Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Liefde en inspiratie

Magda Vlekveld

1,0

Daar ruist langs de wolken een lieflijke stem

Ik hoorde een stem door een wolk van doodsangst en pijn. Ik herkende de stem, hij had mijn leven lang al in mij geklonken. Ik poogde me op te richten en bemerkte ontdaan te zijn van alle knellingen waar een vrouwenlichaam in opgesloten zit. Geen bh, geen onderbroekelastiek, geen spijkerbroek. Het was of ik dreef op een snelstromende rivier, maar wat ik hoorde was geen naderende waterval meer, maar de basso continuo die ik altijd onder mijn vrouwelijkheid aanwezig wist. Ik opende mijn ogen.
“Hé Magda, lekker meid van me, ben je d'r weer?”
“God, ben jij het?” zei ik aarzelend.
“Je eerste liefde in hoogsteigen persoon. Die vergeet je nooit, wat? Eén keer van bil, altijd de spil.”
“Waar zijn we?”
“In de hemel, schatje, waar anders.” Hij floot net als vroeger vrolijk tussen zijn voortanden door. “Laat maar rollen, jongens.”
Voor mijn ogen dwarrelden rode en gele vierkantjes omlaag, witte vlakken, grijze, zwarte lijnen, blauwe.
“Dit is 'm nou, Vlekje. De enige echte. Je hoeft niet meer bang te wezen dat je belazerd bent. Hij bestaat heus en die leipe Fei Fei heb de valse.”
“Maar hoe kun jij…”
Ik herkende het doek van de verfomfaaide foto's die Chen me gestuurd had. Ik hoorde aan de andere kant van het heelal een deur openzwaaien.
“Is de patiënte weer wakker?” klonk een hoge vrouwenstem.
“Ja, zuster dikkekont,” donderde Godfried met zijn Russische bariton. “Ze is weer helemaal op en top.”
Maar toen ik als in extase overeind wilde komen uit mijn ziekenhuisbed, ontdekte ik opeens dat de rechter helft van mijn schedel was weggeslagen, en dat de zure geur die zich aan me opdrong van het braaksel kwam dat nu uit mijn mond gulpte over de witte sprei op mijn benen.
“Krijg nou de kankertering,” schreeuwde Gotfried alsof hij nog steeds de ruige kunstenaar was van wie ik zolang idolaat was geweest. “We hebben er godsallejezus alweer een Victory Boogie Woogie bij! Moet je die patronen in d'r kots zien. Dat geel en dat rood! Totaal Mondriaan!”
In een zee van Chinees gesis en gesteun tuimelde ik achterover de tunnel van mijn eigen zweet in.
Zeg me dat dit nooit is gebeurd.

Arjen

4 jaren, 4 maanden geleden

De kist

Fei Fei

1,5

Terug bij af

Roderik vertelde vandaag aan het ontbijt dat hij heeft gehoord dat Magda Vlekveld een zelfmoordpoging heeft gedaan, in haar woning, met pillen, en dat Chen haar heeft gevonden, samen met Godfried de Ridder en Joy Puik en ene Li. Ze leeft nog, het scheelde niet veel. Ik schrok ervan dit te horen. Niet dat ik haar goed ken, maar toch, zelfmoord is zo grof en hard. Ik heb er ook weleens over nagedacht, maar het is nooit zover gekomen dat ik het echt wilde doen. Roderik zei dat het op een of andere manier te maken had met het schilderij. Hoe precies wist hij niet. Het gaf me allemaal een raar gevoel. Ook dat Chen haar gevonden heeft, ik bedoel, in wat voor vreemde situatie zijn hij en ik eigenlijk terecht gekomen?
Ik liet mijn geroosterde boterham met jam voor me op het bordje liggen en dronk alleen nog wat koffie. Roderik had zijn eetlust niet verloren en leek weer over te kunnen gaan tot de orde van de dag: hij dacht hardop na over zijn plannen met het schilderij. Hij denkt de hele dag hardop, valt me op, er komt geen einde aan zijn woordenstroom. In het Engels ook nog eens, een taal die hij niet goed beheerst en die voor mij moeizaam is om te verstaan. Bovendien, hij praat niet mèt me, maar tégen me. In zijn ogen ben ik een eenkoppig publiek dat op de juiste momenten moet applaudisseren. Ik nam af en toe een slokje koffie en luisterde niet. Dat moest ik Chen nageven: hij kon tenminste zijn mond houden en in stìlte op iets broeden. Als hij iets zei, dan praatte hij echt met me.
De monoloog van Roderik werd onderbroken omdat iemand hem belde. Met de telefoon tegen zijn oor liep hij weg, luisterend. Daarna hoorde ik hem tieren en schelden. Ik verstond niet wat hij zei, hij sprak Nederlands, maar het gesprek eindigde ermee dat hij zijn telefoon op de grond kapot gooide. Daar schrok ik zo van dat ik het koffiekopje bijna uit mijn hand liet vallen.
Het schijnt dat ons werk een kopie is. Chen heeft het echte werk. Laten invliegen door die Li.
Dit vertelde Roderik me nadat hij had opgehangen en in zijn ochtendjas heen en weer liep door de kamer, als een manisch dier in een kooi.
Het gekke is, ik was niet boos of pissig, zoals Roderik wel was. Er gebeurde in mij iets anders. Ik zag Chen voor me en dacht: goed gespeeld. Blijkbaar ging mijn mondhoek bewonderend wat omhoog, want Roderik vroeg wat ik in nou zat te lachen. Als dit bekend wordt, brieste hij in half Engels en half Nederlands, wat ik moeilijk kon volgen, dan wordt òns werk als waardeloos gezien, dus kunnen we wel fluiten naar kopers. Ik probeerde daar iets tegenin te brengen, maar hij noemde me onwetend en ik moest me er niet mee bemoeien. Wel moest ik hem mijn telefoon geven, die hij vervolgens zelf van het dressoir griste, en waarmee hij in de studeerkamer verdween. Ik bleef aan de ontbijttafel zitten, in mijn ochtendjas, die dunne ochtendjas, net nieuw, en voelde me naakt. Zonder telefoon, zonder waardevol schilderij, zonder andere toekomst in het verschiet was ik zomaar een vrouwtje in een huis van een ander, in een land van anderen.
Chen heeft een neef die Li heet, schoot het door me heen, en dat moest ik tegen Roderik zeggen, maar ik had geen zin om daarvoor op die dichte deur te kloppen. In plaats van naar de studeerkamer liep ik naar de badkamer. Op de wastafel lag een scheermes en op een plank een doosje slaappillen. Ach, ik zou dat toch nooit doen.
Ik weet niet hoe lang ik in bad heb gelegen, maar om de zoveel tijd trok ik de stop eruit, zodat het water een paar centimeter zakte, en dan vulde ik het bij met warm water. Volgens mij zat Roderik al die tijd in zijn studeerkamer mensen te bellen. Eén keer kwam hij eruit en riep hij mij, waar de oplader was.
Toen ik uit bad kwam, had Roderik een oplossing gevonden. Tenminste, hij had met ene Botering gesproken, of hij had iemand gesproken die Botering kende: ik was rozig en hij sprak vermoeid. Net als Vlekveld is Botering een autoriteit, een kunstkenner, maar dan eentje met een hele andere kijk op de dingen. Als hij zich bij ons kamp wil aansluiten (dat woord gebruikte Roderik, dat weet ik nog wel, ‘kamp’, er zijn nu dus twee kampen) dan is de zaak nog niet verloren.
Hij stapte onder de douche en schoor zich snel, waarna hij de deur uit ging en tegen me zei dat ik niet op hem hoefde te wachten met eten. In de keukenla kon ik een stapeltje afhaalmenu’s vinden, zei hij. Ook eentje van een Chinees.

Robbert

4 jaren, 4 maanden geleden

De kist

1,0

Veraf achteraf onderaf bovenaf

Vervalsingen zijn eigenlijk niet nodig. Mondriaan zit al overal; geen fractaler kunstenaar dan Mondriaan.
Zoom in, zoom uit en zie de wereld als een klein hoekje van een schilderij van Mondriaan. 't is maar hoe je kijkt, misschien zit hij nog het minst in musea voor kunst met een collectie van voornamelijk voor 1920. meer Mondriaan in het Moma dan in het Teylers, hoewel, ook in het Teylers kun je Mondriaans tegenkomen, want met terugwerkende kracht is bijna alles een Mondriaan, of een hoekje van een Mondriaan: een schilderij van primaire kleuren, vlakken en strepen; daar kun je een wereld mee opbouwen. Mondriaan is lego; Mondriaan is Google Maps, Mondriaan is moleculen. Kaart van elk gebied.

