet een verhaal dat je in twee minuten uitlegt. Misschien heeft het ook te maken met de Nederlandse afkeer van alles wat artistiek is. Als je snel van je gesprekspartner af wilt kun je in Nederland het best over kunst beginnen. Maar om deze jongen geïnteresseerd te krijgen moest ik hem wat meer geven dan een geheimzinnige pianist. Dus probeerde ik Mondriaan. Zijn gezicht lichtte meteen op. Hij bleek zelf schilder. Ik mocht mee naar boven komen.
Hij gebruikte het appartement als atelier. Ik keek wat rond. Overal stonden schilderijen. Abstract werk, maar het tegenovergestelde van Mondriaan. Dichter bij de Amerikaanse traditie, de Abstract Expressionists. Hij schildert wilde, vlammende figuren. Niet tragisch of gekweld hoor, eerder uitbundig. Ergens achter een rij doeken stond een bed, goed gecamoufleerd met allerlei verfvlekken.
Ben (zo heet hij, Ben Dickinson) was intussen op zoek gegaan in een grote metalen hutkoffer. Daar lagen de spullen van zijn ouders en grootouders in, of wat hij ervan bewaard had. Hij kwam te voorschijn met een stel fotoboeken. Die kamerbewoners van zijn grootouders, die leefden te midden van het gezin, aten mee, konden met hun problemen bij grootmoeder terecht. Vrijwel elke gezinsfoto is verrijkt met een onbekend gezicht. Op de boeken stond netjes welke jaren ze bestreken. Dus we sloegen het boek voor 1943 en begonnen te bladeren.
Er stond een Chinees bij een familieportret rond de eettafel. Dat moest hem zijn. Ben stak zijn vinger tussen de bladzijden en bladerde verder. Je weet nooit. Daar was nog een fotootje van de Chinees. Hij stond glimlachend naast een andere man, een man met lang, kalend hoofd, een kloeke neus en een brilletje. Ze stonden aan weerskanten van een schilderij aan de muur van wat waarschijnlijk Chens kamertje was. Een ruitvormig schilderij, niet echt groot, waarover een aantal kleurige lijnen liepen. ‘Could that be…’ zei Ben nog maar ik was al opgesprongen.
Ik belde AS3 dat ze Herman-de-cameraman konden sturen.

Han van der...

4 jaren, 2 maanden geleden

 

Chen

1,5

Vlekveld onderuit

De tocht van Schiphol naar het huis van Magda Vlekveld in Buitenveldert, met Li’s bagage en de koker met de Victory Boogie Woogie in de kofferbak, duurde uren. Nog op de lus die Godfried, Chen en Li op de snelweg zou moeten slingeren, begon de Mercedes te pruttelen en te schokken; ineens was het doodstil en gleed de auto sereen met de bocht mee, om in de vluchtstrook verder uit te vieren en dood te vallen.
De wegenwacht bellen was beneden Godfried’s stand. Hij dook onder de motorkap en haalde draden los, bevestigde ze weer; Chen en Li zagen af en toe zijn nagenoeg kale schedel, glimmend en bepareld, toch een fiere bekroning van zijn brein. Met bevuilde handen en vegen op zijn gezicht, de groeven nog dieper en dramatischer, kwam hij weer tevoorschijn.
Toen de auto nog niet wilde starten, dirigeerde hij Li en Chen uit de auto om te duwen.
‘Wat een idioot,’ zei Li tegen Chen terwijl ze met gekromde rug kracht zetten, ‘een soort aapmens, de beschaving moet hier nog uitgevonden worden. Hoe haal je het hoofd om zijn hulp te vragen?’
‘Hij is geen kwaaie, hoor, veel gewauwel waar ik ook niets van begrijp, maar hij brengt ons naar die kunsthistorica, die Vlekvlek. Hij weet waar ze woont, hij zegt dat ze nog iets hebben gehad toen zij nog studeerde.’
‘Iets gehad?’
‘Nou, je weet wel. Ze vielen allemaal voor hem, beweert hij, alle kunstgeschiedenisstudentes. Hij werkte ze een voor een af, hup eroverheen, en dan de volgende. Zo gaat dat hier, Li, echt een beestenbende, ze werken vrouwen af en van standjes weten ze niets, hoe je het een vrouw naar de zin moet maken, ik ben hier nog maar net maar als je eens wist…’
Telkens leek de motor steunend aan te slaan, maar dan stierf het aarzelende geluid nog voor het goed en wel op gang gekomen was. Li en Chen moesten tenminste een halve kilometer geduwd hebben, toen eindelijk een donker grommen opklonk vanonder de motorkap en ze konden instappen, nat van het zweet en de motregen die het Hollandse landschap met zijn snelwegen en bedrijfsgebouwen deed vernevelen tot een idylle uit een andere, gedroomde wereld.

