Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: De geest van Piet

Godfried de Ridder

Personage: Godfried de Ridder

Naar het kinderdagverblijf met Godfried de Ridder, Deel 3

Proza door Alma MathijsenGastbijdrage – 5 jaren, 5 maanden geleden

Stefan Kosakowski is al een week niet meer bij Godfried de Ridder geweest. Het is opmerkelijk, zoveel weet Godfried zeker. Toch zal hij geen moeite doen om te achterhalen waar Stefan is gebleven. Op dit moment staat er iets groots te gebeuren, iets waar Godfried zich volledig aan moet toewijden. Hij moet nu de kunstenaar zijn waar hij altijd tegen opgekeken heeft. De kunstenaar die niet stopt met werken, de kunstenaar die niet slaapt, de kunstenaar die niet eet, de kunstenaar die continue opofferingen maakt voor het grotere goed: het kunstwerk. Voor het eerst in zijn leven glijdt het werk door zijn handen, zonder dat zijn brein hem in de weg zit. Tijdens zijn studie op de academie las hij een ontelbaar aantal boeken over de kunst van het maken. Overal stond dat de kunstenaar de regels van het kunstwerk moest volgen en niet andersom. Uiteindelijk zou een gedicht, schilderij, installatie, wat dan ook, op zichzelf moeten staan, de maker is secundair. Dat was Godfried nooit eerder gelukt. Nu wel. Aan de ene kant verrukt het hem, aan de andere kant stelt het hem licht teleur. Al wil hij dat zeker niet toegeven. Als alleen het kunstwerk er toe doet, zal de aandacht daarmee ook naar het kunstwerk gaan en niet naar de kunstenaar. Net zo als bij de VBW. Niemand heeft het nog over Piet. Piet is secundair. Wie is Piet?
Met een bijtel in zijn hand gaat Godfried voor het eerst sinds 13 uur zitten. Hij kijkt naar de installatie die bijna zijn hele studio heeft overgenomen. Vliegensvlug springt hij op, hij mag nu niet gaan nadenken. Dit moet af. Dit moet af. Nu reflecteren zou alles kapot kunnen maken. Hij pakt een fiets van de vloer, tilt hem boven zijn schouders, dan gaat de bel. Met het voertuig boven zijn kop twijfelt hij of hij open zal doen. Nee. Nu is niet het moment. De bel gaat weer. Godfried pakt zijn lasapparaat, hij speurt naar een gezichtskap. Dan maar zonder, ik knijp mijn ogen wel dicht, denkt Godfried.
“Godfried!” klinkt van achter de deur.
Weer de bel, die nu onafgebroken door de studio heen ratelt. Godfried zet het lasapparaat aan, hij zal het sterkste ijzer ombuigen, zolang het maar veel kabaal maakt. De stem en de bel blijven in zijn hoofd naklinken. Zijn goede opvoeding zit hem wederom in de weg. Met een diepe zucht smijt hij zijn gereedschap op de grond.
“Goed, wat willen de mensen nu van Godfried? Wat willen ze?”
Met een ferme handruk trekt hij de deur open. Daar staat het meisje dat vorige week nog met Stefan mee liep, haar naam is Godfried al lang weer vergeten. Haar gezicht niet, zulke gezichten vergeet niemand. Bovendien had ze op haar knieën gezeten voor Stefan, iets wat Godfried niet goedkeurde. Al geloofde hij dat ze het liever wilde dan Stefan zelf. Haar gezicht is ditmaal vuurrood en betraand.
“Godfried.”
Het doet hem goed zijn eigen naam te horen.
“Je moet helpen. Mijn school… mijn school… ze hebben…”
Godfried kijkt naar het jonge meisje, haar neus is zo scherp, alsof die met potlood getekend is.
“Stefan is opgepakt. Hij zit vast. Het is allemaal mijn schuld. Ik…”
Waarom is het altijd het leven dat zijn hoofd om de hoek steekt wanneer Godfried iets maakt van belang? Stefan heeft Godfried uit de brand geholpen toen hij onder tientallen mislukte kunstwerken zwoor dat het nooit meer goed zou komen. En nu heeft Godfried de kans hetzelfde te doen voor Stefan. Godfried kijkt naar zijn werk, als hij het nu in de steek laat, weet hij niet wat er zal gebeuren. Het is als een huilend kind, dat zonder moeder stikt in zijn eigen spuug. Een goed kunstwerk hangt af van zoveel factoren.
“Godfried, jij moet helpen. Ze gebruiken mijn stageverslag als bewijs. Je bent de enige getuige.”
Godfried schraapt zijn keel.