B Punt

4 jaren, 4 maanden geleden

Kunstenaarschap

Chen

1,5

Vlekveld onderuit

De tocht van Schiphol naar het huis van Magda Vlekveld in Buitenveldert, met Li’s bagage en de koker met de Victory Boogie Woogie in de kofferbak, duurde uren. Nog op de lus die Godfried, Chen en Li op de snelweg zou moeten slingeren, begon de Mercedes te pruttelen en te schokken; ineens was het doodstil en gleed de auto sereen met de bocht mee, om in de vluchtstrook verder uit te vieren en dood te vallen.
De wegenwacht bellen was beneden Godfried’s stand. Hij dook onder de motorkap en haalde draden los, bevestigde ze weer; Chen en Li zagen af en toe zijn nagenoeg kale schedel, glimmend en bepareld, toch een fiere bekroning van zijn brein. Met bevuilde handen en vegen op zijn gezicht, de groeven nog dieper en dramatischer, kwam hij weer tevoorschijn.
Toen de auto nog niet wilde starten, dirigeerde hij Li en Chen uit de auto om te duwen.
‘Wat een idioot,’ zei Li tegen Chen terwijl ze met gekromde rug kracht zetten, ‘een soort aapmens, de beschaving moet hier nog uitgevonden worden. Hoe haal je het hoofd om zijn hulp te vragen?’
‘Hij is geen kwaaie, hoor, veel gewauwel waar ik ook niets van begrijp, maar hij brengt ons naar die kunsthistorica, die Vlekvlek. Hij weet waar ze woont, hij zegt dat ze nog iets hebben gehad toen zij nog studeerde.’
‘Iets gehad?’
‘Nou, je weet wel. Ze vielen allemaal voor hem, beweert hij, alle kunstgeschiedenisstudentes. Hij werkte ze een voor een af, hup eroverheen, en dan de volgende. Zo gaat dat hier, Li, echt een beestenbende, ze werken vrouwen af en van standjes weten ze niets, hoe je het een vrouw naar de zin moet maken, ik ben hier nog maar net maar als je eens wist…’
Telkens leek de motor steunend aan te slaan, maar dan stierf het aarzelende geluid nog voor het goed en wel op gang gekomen was. Li en Chen moesten tenminste een halve kilometer geduwd hebben, toen eindelijk een donker grommen opklonk vanonder de motorkap en ze konden instappen, nat van het zweet en de motregen die het Hollandse landschap met zijn snelwegen en bedrijfsgebouwen deed vernevelen tot een idylle uit een andere, gedroomde wereld.

De motorpech was niet het enige oponthoud. Vlak voor de afslag bij het VU ziekenhuis klopte Li op de schouder van Chen en zei hij dat hij eerst naar het Rijksmuseum wilde; hij had in de Beijing Times gelezen dat het heropend was.
‘Alsjeblieft, laten we eerst doen wat we moeten doen, het museum komt later wel. Dan kunnen we daarna samen ook naar de redlightzone, als je wilt,’ zei Chen in het Chinees.
Maar Li stond erop, het hoefde niet lang te duren, hij kende de beroemdste schilderijen wel, hij had ze geschilderd, honderden, duizenden keren, hij wilde ze alleen maar even vergelijken met hoe hij ze schilderde. ‘Weet je, Chen, ik denk eerlijk gezegd dat ik ze in de loop der jaren dus verbeterd heb. Het is pure zen, je verliest jezelf en zinkt weg in de gedachte, of hoe zal ik het zeggen, in de géést van het schilderij. Hoe vaker je het doet, hoe dieper je erin komt. Je wordt het schilderij, bij elke kopie een beetje meer. Wat je dan schildert, kan alleen maar beter zijn dan het origineel. Ik bedoel, het origineel is niet meer dan een vertrekpunt; waar het echt om gaat is de herhaalde oefening.’
‘Wat zitten jullie nou te lullen!’ riep Godfried, ‘wat een fucking brabbeltaal, hoe krijgen jullie het voor elkaar om elkaar ook maar iets aan het verstand te brengen, mán! Je kunt beter twee van die jengelviolen tegen elkaar laten instrijken, je reinste kattengejank.’
‘Li wil naar het Rijksmuseum. Maar dat gaan we niet doen.’
‘Waarom niet? Dat waren echt teringgoede schilders, dat wil je niet weten, die wisten tenminste wat schilderen was.’
‘Hij wil kijken of hij beter is.’
Godfried bulderde van het lachen, ‘goeie gozer. Het kan hem allemaal geen fuck schelen, reputaties, hij gaat voor de kunst, vrijheid blijheid.’
Hij trapte de gaspedaal dieper in, de auto schoot naar voren.

Godfried en Chen dwaalden door de zalen, stonden in mum van tijd weer buiten, dronken koffie, lunchten en gingen op bier over in een café aan het Leidseplein. Met verwondering nam Chen alle oranje versiering op, het roodwitblauw dat ook overal terugkeerde, vreemde, harde kleuren, waarin hij verwantschap zag met de kleuren van de Victory Boogiewoogie – misschien had Mondriaan ooit voor het Hof geschilderd en was zijn kinderlijke kleurpalet in dit land tot wet verheven.
Li was nog steeds in het Rijksmuseum. Godfried had al meerdere biertjes op en werd onrustig. Hij kon het niet laten steeds weer over Li te beginnen, hij was bang dat hij iets met het schilderij aan het uitspoken was, in het Rijksmuseum, of elders.
‘Zonder Vlekveld kan hij er niets mee,’ herhaalde Chen, en Godfried liet zich dan weer in zijn stoel zakken, steeds wanhopiger en stiller, alsof zijn bravoure met de verstrijkende minuten weglekte.
‘Zie je, niets aan de hand,’ riep Chen toen zijn mobieltje leek te exploderen.
‘Weet je, die Victory Boogie Woogie kan me aan m’n reet roesten. Mijn handen tintelen, die energie, ik moet weer eens iets maken. Ik voel het, het is dichtbij, ik kan het niet tegenhouden.’
Terwijl hij opstond, als verzwaard, viel zijn stoel. Hij leek het niet te merken en slingerde tussen de tafels en stoelen door, stootte nog een stoel om en liep naar buiten.
‘Misschien is het beter als jij rijdt,’ zei Li tegen Chen.
‘Er is maar één die in mijn Mercedes rijdt, en die heet Godfried,’ brieste de kunstenaar toen Chen zei dat hij ook kon rijden.
Met een schok, alsof ze gelanceerd werden, verlieten ze de parkeergarage en schoten ze de Van Baerlestraat op. Het bier had Godfried op scherp gezet, zijn zwijgen was onheilspellend, zijn rijden driftig, alsof hij remmend en versnellend, bruut voorrang nemend en andere auto’s afsnijdend, iets wilde openbreken, iets wat hem beknelde, zijn leven, zijn kunstenaarschap. Chen zei niets, in Beijing was hij niet anders gewend, het was hem al opgevallen dat Nederlanders als bejaarden reden. Weer voelde hij ontzag voor de grote, uit botten en vlees opgebouwde Nederlander. Godfried reed dierlijk, op zijn instinct, als een neushoorn die door het oerwoud stampt. Met zijn hoofd zat hij zowat tegen de voorruit aan, telkens wist hij net op tijd bij te sturen of af te remmen.
Hij liet zijn remmen piepen. Jankend schoot de Mercedes vervolgens tientallen meters achteruit, bonkte het trottoir op, voor een laag flatgebouw, waar nooit iets zou gebeuren.
‘Jezus, mán, ze was best een wilde chick, en nu hier, in deze graveyard…’
Chen liep met Godfried mee naar de voordeur, Li bleef in de auto, met de koker over zijn schoot - hij zou er pas uit komen als de professor thuis was.
M.J.A.M.L. Vlekveld’ vermeldde het naambordje. Ze woonde op de begane grond.
Geen gezoem, de gemeenschappelijke hal leeg, behoudens een aardewerken vaas zonder bloemen.
Chen keek op naar Godfried, als een kind.
‘Verdomme, dat ook nog, die kut is niet…’ maar er klonk een klik, als een tikje tegen een glas, amper hoorbaar. De klap waarmee Godfried de deur tegen de stopper duwde, dreunde door het trappenhuis.
Haar voordeur stond op een kier, ‘zie je Chen, Magda verwacht ons al,’ zei de kunstenaar, toch weer monter en energiek.
Ze bleven staan. De kier bleef de kier, daarachter stilte, witte stilte, dat was nog net zichtbaar.
Weer staarde Chen naar de kunstenaar, hij kende de mores van dit land. Op zijn beurt grijnsde de kunstenaar naar de Chinees en liet deurknop in zijn hand verdwijnen.
Geen beweging, iets blokkeerde de deur. Hij zette zijn schouder ertegenaan, hij gebruikte zijn volle gewicht, hij kreeg de deur zover open te krijgen dat hij eromheen kon kijken.
Hij was één bonk zwijgend vlees. Hij zou daar voor een eeuwigheid te staan, een kolos die de tijd weerstond.
‘Krijg de fucking tering, Jezus, mán,’ hoorde Chen hem uiteindelijk zeggen, en hij zette zich schrap en schoof de deur zover open dat ze naar binnen konden.