De motorpech was niet het enige oponthoud. Vlak voor de afslag bij het VU ziekenhuis klopte Li op de schouder van Chen en zei hij dat hij eerst naar het Rijksmuseum wilde; hij had in de Beijing Times gelezen dat het heropend was.
‘Alsjeblieft, laten we eerst doen wat we moeten doen, het museum komt later wel. Dan kunnen we daarna samen ook naar de redlightzone, als je wilt,’ zei Chen in het Chinees.
Maar Li stond erop, het hoefde niet lang te duren, hij kende de beroemdste schilderijen wel, hij had ze geschilderd, honderden, duizenden keren, hij wilde ze alleen maar even vergelijken met hoe hij ze schilderde. ‘Weet je, Chen, ik denk eerlijk gezegd dat ik ze in de loop der jaren dus verbeterd heb. Het is pure zen, je verliest jezelf en zinkt weg in de gedachte, of hoe zal ik het zeggen, in de géést van het schilderij. Hoe vaker je het doet, hoe dieper je erin komt. Je wordt het schilderij, bij elke kopie een beetje meer. Wat je dan schildert, kan alleen maar beter zijn dan het origineel. Ik bedoel, het origineel is niet meer dan een vertrekpunt; waar het echt om gaat is de herhaalde oefening.’
‘Wat zitten jullie nou te lullen!’ riep Godfried, ‘wat een fucking brabbeltaal, hoe krijgen jullie het voor elkaar om elkaar ook maar iets aan het verstand te brengen, mán! Je kunt beter twee van die jengelviolen tegen elkaar laten instrijken, je reinste kattengejank.’
‘Li wil naar het Rijksmuseum. Maar dat gaan we niet doen.’
‘Waarom niet? Dat waren echt teringgoede schilders, dat wil je niet weten, die wisten tenminste wat schilderen was.’
‘Hij wil kijken of hij beter is.’
Godfried bulderde van het lachen, ‘goeie gozer. Het kan hem allemaal geen fuck schelen, reputaties, hij gaat voor de kunst, vrijheid blijheid.’
Hij trapte de gaspedaal dieper in, de auto schoot naar voren.

Godfried en Chen dwaalden door de zalen, stonden in mum van tijd weer buiten, dronken koffie, lunchten en gingen op bier over in een café aan het Leidseplein. Met verwondering nam Chen alle oranje versiering op, het roodwitblauw dat ook overal terugkeerde, vreemde, harde kleuren, waarin hij verwantschap zag met de kleuren van de Victory Boogiewoogie – misschien had Mondriaan ooit voor het Hof geschilderd en was zijn kinderlijke kleurpalet in dit land tot wet verheven.
Li was nog steeds in het Rijksmuseum. Godfried had al meerdere biertjes op en werd onrustig. Hij kon het niet laten steeds weer over Li te beginnen, hij was bang dat hij iets met het schilderij aan het uitspoken was, in het Rijksmuseum, of elders.
‘Zonder Vlekveld kan hij er niets mee,’ herhaalde Chen, en Godfried liet zich dan weer in zijn stoel zakken, steeds wanhopiger en stiller, alsof zijn bravoure met de verstrijkende minuten weglekte.
‘Zie je, niets aan de hand,’ riep Chen toen zijn mobieltje leek te exploderen.
‘Weet je, die Victory Boogie Woogie kan me aan m’n reet roesten. Mijn handen tintelen, die energie, ik moet weer eens iets maken. Ik voel het, het is dichtbij, ik kan het niet tegenhouden.’
Terwijl hij opstond, als verzwaard, viel zijn stoel. Hij leek het niet te merken en slingerde tussen de tafels en stoelen door, stootte nog een stoel om en liep naar buiten.
‘Misschien is het beter als jij rijdt,’ zei Li tegen Chen.
‘Er is maar één die in mijn Mercedes rijdt, en die heet Godfried,’ brieste de kunstenaar toen Chen zei dat hij ook kon rijden.
Met een schok, alsof ze gelanceerd werden, verlieten ze de parkeergarage en schoten ze de Van Baerlestraat op. Het bier had Godfried op scherp gezet, zijn zwijgen was onheilspellend, zijn rijden driftig, alsof hij remmend en versnellend, bruut voorrang nemend en andere auto’s afsnijdend, iets wilde openbreken, iets wat hem beknelde, zijn leven, zijn kunstenaarschap. Chen zei niets, in Beijing was hij niet anders gewend, het was hem al opgevallen dat Nederlanders als bejaarden reden. Weer voelde hij ontzag voor de grote, uit botten en vlees opgebouwde Nederlander. Godfried reed dierlijk, op zijn instinct, als een neushoorn die door het oerwoud stampt. Met zijn hoofd zat hij zowat tegen de voorruit aan, telkens wist hij net op tijd bij te sturen of af te remmen.
Hij liet zijn remmen piepen. Jankend schoot de Mercedes vervolgens tientallen meters achteruit, bonkte het trottoir op, voor een laag flatgebouw, waar nooit iets zou gebeuren.
‘Jezus, mán, ze was best een wilde chick, en nu hier, in deze graveyard…’
Chen liep met Godfried mee naar de voordeur, Li bleef in de auto, met de koker over zijn schoot - hij zou er pas uit komen als de professor thuis was.
M.J.A.M.L. Vlekveld’ vermeldde het naambordje. Ze woonde op de begane grond.
Geen gezoem, de gemeenschappelijke hal leeg, behoudens een aardewerken vaas zonder bloemen.
Chen keek op naar Godfried, als een kind.
‘Verdomme, dat ook nog, die kut is niet…’ maar er klonk een klik, als een tikje tegen een glas, amper hoorbaar. De klap waarmee Godfried de deur tegen de stopper duwde, dreunde door het trappenhuis.
Haar voordeur stond op een kier, ‘zie je Chen, Magda verwacht ons al,’ zei de kunstenaar, toch weer monter en energiek.
Ze bleven staan. De kier bleef de kier, daarachter stilte, witte stilte, dat was nog net zichtbaar.
Weer staarde Chen naar de kunstenaar, hij kende de mores van dit land. Op zijn beurt grijnsde de kunstenaar naar de Chinees en liet deurknop in zijn hand verdwijnen.
Geen beweging, iets blokkeerde de deur. Hij zette zijn schouder ertegenaan, hij gebruikte zijn volle gewicht, hij kreeg de deur zover open te krijgen dat hij eromheen kon kijken.
Hij was één bonk zwijgend vlees. Hij zou daar voor een eeuwigheid te staan, een kolos die de tijd weerstond.
‘Krijg de fucking tering, Jezus, mán,’ hoorde Chen hem uiteindelijk zeggen, en hij zette zich schrap en schoof de deur zover open dat ze naar binnen konden.

Edzard

4 jaren, 2 maanden geleden

1,7

Ingezonden mededeling: Nieuwe versies

Mondriaan in het voortgezet onderwijs

Piet Mondriaan schreef vrij veel over zijn kunst en over de Stijl-beweging. Hij deed dat onder andere in het blad “De Stijl”. Veel van die artikelen zijn op internet terug te vinden op ‘International Dada Library’. Het artikel De Nieuwe Beelding in de Schilderkunst, staat bijvoorbeeld op http://sdrc.lib.uiowa.edu/dada/De_Stijl/001/001/pages/002.htm

Jammer is dat Mondriaan niet erg goed kon schrijven en zich ook vaak vergiste in zijn stellingnames, hij was nu eenmaal een betere schilder dan schrijver of filosoof. Later is aangetoond dat hij veel van zijn in onze ogen vage opvattingen ontleende aan allerlei niet erg bekende Indiase goeroe’s. Bovendien doen zijn stukken nu wat ouderwets aan, wat uiteraard ook te maken heeft met zijn taalgebruik. Je kunt hem hier geen verwijten over maken, hij schreef nu eenmaal voor zijn eigen tijd en niet voor de onze.

Wanneer u in uw klas aandacht wilt besteden aan Mondriaan is het verstandig om zijn opvattingen aan onze tijd aan te passen. Dit motiveert de leerlingen meer. Wij kunnen u hiervoor materiaal bieden. Sinds 2002 biedt ons bedrijf aan scholen aangepaste, verbeterde en verkorte versies van werken van beroemde filosofen of van andere schrijvers voor gebruik in de hogere klassen van het VWO. Wij hebben een computerprogramma ontwikkeld (Revison) dat van alle grote schrijvers, filosofen en kunstenaars aangepaste versies kan leveren zonder dat aan de intentie van de grote figuren wordt getornd. U kunt ervan verzekerd zijn dat hun opvattingen correct voor het voetlicht komen. Alleen bij evidente fouten of vergissingen zorgen wij voor verbeteringen.