Edzard

4 jaren, 4 maanden geleden

Liefde en inspiratie

Roderik van Zwaaij

1,7

Een kunstvorm op zich

Roderik van Zwaaij rolde het condoom af en gooide het in de pot. Jezus, wat moest hij pissen! Hij keek hoe het zielige oranje ringetje in de straal spartelde met zijn staart. Een plastic meisjesring noemden ze dat vroeger, onder elkaar. ‘Heb jij een plastic meisjesringetje voor me te leen? Ik krijg bezoek vanavond en…’ ‘Kom jij nog een beetje door je plastic meisjesringen heen, vent!’ Mooie tijd. Vrienden voor het leven. Dat zag je aan Bert, hoe lang had hij die lul niet gezien? Zeker vijf jaar. En ineens had hij aan de telefoon gehangen: ‘Ha Roderik, zeg, jij doet toch in kunst?’ Precies wat hij nodig had op dit moment. Bert nam het hem vast niet kwalijk dat hij Fei Fei had meegenomen. Als het schilderij eenmaal verkocht was dan zou Bert een mooie commissie krijgen, meer geld dan hij ooit bij elkaar had gezien waarschijnlijk. Hoe die vent in zo’n fietsenloods terecht was gekomen, was hem een raadsel, zeker met zulke ouders. Maar Bert was Bert en Bert bleef Bert. Vrienden voor het leven.
Hij liep terug naar het bed. Fei Fei lag uitgespreid over het laken. Ze snurkte zacht. Uitgeput? Voldaan? Hij legde het dekbed over haar heen. Zou ze gemerkt hebben dat hij niet was klaargekomen? Waarschijnlijk niet. Toen hij er genoeg van had, had hij een flinke kreun gegeven en was over haar heen gevallen. Dat moest toch genoeg zijn, vond hij. Liefde en inspiratie.
Hij trok zijn badjas aan, pakte zijn sigaretten en schoof zachtjes de balkondeur. Buiten begon het fris te worden. Hij stak op en inhaleerde diep.
Wat zouden ze bij Christie’s gevloekt hebben! Het schilderij van het jaar, in handen van de vent die zij een maand tevoren verontwaardigd hadden ontslagen. Godver! Natuurlijk was het stom geweest, dat Parool-interview. Hij had zijn bek weer eens voorbijgepraat. ‘Ik verkoop net zo lief een vervalsing’, met zo’n kop vraag je natuurlijk om moeilijkheden. Vandaag bij Van Nieuwkerk had het ook niet veel gescheeld. Dat niemand in de kunstwereld vies is van een vervalsing is één ding, maar dat moet je de buitenwacht natuurlijk niet aan de neus hangen.
Nu kon hij terugslaan. Nu kon hij bewijzen dat hij gelijk had. Hij zou iedereen laten zien hoe de moderne kunsthandel werkt en hij zou er nog goed mee verdienen ook. Hij zou laten zien dat de kunsthandel, als je het goed aanpakt, een kunstvorm op zich kan zijn. Het gaat er niet om wat het is, het gaat erom wat het lijkt, het gaat erom hoe je het noemt. Het gaat om verbeeldingskracht en lef. Liefde en inspiratie.
Waar had hij dat toch gelezen? Liefde en inspiratie. Hij ging naar binnen maar liet de balkondeur op een kier staan. Hij schoof Fei Feis arm opzij om plaats te maken. Ging naast haar liggen. Streelde haar over haar haar. Waarom? Hij had niet het idee dat hij veel om haar gaf. ‘Je geeft me liefde en inspiratie,’ fluisterde hij met een glimlach. Binnen een minuut sliep hij.

Jochem Broe...

4 jaren, 5 maanden geleden

Plastic meisjesringen

1,7

Rijks Museum

Twee in feloranjegele regenjassen gehesen mannen hielden de wacht. Op hun jas de naam ‘VERKEERSREGELAAR’. Ze ontzegden fietsers de toegang tot het fietspad in de onderdoorgang, een verbodsbod alleen was kennelijk niet genoeg in deze stad.

Van de vier draaideuren waren er drie buiten werking. Geen probleem voor de gretige museumbezoekers, die zich met hun tienen tegelijk in de glazen driehoek van de draaideur persten alsof ze er werkelijk tien jaar op gewacht hadden, stapje voor stapje schuifelend naar het zojuist heropende kunstwalhalla: Rembrandt, Vermeer, Van Gogh. Li hield met beide handen een in dik karton ingepakt vierkant voorwerp vast en wrong zich door de deur.

De meisjes in de garderobe werkten er nog maar een week, leken vers uit de verpakking gehaald. Het garderobemeisje bij de sectie A wenkte dat hij mocht komen. Li bood het pakket aan als een door de wol geverfde postbezorger, die niet op weigeren is ingesteld. ‘Uhm, well, Sir, nou ja, although this package is much too big, we can put it, I think, under the desk right here for you, we hold an eye on it, no problem.’ Zijn fiche was A-234. Geen geluksgetal.

Twee rijen mensen schuifelden onder twee bijbelse stenen poorten door, waar een lange jongen met kostschoolscheiding in zijn haar de kaartjes scande. De meeste bezoekers liepen daarna linea recta naar de derde verdieping, naar de Gallery of Honour, zaal 1 van Cinema de Gouden Eeuw. Li echter nam de trappen aan de rechterkant naar eerste verdieping, ging de schuifdeur door en zag hem daar meteen hangen, aan het einde van de lange negentiende eeuw, naast Toorops “The Sea near Katwijk”.

In levenden lijve, bij wijze van spreken: “Oostzijdse Mill along the River Gein by Moonlight” uit 1903 van Piet Mondriaan, het werk waarop hij amper een jaar geleden summa cum laude was afgestudeerd aan het Shanghai Institute of Visual Art. Rustig was het op deze afdeling, waar de meeste aandacht werd getrokken door een zelfportret van Van Gogh waar Japanners een hand onder hielden alsof ze die rossige kop op een presenteerblaadje wilden hebben op de foto. Zo’n smartphone, bedacht Li, is het beste bewijs dat de techniek toch altijd deels vernietigt wat ze beweert vast te willen houden. Hij hoefde niet eens een blik te werpen op “The Nightwatch”, een verdieping hoger, om te weten dat het olieverfschilderij voortdurend in een rode gloed zou staan van red-eye-reduction-licht.

Oostzijdse Mill along the River Gein by Moonlight” – na tien jaar voornamelijk te hebben doorgebracht in de opslagplaats, hing het hier, als aankondiging, een ware belofte van de twintigste eeuw. Precies veertig jaar eerder tot stand gekomen dan dat schilderij dat deze weken zo veel besproken en betwitterd werd. Zeker: dit was een realistisch werk, maar in het oppervlak hielden zich de kleurvlekken, je zou bijna zeggen de pixels klaar om te ontsnappen aan de ordenende menselijke blik, zoals je staand op een wolkenkrabber ook niet de gezichtsuitdrukkingen of zelfs maar de mensen en auto’s waarneemt, maar de kleurvlakken en het raster van de stad.

Toch maar een blik werpen op de Gallery of Honour. The New York Times had geschreven over de hidden gems die de architect in het gebouw verwerkt had. Li keek omhoog, zag bleke blonde drugsverslaafden moedeloos staren naar de chauffeur van de methadonbus: ‘Willibrordus preekt het Christendom tot de Friezen.’ Een jonge vrouw in een gele jurk kwam naast hem staan, zei met een vriendelijk gezicht: ‘Nou, die Friezen hebben er ook niet echt zin in.’

Boven, op de zolderverdieping, een smalle gang, voorbij de stoelen van Berlage en een schaakspel dat een bekende Duitse nazi aan een Nederlandse nazi geschonken had, voorbij een authentiek pak uit een concentratiekamp dat daar ingelijst hing als een heilig object, als de lijkwade van Turijn, naar een hoge vierkante ruimte waar drie Mondriaans tegenover een levensgroot gevechtsvliegtuig uit de Eerste Wereldoorlog hingen, waarbij het vliegtuig in dezelfde primaire kleuren als de doeken geschilderd leek. Een handjevol mensen dat tot de zolder was doorgedrongen keek verveeld naar een film die cineast Joris Ivens – welbekend Chinareiziger – maakte van de Philipsfabrieken in 1931. Li hield voor elke Trafalquar Square vijf minuten stil, als bij een herdenkingsplechtigheid, zonder dat iemand naast hem kwam staan. Hij voelde dat gevechtsvliegtuig in zijn rug hangen als een levensgroot pistool. Een bedreiging, maar van wie of wat?

Met de lift naar beneden. Wat nu? Zo’n Hollandse jenever drinken in het museumrestaurant waar de museumdirecteur zo vol van was geweest in The New Yorker? In de museumshop kocht hij een plastic ring, zo’n ring voor meisjes, met op het zegel een Hollands meesterwerk. De afdruk was er een van Mondriaans Trafalquar Square; als je er een aansteker bij hield veranderde het beeld in dat ene schilderij dat in Den Haag hing, als je tenminste geloofde in de feiten.

Daniel Rovers

4 jaren, 5 maanden geleden

Improvisatie

Magda Vlekveld

1,5

Uit het dagboek van Magda Vlekveld

24 april 13

Ik ben een domme gans. Ik ben een dikke nul. Ik zou het wel even regelen. Ik had de juiste contacten. Ik kon dit allemaal alleen aan. En toen dat echt niet meer ging had ik het juiste advocatenkantoor dat het allemaal voor mij zou organiseren. En voor ik het wist maakte ik mijzelf onsterfelijk belachelijk voor het oog van de wereld.
De dag na die krankzinnige toestand op de Elefteria en de kade - 'psst, vrouwtje, ik heb iets wat jij heel graag wilt zien,' siste de zwerver, en hij knoopte zijn gulp open - zit ik nog altijd verdoofd voor de televisie met mijn magnetronmaaltijd op de salontafel, eenzaam weer als altijd, onnozel weer als altijd, en zap weg van het nieuws over de aanstaande kroning op RTL 4. Ik kom terecht bij De Wereld Draait Door, en daar zit een bont gezelschap opgewonden te oreren over hoe ze aan de derde Victory Boogie Woogie zijn gekomen, en kijk nou, dat Chinese vrouwtje, die Fei Fei, tovert een ruwhouten kistje te voorschijn, en dat zou 'm dan zijn, de enige echte.
Wat een potsierlijke onzin! riep ik woedend. Om te beginnen is het doek veel te klein, nog niet de helft van de VBB in het Gemeentemuseum! Ten tweede ontbreken de zwarte strepen die op de foto's die Chen mailde duidelijk zichtbaar waren. Wat is dit voor belachelijk verhaal? En het journalistje noemt mijn naam om te bewijzen dat dit de enige echte is…
Modder, dacht ik. Het slijk der aarde. En ik ben degene die het over Mondriaans meesterwerk heeft uitgestort. Ik ben de aanstichter van deze wansmakelijke vertoning. Dit is waar blinde ambitie toe leidt. Ik heb mij zand in de ogen laten strooien door onduidelijke documenten en wat vage foto'tjes. Mondriaan had het geduld meer dan een jaar te wachten totdat zijn eerste versie van de VWB zich zo ver van hem had geëmancipeerd dat hij zag waar het schilderij heen wilde. Maar ik meende met alle geweld snel en kordaat te moeten optreden.
Domme kip, mompelde ik. Volmaakt ronde nul. Dat ik voortaan de risee van de kunsthistorische gemeenschap zou zijn kon me al niet meer schelen. Ik had Mondriaans roeping tot het hoge kunstenaarschap te grabbel gegooid en er volksvermaak van laten maken.
En ik werd heel helder. Woordeloos. Stond op. Naar de badkamer. Het medicijnkastje. De strips uit het doosje. Ik plopte de slaappillen een voor een op de wasmachine. Veertien stuks. Geen drama nu. Het glas vol water. De eerste pil was al binnen. In één moeite door ook de tweede, de derde. Ik zag de resterende elf vanaf grote afstand in het holle van mijn hand liggen. En nu allemaal, galmde een stem in mijn hoofd.
Ik zette het glas aan mijn lippen en zou het vonnis voltrekken. Stof zijt gij en tot stof zult gij vergaan. Vergeef me, moeder, ik heb gefaald. Ik hoorde gestommel tussen mijn oren. In mijn hoofd holde een luidruchtige groep mensen rond, sloeg met deuren. Ik legde ze het zwijgen op. De klokken begonnen te luiden.
Is dit wat je wilt, Magda, hoorde ik vaders stem.

Arjen

4 jaren, 5 maanden geleden

Kunstenaarschap

1,7

Ingezonden mededeling: Nieuwe versies

Mondriaan in het voortgezet onderwijs

Piet Mondriaan schreef vrij veel over zijn kunst en over de Stijl-beweging. Hij deed dat onder andere in het blad “De Stijl”. Veel van die artikelen zijn op internet terug te vinden op ‘International Dada Library’. Het artikel De Nieuwe Beelding in de Schilderkunst, staat bijvoorbeeld op http://sdrc.lib.uiowa.edu/dada/De_Stijl/001/001/pages/002.htm

Jammer is dat Mondriaan niet erg goed kon schrijven en zich ook vaak vergiste in zijn stellingnames, hij was nu eenmaal een betere schilder dan schrijver of filosoof. Later is aangetoond dat hij veel van zijn in onze ogen vage opvattingen ontleende aan allerlei niet erg bekende Indiase goeroe’s. Bovendien doen zijn stukken nu wat ouderwets aan, wat uiteraard ook te maken heeft met zijn taalgebruik. Je kunt hem hier geen verwijten over maken, hij schreef nu eenmaal voor zijn eigen tijd en niet voor de onze.

Wanneer u in uw klas aandacht wilt besteden aan Mondriaan is het verstandig om zijn opvattingen aan onze tijd aan te passen. Dit motiveert de leerlingen meer. Wij kunnen u hiervoor materiaal bieden. Sinds 2002 biedt ons bedrijf aan scholen aangepaste, verbeterde en verkorte versies van werken van beroemde filosofen of van andere schrijvers voor gebruik in de hogere klassen van het VWO. Wij hebben een computerprogramma ontwikkeld (Revison) dat van alle grote schrijvers, filosofen en kunstenaars aangepaste versies kan leveren zonder dat aan de intentie van de grote figuren wordt getornd. U kunt ervan verzekerd zijn dat hun opvattingen correct voor het voetlicht komen. Alleen bij evidente fouten of vergissingen zorgen wij voor verbeteringen.

Ook van een aantal werken van Mondriaan hebben we zo’n herschreven versie gemaakt. Hierbij volgt een klein voorbeeld. Eerst geven we u het begin uit Mondriaans artikel De Nieuwe Beelding in de Schilderkunst, met daaronder onze herschreven, veel kortere versie.

1. Piet Mondriaan: ‘De schilderkunst- in wezen eèn en onveranderlijk- heeft zich steeds in zeer onderscheidene uitingen geopenbaard. De achter ons liggende kunstuitingen –die zich als zovele stijlen kenmerken- onderscheiden zich slechts van elkander door oorzaken van stijl en plaats waar zij in wezen èen zijn. Hoe verschillend ook in verschijning kwamen zij toch alle uit éenzelfde bron voort: uit het u n i v e r s e l e, uit het diepste wezen van al het bestaande. Daardoor vertoonen alle historische stijlen eèn gemeenschappelijk streven, n.l. om het u n i v e r s e e l e tot uitdrukking te brengen.’

2. Onze verkorte en verbeterde versie: ‘De schilderkunst verandert. Iedere schilder schildert nu eenmaal anders. Ook vroeger was dat zo. Toch proberen schilders altijd hetzelfde te bereiken: iets algemeens.’

U ziet dat we Mondriaans verwarrende en ongelukkige vergelijkingen van schilderkunstige uitingen met ‘openbaring’ , ‘bron’ en ‘geboorte’ eruit hebben gewerkt. Dit leidt tot onnodige misverstanden die voortkomen uit Mondriaans gebrekkige en gedateerde opvatting over kunst als een ‘wezen’. Wilt u meer informatie of digitale toezending van onze catalogus: stuur ons een email!