Ook van een aantal werken van Mondriaan hebben we zo’n herschreven versie gemaakt. Hierbij volgt een klein voorbeeld. Eerst geven we u het begin uit Mondriaans artikel De Nieuwe Beelding in de Schilderkunst, met daaronder onze herschreven, veel kortere versie.

1. Piet Mondriaan: ‘De schilderkunst- in wezen eèn en onveranderlijk- heeft zich steeds in zeer onderscheidene uitingen geopenbaard. De achter ons liggende kunstuitingen –die zich als zovele stijlen kenmerken- onderscheiden zich slechts van elkander door oorzaken van stijl en plaats waar zij in wezen èen zijn. Hoe verschillend ook in verschijning kwamen zij toch alle uit éenzelfde bron voort: uit het u n i v e r s e l e, uit het diepste wezen van al het bestaande. Daardoor vertoonen alle historische stijlen eèn gemeenschappelijk streven, n.l. om het u n i v e r s e e l e tot uitdrukking te brengen.’

2. Onze verkorte en verbeterde versie: ‘De schilderkunst verandert. Iedere schilder schildert nu eenmaal anders. Ook vroeger was dat zo. Toch proberen schilders altijd hetzelfde te bereiken: iets algemeens.’

U ziet dat we Mondriaans verwarrende en ongelukkige vergelijkingen van schilderkunstige uitingen met ‘openbaring’ , ‘bron’ en ‘geboorte’ eruit hebben gewerkt. Dit leidt tot onnodige misverstanden die voortkomen uit Mondriaans gebrekkige en gedateerde opvatting over kunst als een ‘wezen’. Wilt u meer informatie of digitale toezending van onze catalogus: stuur ons een email!

Kees 't Hart

4 jaren, 3 maanden geleden

1,4

Kruishout der interpreten

Gelijk de hoer van Parijs kijkt
het stratenplan van Broadway
de adelaar uit Amersfoort aan.

Slierten vierkantjes dansen hun
raamwerk uit in de richting van
de laatste overwinning op het vlak.

Neoplasticisme, weet je nog?

Een achtste slag later duikt uit een
grauwe wolkenlucht het spitsuur op.
Had het ding bestaan, toonde het

schots opgehangen televisietoestel
waterpas zijn testbeeld. Vervaarlijk
duwt het wit zichzelf de kamer in.

Gemakkelijk, dacht je dat?

Kralensnoeren van talloze tureluurse
dobbelstenen kruisen dwars door
robotisch idiote breipatronen.

En toen was hij dood.