Kees 't Hart

4 jaren, 5 maanden geleden

Op de fiets

Joy Puik

1,9

Voor de hoogste bieder

[uitgeschreven gesprek bij De Wereld Draait Door, 15 april jl.]
MvN: … En we hebben vanavond een hele speciale aflevering voor u, want we hebben hier in de studio de Victory Boogie Woogie, het schilderij waar zo veel om te doen is. Aan tafel bij mij Fei Fei, de vrouw die het schilderij naar Nederland heeft gehaald. Welkom, Fei Fei. [applaus]
Fei Fei: [onverstaanbaar]
Bert van Petten: Ze zegt dat ze blij is het schilderij aan het Nederlandse volk te kunnen laten zien.
MvN: En naast haar, haar zaakwaarnemer in Nederland, heb ik dat goed, Bert? [Bert knikt] Bert van Petten! [applaus] Tegenover hen de vrouw die de zaak voor het eerst in het nieuws bracht, Joy Puik, onderzoeksjournalist voor AS3 [applaus] en Roderik van Zwaaij, kunsthandelaar! [applaus]
Fei Fei, met welk doel ben jij naar Nederland gekomen? Wat dacht je toen je hier de haven in voer?
FF: [onverstaanbaar]
BvP: Nou, eh, Fei Fei vindt dat het schilderij hier hoort, in Nederland.
MvN: En hoe kom jij aan het schilderij, Fei Fei?
Fei Fei; [onverstaanbaar]
BvP: Het komt uit New York. Ze vertelt dat het uit New York komt.
MvN: Wat een geluk eigenlijk, Bert, dat jij zo goed Chinees spreekt? Want je hebt Fei Fei toch toevallig ontmoet?
BvP: Ja, ze legde aan vlak voor mijn werkplaats. Ik… Ik spreek niet zo goed Chinees, maar ik begrijp precies wat ze bedoelt hoor. [gelach]
MvN: [na korte stilte, tegen Fei Fei] Mogen we het zien?
[Fei Fei weifelt even, knikt dan]
BvP [haalt een kist te voorschijn]: Hier is het dan. [Opent de kist, haalt het schilderij eruit, geeft het aan Fei Fei. Fei Fei pakt het schilderij aan, draait het naar alle kanten, glimlacht. Applaus]
MvN [bekijkt bewonderend het schilderij]: Nou, ik weet niet wat jullie ervan vinden, maar ik vind het prachtig. Roderik van Zwaaij, hoeveel is zo’n schilderij eigenlijk waard?
Roderik van Zwaaij: Dat hangt ervan af hè. Hoe meer publiciteit het oproept, hoe hoger de prijs.
MvN: Maar zeg eens, hoeveel zou jij er voor geven?
RvZ: Ik wil het niet hebben, ik wil het verkopen! Ik wil het verkopen aan de hoogste bieder!
MvN: Joy Puik, jij hebt contact gehad met Magda Vlekveld, de vrouw die de vorige versie van Victory Boogie Woogie naar Nederland heeft gehaald. Zou zij dit schilderij voor Nederland willen kopen?
JP: Ik kan niet voor mevrouw Vlekveld spreken hoor. Maar ik geloof wel dat zij geïnteresseerd is, anders had ze dat kort geding niet aangespannen. En ze is niet de enige. Veel mensen vinden dat dit schilderij in Nederland thuishoort, in een Nederlands museum, zodat iedereen het kan zien. Nu lijkt het erop dat het aan de hoogste bieder wordt verkocht. Dan is de kans groot dat het ergens in een huiskamer komt te hangen, voor de eigenaar en zijn vrienden.
RvZ: Luister eens, eh, Joy! Dat is natuurlijk een achterhaald standpunt hè. Kunst is niet meer voor de elite, voor die paar mensen die nog een museum bezoeken, kunst is voor het volk. Het volk dat er hard voor gewerkt heeft. Het volk dat het kan betalen. Net als alles in de moderne wereld is kunst een onderdeel van de markt.
BvP: De overheid kan dit toch niet meer betalen. Denk je echt dat de mensen het pikken dat er van hun belastingcenten een schilderij wordt gekocht, en dat ze dan ook nog eens moeten betalen om het te mogen bekijken?
MvN: Roderik, zou jij Fei Fei aan een goede koper kunnen helpen? Heb jij dat soort contacten?
RvZ: Ik heb met een paar mensen gesproken. Verder verklap ik niets.
MvN: Dank jullie wel. En dan gaan we nu…

Han van der...

4 jaren, 5 maanden geleden

Improvisatie

1,9

Improvisatie

Wat is het tegenovergestelde van improvisatie? Je zou zeggen, het tonen van een werk (schilderij, dans, muziekstuk, gedicht enz) dat het resultaat is van lange en overwogen voorbereiding, arbeid en verbetering. Vervolgens is het vastgelegd en voltooid verklaard en wordt dan publiekelijk getoond of opgevoerd. We denken aan toneelstukken, conferences, symfonieën en poëzievoordrachten. Al dat voelen en denken, het maken en verbeteren (dat maanden en soms jaren in beslag heeft genomen) wordt in een paar minuten, een kwartier of een uurtje op ons afgevuurd. Als het goed gaat worden we overrompeld door de rijkdom en gestroomlijnde expressiviteit van wat de makers hebben uitgevonden.
Maar wat we niet willen is al te duidelijk merken dat hier een nauwgezet voorbereid en ingestudeerd werk wordt geboden. De toneelspelers moeten niet klinken alsof ze zich met moeite de ingestudeerde regels herinneren. De symfonie moet klinken alsof ie spontaan opborrelt uit het orkest. We willen het idee hebben dat wat er bedacht is voor onze ogen en oren gebeurt. We willen geen herhaling, maar juist het tot leven komen van het werk meemaken. Het beste is het als een toneelstuk, een conference of een muziekstuk gebracht worden alsof ze zonder moeite, zomaar, voor onze ogen ontstaan. Het liefst moeten al het zoeken en falen, het polijsten en instuderen zijn weggetoverd. We willen niet minder dan getuige zijn van een wonder. De beste performers kunnen de illusie oproepen dat ze hun dans, muziek en tekst ter plekke scheppen en verzinnen.
Het gekke is dat wanneer we getuige zijn van een improvisatie we die des te beter vinden als ie wat rijkdom, verfijning, opbouw en ontwikkeling betreft juist de aspecten heeft van een terdege voorbereid gedicht, conference of muziekstuk. Naar zinloze herhalingen, vergissingen, slap geklets of virtuoze toonladders willen we niet luisteren. Een improvisatie is beter naarmate de uitvoerenden hun vak en hun instrument/lichaam, zo goed beheersen dat ze de indruk wekken ter plekke te componeren, dichten of een choreografie scheppen.
Improvisatie is een spel met het wonder van de inventiviteit, dat alleen maar opzienbarend is als de spelers dankzij hun kennis en vaardigheid (in jaren van studie en oefenen opgebouwd) ter plekke iets moois, grappigs en betekenisvols kunnen laten gebeuren. Improvisatie is een kwestie van snelheid en schijnbare moeiteloosheid. Mensen die vaak en goed improviseren kunnen vooral putten uit een groot repertoire aan voorbeelden, die ze razendsnel kunnen combineren, omkeren, vervormen, verdichten en uitrekken. Die in het moment gemaakte mix levert nieuwe vindingen, combinaties, grappen, melodieën op.
Het echte geheim van improvisatie zit in de frase ‘in het moment’. Oftewel de situatie waarin de speler zich bevindt. Wat maakt daar allemaal deel van uit? De plek en gelegenheid (een podium bij de zee, een begrafenis), een nummer of thema dat als uitgangspunt dient, maar vooral: de andere spelers en het publiek. Improviseren is vooral een vorm van communiceren op hoog niveau. Spelen als verhevigde communicatie. De beste improvisatie moet het hebben van het reageren op impulsen om de speler heen, op de vondsten van anderen.
Het bijzondere van jazz muziek zit hem precies daarin: de groepsgewijze improvisatie is de norm. De jazztraditie bestaat uit uiteenlopende modellen om collectief te improviseren en dus muzikaal met elkaar en de omgeving te communiceren. Dat vereist meestal een thema, een basisritme, afspraken en tekens. Maar de muziek is op z’n best als die niet meer zijn dan een opstapje voor de eigen mix, toon en inventiviteit van de spelers.

Dirk Sr.