Mitch

4 jaren, 3 maanden geleden

1,4

Liefde & Inspiratie

Eigenlijk had ik het vandaag willen hebben over de vraag of er nog artistieke autonomie mogelijk is in onze postfordistische en posttoyotistische tijden. Maar met het oog op de actualiteit ben ik geswitcht naar dansen en kaartspelen. Die autonomie kan wel even wachten.
Ik ga terug naar 14 februari van dit jaar, toen het Haags Gemeentemuseum, het was Valentijnsdag, een kwartetspel lanceerde over de vrouwen van Piet Mondriaan. Onder de titel Liefde & Inspiratie werd op speelse wijze een dossier ontsloten waarvan de bladzijden tot voor kort steevast werden weggestopt in de la 'Irrelevant'. Het paste ook zo mooi bij Mondriaans werk, dat imago van een koele, afgemeten en vooral solitaire man. Je wist niet beter of het vrouwelijke was voor hem iets horizontaals, net als de lijn van de zee. Af en toe eens uit dansen ja, daarvoor waren vrouwen wel handig, maar de kleinste toespeling over trouwen en hij was er vandoor.
En dan nu dus die 52 speelkaarten met evenzoveel Mondriaanvrouwen erop, en in de bijsluiter de mededeling dat het er in werkelijkheid beslist nog meer waren. Wat een feest moet het leven van die kluizenaar zijn geweest! Ik ben zo verrukt van dit kaartspel dat ik het al twee maanden cadeau doe aan iedere jarige of geslaagde die mij op zijn of haar party vraagt. En dat houd ik vol, ook al blijkt bij navraag telkens dat het spel weliswaar wordt gewaardeerd, maar door niemand ook echt wordt gespeeld. 'Wie gaat er nu nog zitten kwartetten?' is de standaardverklaring.
'Je hebt toch kinderen?' antwoord ik dan, 'je hebt toch gezellige bejaarde ouders?' Maar de kinderen schijnen liever een digitale versie voor op hun iPad te hebben, en de bejaarde ouders steeds te struikelen over de Bordewijkse namen (Diderike Petronella Harrenstein, Gwendolyn Lux Von Bremen, Eva Bernardina de Beneditty, Augustina Hermina de Meester Obreen…). Allemaal uitvluchten natuurlijk, en ik geef dan ook niet op. 'Hoezo een digitale versie?' roep ik. 'De clou is nu juist dat je al die vrouwen door je eigen fysieke handen laat glijden. En als je dat eenmaal aan het doen bent zul je merken dat het je helemaal niks meer kan schelen hoe ze heten.'
De laatste troef die ik uitspeel bij zo′n woordenwisseling is eerlijk toegeven dat ik zelf ook niet zo dol ben op kwartetten, maar dat ik wel al twee maanden elke avond minstens drie potjes patience speel met de vrouwen van Piet Mondriaan. En dan komt het: dat op wonderbaarlijke wijze dat geduldige spelletje mijn begrip van de schilder meer heeft vergroot dan welke verklarende tekst over zijn werk ook.
Zo zat ik bijna twee weken geleden, op een dinsdagavond, mijn vrouw was niet thuis, weer eens aan de keukentafel te spelen. Plotseling viel me op dat ik mijn kaarten niet in de gewone, in lengte toenemende rijtjes had gelegd, maar in een min of meer ruitvormig patroon. Terwijl ik mij nog steeds aan de regels van het spel hield, zat ik ondertussen een compositie bij elkaar te leggen met mijn kaarten, alsof het gekleurde stukjes tape waren. Een ietwat beangstigende ervaring. Ik stond op van mijn stoel en dacht aan de halfdode Mondriaan zoals die in januari 1944 steeds weer opstond van zijn bed om in pyjama verder te werken aan Victory Boogie Woogie. Steeds kortademiger, almaar harder trekkend aan weer een volgende sigaret.

Cornel Bier...

4 jaren, 3 maanden geleden

1,6

Penseelstreek en Handschrift

In de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bevinden zich brieven en aantekeningen van Mondriaan. Bovenstaand fragmentje komt uit een brief uit 1932, Mondriaan woonde toen in Parijs. Misschien is het in verband met het onderzoek naar de echtheid van het pas ontdekte schilderij van Mondriaan nuttig nader op dat handschrift in te gaan. Een grafoloog zou na kunnen gaan of er in de brieven die Mondriaan tijdens de periode toen hij aan de Boogie Woogie reeks werkte aanwijzingen zijn over zijn emotionele toestand in die tijd. Veranderde zijn handschrift toen hij eraan werkte? Of hanteerde hij een schrijfwijze die tijdens zijn leven constant bleef? Mij lijkt het nuttig hierbij de wetenschap van de grafologie te betrekken. Een standaardwerk op dit gebied schreef Robert Saudek met zijn studie Wetenschappelijke Grafologie (1931) dat Mondriaan ongetwijfeld kende. Hij interesseerde zich voor dergelijk onderzoek. Bekend is dat hij in een brief aan Van Doesburg uit 1906 (zie Brieven rondom De Stijl uit 1962) melding maakte van het handschrift van de door hem zeer bewonderde Engelse schilder Turner. Hij schreef daar: ‘(…) ik geloof dat je aan het handschrift van deeze schilder zijn diepe ernst kunt aflezen waarmede hij zijn theorie van het Archaïsche bij zijn werk inzette. Hij meende dat een handschrift van invloed was op zijn penseelvoering. Ken je zijn briefje aan zijn zoon ( die schilderambities had) waarin hij hem aanraadde met zijn penseel letters te schrijven?’