4 jaren, 5 maanden geleden

Kinderdagverblijf

Godfried de Ridder

1,4

Naar het kinderdagverblijf met Godfried de Ridder

“Ik heb nu geen zin in jou,” Godfried de Ridder houdt de deur in zijn hand, “ga maar foto’s van eenden maken, weet ik veel, is het geen broedseizoen?”
Het is 9 uur in de morgen, de zon schijnt fel naar binnen, de fotograaf staart Godfried even aan en stapt dan langs hem heen naar binnen. Op de grond liggen tientallen doeken, die schilderijen noemt Godfried ‘zorgenkindjes’. Hij weet niet hoe hij ze af moet maken, de uiteindelijke versie is nog lang niet daar. Op een bijzettafeltje liggen tubes verf klaar, zelfs de dopjes zijn eraf gedraaid. Godfried had gehoopt dat hij onder de verf zou zitten wanneer de fotograaf zou aanbellen, maar hij durfde de hele nacht geen veeg op het doek te zetten. Hij dacht aan een nieuws-item dat hij als kind had gezien. Een meisje, niet ouder dan zes, had tijdens het tekenuurtje een meesterwerk gemaakt. Met ecoline had ze een abstract werk geschilderd. dat iets in mensen ontdooide. Ze werd geïnterviewd, ze zei dat ze niet wist wat ze had gedaan, dat ze gewoon aan het kleuren was. Het stuk werd opgenomen in de collectie van het Guggenheim. Het meisje had niet door dat ze een meesterwerk maakte, ze had het niet door. Die woorden spookten door het hoofd van Godfried. Hij had altijd door waar hij mee bezig was, over elke verfstreek die hij zette dacht hij eerst na, hij verloor zichzelf nooit.
“Van dat werk hoef je geen foto’s te maken.”
De fotograaf draait zich om.
“Ik maak foto’s van je leven, dit is je leven.”
“Weet jij wat Piet Mondriaan deed met een schilderij dat niet lukte?”
“Moet ik raden?”
“Ja, doe maar,” zegt Godfried ongeduldig.
“Strikvraag. Het lukte altijd, want hij ging door tot het goed was?”
“Nee, fout! Ha, hartstikke fout.”
“Wat dan?”
“Hij nam het doek mee naar zijn tuin, zette het neer en schoot het neer met een 9 millimeter pistool. Dat was Piet.”
“Wil je schilderijen gaan afschieten?”
Godfried raakt geïrriteerd: “Een doek is pas een painting als het af is. Nu is het een doek. Je begrijpt het niet. En schieten, ja, dat kan ik helemaal niet. Ik kan dat toch niet? Ik kan niet eens een doek verwoesten, laat staan een goed werk maken.”
Hij gaat zitten op zijn bank, hij weet zichzelf geen houding te geven. De fotograaf knielt voor hem neer en klikt.
“Flikker nou een eind op, zeg.”
Ware kunst komt tot je, die kun je niet verzinnen. Godfried wil zien hoe die ontstaat. De vraag is of zoiets valt af te kijken. Hij wrijft zijn rimpels samen, en snuift een aantal keer hard.
“We gaan op stap,” zegt hij dan.
“Als het buiten is, moet ik een andere lens pakken.”
“Pak die dan.”
“Die ligt thuis.”
“Op een dag is onze samenwerking voorbij, ik hoop dat je dat begrijpt.”
“Ik woon niet ver.”
Een lange stilte.
“Heb jij eigenlijk kinderen?”
“Ja, hoezo?”
“Hoe oud?”
“Drie en vijf, hoezo?”
‘Waar is die driejarige?”
“Bij mijn ex, hoezo?”
De ogen van Godfried beginnen te twinkelen, hij slaat zijn handen in elkaar.
“Eerst halen we je lens, dan halen we de driejarige, en dan gaan we naar een kinderdagverblijf. Ik neem je mee op zoektocht naar ware kunst.”
Een tevreden glimlach straalt op het gezicht van Godfried. Dit is hoe het zal gaan. Hij zal zien hoe kunst in zijn puurste vorm gemaakt wordt, zonder belemmering van enige kennis van zaken. Kunst glijdt zo zonder oordeel van het brein uit de vingers van de kinderen.
“Waarom heb je daar mijn zoon voor nodig?”
“Zeg, zeg, jij bent hier omdat ik je een plezier doe. Nu mag jij mij een plezier doen. Als wij, twee mannen van middelbare leeftijd…”
“Ik ben 28.”
“Als wij, twee mannen van gemiddelde leeftijd een kinderdagverblijf binnen lopen zonder kind, dan is dat is raar. Dat vinden de mensen raar. Daar moet een kind bij.”
“Ik ben niet op zo’n goede voet met mijn ex. Ik weet het niet.”
“Nog beter.”
Een half uur later staan ze voor de deur van de ex. De bel zoemt lang door. De fotograaf draait zich om, haalt zijn handen door zijn haar en vloekt zachtjes. Godfried doet moeite om zijn gezicht strak te houden. De deur gaat open, een vrouw in velours joggingpak doet open.
“Mijn naam is Godfried de Ridder en ik kom uw zoon ophalen.”

Alma Mathijsen

4 jaren, 5 maanden geleden

De kist

1,2

Bekentenissen van een vervalser 1

Vervalsen kan iedereen, en zeker het werk van Mondriaan is geen probleem. Al moet je de problemen rond het juiste canvas, de juiste verf etc etc niet onderschatten. Maar wie de weg weet, kan altijd aan ongebruikt canvas uit de periode 1910-1940 komen en aan verf uit die tijd. Vooral het faillissement van de firma Van Toorn&Zn in 1962 leverde een schat aan materiaal. Men moest eens weten wat en bij wie er verder nog allemaal te krijgen is. Neem alleen de restauratie ateliers van de grote Europese musea. In Italië kun je op de zwarte markt, wel voor veel geld, voortreffelijke verf uit allerlei periodes kopen. Een Mondriaantje schilderen stelt op zich niets voor, al moet je natuurlijk wel zorgen voor de juiste spontane verfstreek. Maar kleurstelling en constructie zijn belachelijk eenvoudig. Probleem is wel de opspanning, preparatie, het craquelé en vooral de catalogisering, Mondriaan hield er een zeer merkwaardige catalogisering op na. Achter op de doeken liet hij allerlei tekens achter waarvan de experts niet altijd weten wat ze betekenen. Dat zou overigens wel een voordeel kunnen zijn. Ik heb me voor de zekerheid aan hem nooit bezondigd, te riskant. Ik legde en leg me toe op tamelijk onbekende meesters met potentie. Stijgers, zal ik maar zeggen. Schilders uit de periode 1910-1960 die voorlopig nog alleen in kleine kring bekend zijn maar langzamerhand wel de aandacht beginnen te trekken. Je kunt daar als vervalser zelf ook een beetje bij helpen als je een vriendje hebt dat over kunst schrijft. Zorg ervoor dat hij (of zij) in de juiste bladen een paar artikelen over die onbekende maar talentvolle, liefst jong gestorven meester schrijft. Of zijn naam af en toe laat vallen in overzichten.

De bekendste Nederlandse vervalser is Geert Jan Jansen, ik bewonder hem zeer. Hij geeft in interviews en beschouwingen van de laatste jaren een inkijkje in zijn werk maar hij blijft de nadruk leggen op zijn schilderkunst. Dat het zo knap is. Allemaal romantiek, bij Jansen ging het niet om geld maar om erkenning, dat heeft hem de das om gedaan, net als Van Megeren overigens. Bij mij gaat het om geld. Men dient goed te beseffen dat Jansen alleen een mooie vervalsers carrière van de grond kon krijgen via zijn grote kennis van de kunstwereld en van de kunsthandel. Ook zijn kennis van de praktijken bij veilinghuizen was en is fenomenaal. Nog steeds kent hij vrijwel alle veiling experts in Europa, al willen die nu natuurlijk niets meer met hem te maken hebben. Hij wist iedereen op razend knappe manier een rad voor ogen te draaien, niet zozeer met zijn schilderkunst, als wel met de verhalen erom heen. Hij creëerde goed opgebouwde en vooral weinig controleerbare illusies over de afkomst van de schilderijen. In zijn verhalen achteraf probeert hij tegenwoordig juist dit aspect van zijn werk onder de tafel te schuiven. Schilderijen vervalsen is niet een kwestie van goed schilderen, wist ook hij, maar vooral van het creëren van geloofwaardige afkomst verhalen. Waar komt het doek vandaan? Valt dit te controleren? Dit is meer dan het halve werk. En uiteraard speelde hij in op de hebzucht van de kunstwereld.

Ik heb me dus nooit met Mondriaan’s Stijlperiode ingelaten, wel met zijn bloemenwerk, dat hij af en toe voor geld maakte, daar liggen nu eenmaal kansen. Ik heb er in de jaren tachtig een paar geleverd voor een veilinghuis in Dordrecht. Let op: mijd de grote veilinghuizen, vooral in het begin van uw vervalsings carrière. Ga in zee met de kleinere huizen, daar leven nog grote ambities en is de wil een onbekend werk op de markt te brengen veel groter. De opbrengst van de bloemenwerken viel overigens tegen (15.000 gulden per stuk). Mondriaans werk uit de Stijlperiode is helaas grondig gedocumenteerd. Een beetje conservator Moderne Kunst laat zich niet gemakkelijk in de luren leggen met een verhaal over een doek van Mondriaan dat in een Chinese vrachtboot in de Rotterdamse haven is aangetroffen zoals men op het ogenblik beweert. Daar prik je zo doorheen. Dat is absoluut niet serieus te nemen. Chinese scheepskapitein met doek van Mondriaan? Uit zijn Amerikaanse periode? Ja, morgen brengen. Waar is de geloofwaardige illusie? Deze oplichters club bakt er niets van. Je moet een wereld creëren, een stemming oproepen en uiteraard de aandacht afleiden van waar het je om gaat. Geld! Deze groep leidt de aandacht niet af van waar het om gaat, maar versterkt die juist. En dan al die publiciteit in de pers! Belachelijk, daar zit je als vervalser niet op te wachten.

In de komende afleveringen zal ik een aantal gevallen uit mijn praktijk behandelen. Helaas kan ik geen namen noemen van landelijke kunstexperts en medewerkers van veilinghuizen. Het is niet de bedoeling dat zij in problemen komen, ik tel onder hen een paar zeer goede vrienden die ik niet in diskrediet wil brengen. Ook de namen van mijn medewerkers kan ik niet onthullen. Wel kan ik zeggen dat we met vijf personen in teamverband werken. Allemaal brengen we onze eigen expertise in. Die van mij rust op kennis van de kunsthistorie en mijn schildercapaciteiten, al moet men die laatste niet overschatten. Een collega is een expert in veilingen en veilinghuizen. Mijn andere collega’s zijn van huis uit meubelmaker, journalist en scheikundige. De laatste helpt mee met schilderen. We startten onze praktijk een jaar of dertig geleden toen we een klein schilderijtje van een jong gestorven Nederlandse schilder, zogenaamd uit de erfenis van een oud tante van deze schilder, op de markt brachten. In een veilinghuis in Amsterdam. Het bracht dertigduizend gulden op. Achteraf beseften we dat we enorme risico’s liepen. Ons verhaal bevatte grote hiaten, we namen veel te grote risico’s. Maar het liep goed af. En we wilden meer.
(wordt vervolgd)

Kees 't Hart

4 jaren, 5 maanden geleden

Pingpong

1,0

Pingpong

In 1902 verscheen bij de American Sports Publishing Company een handleiding voor tafeltennis: “Table tennis; a description of the game, with rules and instructions for playing.” Het boekje van 84 pagina’s vangt aan met wat fait divers. Tafeltennis heet ook wel: Whiff-Whaff, Pom-Pom en Ping-Pong. Het spel komt uit Japan, waar het al bijna tweeduizend jaar wordt gespeeld. Het huidige succes komt door de nieuwe balletjes van celluloid, in plaats van rubber.
Dan volgen de spelinstructies. Er staan illustraties bij van een heer in jacquet, die de slagen voordoet. Zo’n instructieboekje is eigenlijk onzinnig, schrijft de anonieme auteur vervolgens. Je moet niet lezen, maar spélen. Hij staakt zijn uitleg dus, maar spreekt nog wel de hoop uit dat zijn publiek het spel op de juiste wijze zal spelen, en met de juiste uitrusting.

Die juiste uitrusting, zo blijkt, is te koop bij A. G. Spalding & Bros., 126 Nassau Street, New York. Het materiaal uit die winkel is gemaakt volgens de regels van de sportbonden: deze spullen zijn ‘official’.
Wat volgt zijn advertenties. Ruim de helft van de 84 pagina’s van het boekje bestaat uit reclame. Het is een folder. De belangrijkste spelregel is: koop de juiste spullen, wees officieel.
Elk spelletje verandert vroeg of laat in een business, met officiële regels en officiële sponsoren. Elk spel wordt vanzelf een serieus regime.

Eén van de eerste videogames was Pong, uit 1972. Het ging om een computervariant van tafeltennis. Het batje bestond uit een paar pixels die je op en neer moest bewegen om het balletje naar je medespeler – vaak de computer zelf – terug te kaatsen. Dit spel was de voorloper van de gigantische videogame-industrie van nu.
Ik ben met spelletjes gestopt rond mijn twaalfde. Ik denk dat Prince of Persia de laatste was. Soms ben ik bang dat ik nu een essentieel aspect van mijn eigen tijd aan het missen ben. Spelletjes zijn nu overal, en zijn een gewichtige zaak geworden, met lectoraten en professoraten en kunstenaars. Het verkleinwoordje mag niet meer. ‘Spelletje’ staat tot game zoals ‘pingpong’ staat tot tafeltennis en ‘strip’ staat tot graphic novel.
Het enige spelletje dat mij na mijn vijftiende nog kon bekoren is de klassieker Snake, op mijn mobiele telefoon. Je bent een slang die steeds een hapje moet nemen zonder jezelf aan te raken. Bij elk hapje groeit je staart. Hoe verder je vordert, hoe benauwder je het krijgt, omdat er steeds meer slang is en steeds minder manoeuvreerruimte.
Dat is mooi sardonisch: hoe beter je bent, hoe moeilijker je het jezelf maakt. En hoe goed je het ook doet, winnen kun je niet. Dat maakt Snake een embleem van het leven zelf. Je bent onderworpen aan instructies die je niet zelf bedacht; er is geen uitgang; hoe goed je het ook doet, je bent straks af.
Elke game is een gesloten systeem. Dat is unfair. Dus ik ben met spelletjes gestopt.
Maar de laatste jaren komen spelletjes ongevraagd terug in mijn leven.
September 2012, bijvoorbeeld, kwam zorgverzekeraar Menzis met een spel waarbij je punten kon verdienen door gezond te leven. Dit spel heet SamenGezond. Je krijgt punten als je niet rookt of een marathon loopt. Die punten kun je inruilen voor cadeaus en kortingen.
Hier wordt een spelelement gebruikt om gedrag te beïnvloeden. Zo’n toepassing heet gamification.
Ander voorbeeld. Een vriend liet me laatst een rubber armbandje zien met ledlampjes en een sensor. Het is de Nike FuelBand. Het ding registreert al zijn bewegingen en turft hoeveel calorieën hij verbrandt. Hij kan zelf doelen instellen of via Facebook een competitie beginnen met vrienden.

De gedachte dat een lastige taak leuk wordt al je er een spelletje van maakt is niet nieuw. Mary Poppins zong in 1964 al: ‘a spoonful of sugar helps the medicine go down’. Dat lied begint met de volgende, gesproken woorden:
‘In ev’ry job that must be done
There is an element of fun
You find the fun and snap!
The job’s a game’.
Zulk zelfbedrog werkt soms. Bijvoorbeeld als je een raceparcours uitzet voor je stofzuiger om zo het schoonmaken te veraangenamen. Maar het is al anders als je de regels niet zelf hebt bedacht, als het gaat om klassieke gedragsbeïnvloeding. De internetcriticus Evgeny Morozov (1984) beschrijft ergens hoe er in de Sovjet-Unie ook al aan een soort gamification werd gedaan: als studenten naar het platteland werden gestuurd om te helpen met oogsten, was er ter motivatie een puntensysteem.
Snap! The job’s a game!
Life is a sport!
Gamification is dus iets ouds, maar het nieuwe is dat het nu alomtegenwoordig is. Het spel wordt nu massaal misbruikt voor een doel buiten het spel zelf. Sport en spel met bijbedoelingen. Alles is een profcompetitie geworden. Alles wordt spel – maar niet op een postmoderne wijze, niet pour le sport, niet l’art pour l’art.
Het risico is dat je niet werk verandert in spel, maar spel in werk. Dat je tafeltennis speelt, niet voor de lol, maar om punten te sparen voor je verzekering.
De slang moet zich altijd in eigen staart bijten. Gister kreeg ik een bericht dat ik een bijdrage mocht schrijven over pingpong. Ik heb mij, met bokkensprongen, keurig aan de regels gehouden. Maar misschien ben ik te solistisch voor het sociale, voor gezelschapsspel; misschien benauwen mij de regels te veel – heb ik nu al spijt dat ik mij aan instructies hield.
Er bestaat een oude, kwijnende, romantische opvatting van het kunstenaarschap. Dat de kunstenaar een eenling is die de regels juist aan de laars lapt. Die alleen binnen de lijntjes kleurt als hij die lijntjes zelf heeft uitgezet. Voor wie ‘spel’ en ‘regels’ tegenpolen zijn en het woord ‘spelregels’ een oxymoron. De verdwijnende traditie die zei dat de goede kunstenaar spelbreker is, omdat andermans instructies – zie kookboeken, algoritmen – nooit tot kunst leiden, hooguit tot gepingpong en recreativiteit.