Veel aandacht is aan de relatie handschrift-penseelstreek niet besteed in het Mondriaan onderzoek. Zelf heb ik het idee dat hij onderzoek naar zijn penseelstreek liever uit de weg ging omdat hij een hekel had aan gepsychologiseer over zijn werk. Toch kun je bij nadere beschouwing van zijn werk, ook van dat uit zijn Stijlperiode, wijzigingen zien in zijn penseelvoering. In zijn vroege Stijlwerk hanteerde hij meestal een horizontale streek, waarbij hij kleine oneffenheden met een doek weghaalde, je kunt resten van die vegen nog zien. Later ging hij over tot een afwisseling tussen horizontale en verticale verfstreken. Ik wijs u er op dat naar de penseelvoering van Mondriaan in zijn Stijlperiode weinig tot geen onderzoek is gedaan. Alle aandacht ging tot nu toe altijd uit naar de constructie van de kleuren en het lijnenspel. Dat zijn penseelvoering daaraan ondergeschikt werd geacht vind ik wel begrijpelijk maar ook jammer. Wie van dichtbij een werk van Mondriaan bestudeert, ziet hoe gevoelig hij de kleuren aanbracht. Het was bepaald geen kwestie van vlakken vullen.

Het is niet makkelijk om hier in kunstkringen over te beginnen, onderzoek is moeilijk omdat je niets hebt aan kopieën van Mondriaans werk, daarop zijn de penseelstreken nu eenmaal moeilijk te zien. In het Gemeentemuseum in Den Haag krijg je geen kans de werken van Mondriaan van zeer dichtbij te bestuderen, ik heb daar tot mijn spijt ervaring mee opgedaan. De enige in Nederland die aandacht heeft besteed aan de relatie tussen het handschrift van Mondriaan en zijn penseelvoering is de schrijver Max Dendermonde (1919-2004) die een interessant en liefdevol biografisch boek over Mondriaan schreef: Mondriaan, de man die de charleston danste (1994). Dendermonde was geïnteresseerd in grafologie en gaf in dit boek zelfs een analyse van het handschrift op een briefkaart die Mondriaan in 1910 vanuit Domburg naar ene Janny Vreuger stuurde, het is onbekend wie dat was. Dendermonde concludeerde dat uit het handschrift een zekere aanleg voor religie was af te lezen en dat Mondriaan snel en helder kon nadenken, waarbij hij zijn gedachtensprongen niet altijd in zijn schrift bij kon houden.

Het is duidelijk dat Dendermonde het werk van Saudek niet kende. Hij beriep zich, als ik het goed zie, op het werk van de eerste en ook gelijk laatste hoogleraar grafologie in Nederland, Professor Frits Böttcher. Maar die verwierp de inzichten van Saudek en concentreerde zich meer op wat wij in deze richting van de psychologie, de Müncher school noemen. Meer aandacht voor de natuurwetenschappelijke kant van de grafologie (Böttcher was scheikundige) en minder voor de psychologische. Uit de school van Saudek stamt het baanbrekende werk op het gebied van de penseelvoering en de psychologische implicaties ervan van de Amerikaan James Farrell, die met zijn hoofdwerk Art and the Psychology of Paintbrush (2001) als pionier op dit gebied moet worden gezien. Hij betrekt de handschriften van kunstenaars bij hun penseelvoering en is erin geslaagd een zeer bruikbaar computermodel samen te stellen. Farell’s werk speelt tegenwoordig een belangrijke rol bij de vaststelling van falsificaties. Mijn voorstel is een deskundige op dit gebied (in Nederland ken ik overigens niemand) het nieuw ontdekte werk van Mondriaan te laten onderzoeken en daarbij het handschrift uit zijn Amerika periode te betrekken.

Tenslotte nog dit: Saudek analyseerde het handschrift van Mondriaan niet. Ook voor mij is dit niet goed mogelijk omdat ik alleen beschik over boven weergegeven kopie waarop halen met de pen en de diepte van de pendruk niet goed te zien zijn. Een eerste indruk wil ik wel geven. We zien hier een snel en natuurlijk schrift met een duidelijke slankheid van de vormen. Mondriaan gebruikte in deze periode eerder de guirlande dan de hoek. Dit duidt op lichaamsgericht schrijven. Ook kunnen we controleren dat het de schrijver er veel aan gelegen was te getuigen van zelfcontrole, wilskracht en loyaliteit. Maar nader onderzoek brengt ongetwijfeld meer uitgangspunten aan het licht. Ik wens u veel succes met uw onderzoek naar de echtheid van het opgedoken kunstwerk en hoop dat mijn opmerkingen daar een bijdrage aan kunnen leveren.

Kees 't Hart

4 jaren, 3 maanden geleden