Arie Willem...

4 jaren, 5 maanden geleden

Kunst in China

Joy Puik

1,2

Tweede keus

Joy Puik
to: Samantha Borger
date: 16 april 2013 11.55
subject: Terug bij af

Smeltpunt van mijn zinnen!
Ik zit in de kantine van de bibliotheek. Vannacht om een uur of 4 (reden genoeg om wakker te liggen, daar kom ik zo op) begreep ik dat ik vrijwel niets van die hele Mondriaan weet. Behalve wat ik bij die toestand met de tweede Victory Boogie Woogie uit de krant heb begrepen. Dus vanochtend is Joy naar de bibliotheek getrokken en heeft een hele stapel boeken uit de kast getrokken, voor een snelcursus. Een vreemd, streng en ongenaakbaar mannetje, die Mondriaan.
Ze hebben hier een retecool boek, ‘Victory Boogie Woogie uitgepakt’. Allemaal artikelen over absurde details van dat schilderij, over welke laagjes Mondriaan het eerst op het doek zette, op welk lijntje zijn kwast toch een beetje uitschoot, welke plakkertjes hij eerst waar plakte voor hij ze weer ergens anders plakte, waarna ze van het schilderij afvielen en het weer eens gerestaureerd moest worden. Hij heeft bijna twee jaar aan dat ene schilderij zitten prutsen. Geen wonder dat Vlekveld denkt dat hij er wel een ander schilderijtje tussendoor heeft kunnen doen. Maar zoals met zo veel dingen, bijvoorbeeld met eigenlijk heel veel stukjes van jouw huid en haar: hoe dichter je er met je neus op zit, hoe spannender het wordt.
Ik zoek een nieuwe invalshoek op de toestand met het schilderij. Want mijn mooie plan is nomdeteringbilletjes geheel in het IJ gevallen. Toen ik Vlekveld vertelde dat ik wel te weten kon komen waar het schilderij was, dacht ik al dat Fei Fei (dat sneue vrouwtje van Chen, had ik verteld dat ze Fei Fei heet?) er iets mee te maken had. Wat heeft het voor zin een schilderij te stelen dat je niet kunt verkopen omdat iedereen weet dat je het gestolen hebt? Er is maar één persoon voor wie dat zin heeft, die het kan stelen èn verkopen: Fei Fei. Want als Chen en zij inderdaad getrouwd zijn is zij mede-eigenaar (of zou de Chinese wet daar anders in zijn?) Waarschijnlijk is ze opgejut door die groezelige fietsenbaas bij wie ze de hele tijd zit thee te drinken. Ik krijg sterk de indruk dat ze er wel eens een koekje bij nemen ook, op zijn zachtst gezegd. Maar net toen ik die kerel wilde gaan opzoeken om het schilderij in handen te krijgen en zo Vlekvelds eeuwige dankbaarheid te oogsten werd ik opgebeld door De Wereld Draait Door. Of ik ’s avonds naar de studio wilde komen, want de uitzending zou over de Victory Boogie Woogie gaan. Later hoorde ik dat ik tweede keus was: ze hadden eerst Vlekveld gebeld, maar die had resoluut geweigerd. En geef haar eens ongelijk. Het is natuurlijk al niet fraai dat het schilderij is ontvreemd zodra zij het beslag had laten opleggen, en de kans dat ze het ooit voor Nederland kan verwerven is angstwekkend klein geworden.
Snel Tess gebeld, die kon gelukkig oppassen. Mingus een zoen en een aai over zijn bol gegeven, en hop, naar Hilversum.

Han van der...

4 jaren, 5 maanden geleden

Kunstenaarschap

1,4

Kruishout der interpreten

Gelijk de hoer van Parijs kijkt
het stratenplan van Broadway
de adelaar uit Amersfoort aan.

Slierten vierkantjes dansen hun
raamwerk uit in de richting van
de laatste overwinning op het vlak.

Neoplasticisme, weet je nog?

Een achtste slag later duikt uit een
grauwe wolkenlucht het spitsuur op.
Had het ding bestaan, toonde het

schots opgehangen televisietoestel
waterpas zijn testbeeld. Vervaarlijk
duwt het wit zichzelf de kamer in.

Gemakkelijk, dacht je dat?

Kralensnoeren van talloze tureluurse
dobbelstenen kruisen dwars door
robotisch idiote breipatronen.

En toen was hij dood.

Mitch

4 jaren, 5 maanden geleden

Vervalsing

1,4

Liefde & Inspiratie (vervolg)

Ach, al die mythes! Het schilderij zou niet afgekomen zijn omdat hij dood ging. Maar misschien lag het wel precies omgekeerd. Misschien ging hij wel dood omdat hij zag dat het schilderij nooit af kòn komen, nooit af mòest komen. Het moest voor altijd open en in beweging blijven, dat was de kwintessens, daarin zat 'm de overwinning. In het feit dat dit schilderij het hele idee dat het nog af moest komen openlijk bespotte, en dat de schilder dat, met dank aan zijn naderende dood, kon toestaan. Van de officiële lezing dat het woord Victory in de titel naar het naderende einde van de Tweede Wereldoorlog verwees, blijft dan niet meer over dan een grap. De apolitieke Mondriaan in de rol van Churchill, haha!
Ja, het kan niet anders of in de komende eeuw zal het verhaal van Mondriaan weer helemaal opnieuw worden verteld, en beter. Neem die andere hardnekkige mythe, dat zijn carrière een soort bergtocht was die begon in het dal van de figuratie en eindigde op de top van de abstractie. Maar als hij al ooit bovenop die berg is geweest dan was het tien of twaalf jaar eerder, toen hij enige tijd alleen maar een paar lijnen op verder geheel witte vlakken schilderde. Als je dan naar Victory Boogie Woogie kijkt begrijp je dat hij op het eind die berg allang was overgestoken, om uiteindelijk weer bij het volle leven uit te komen, bij het feest en de uitbundige dans.
Daarom zijn al degenen die zeggen dat Mondriaans zwanenzang abstract is, wat dus betekent zonder melodie, al net zulke napraters als wie dat beweren van de Boogie Woogie zelf. Die zou de melodie hebben uitgebannen ten bate van het ritme en de harmonie. Maar als dat zo was, hoe zou deze muziekvorm dan ooit zo'n enorm succes hebben kunnen worden, om te beginnen bij Piet Mondriaan? Hij mag er dan naar hebben gestreefd om hermetisch te zijn en daarmee elke wereldse interpretatie van zijn werk onmogelijk te maken, dat is hem net zo min gelukt als het de jazzmusici lukte om de melodie eruit te gooien. Gerrit Zalm en Nout Wellink, die Victory Boogie Woogie destijds voor tachtig miljoen gulden hebben aangekocht, dachten er duidelijk anders over, want zij verklaarden achteraf zelf niets in het schilderij te zien. Wij daarentegen zien er elke dag iets anders in, mens-erger-je-niet, zinderende metropool, partituur, choreografie…
Waar kom je uit als je het open einde dat Mondriaan ons heeft nagelaten zelf invult? Wat zou er van hem zijn geworden wanneer hij een halve eeuw langer had geleefd? Ongetwijfeld een performancekunstenaar. Langzaam zouden al die gekleurde stukjes tape, die de dieptewerking op de kruispunten van lijnen moesten opheffen, zich hebben losgemaakt van het doek en zich aan Piets eigen huid hebben vastgekleefd. En hij zou, aldus bepokt en bemazeld, op een niet te stuiten wijze zijn gaan dansen - met al zijn 52 vrouwen, iedere week een ander.
En dus kunnen we alvast van één ding uitgaan: wat er uiteindelijk ook in die kist uit China zal blijken te zitten, als het een af schilderij is, is het zeker niet van Piet.

Cornel Bier...

4 jaren, 5 maanden geleden