Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Cultuur in crisistijd

Fei Fei

Personage: Fei Fei

Op naar de haven

Proza door Robbert – 5 jaren, 6 maanden geleden

Weet je, Roderik kreeg de Victory maar niet verkocht aan een van zijn ‘vriendjes’ en de tijd verstreek, er gebeurde niets, het schilderij lag stof te verzamelen in het depot van het Rijksmuseum, dus ik heb het heft maar weer eens in eigen hand genomen. Sommige mannen… ze brengen met veel kabaal dingen wel aardig op gang, maar ze bezitten zelden de kracht om hun plan werkelijk tot een einde te brengen.

Dus belde ik Bert op – hij beweerde tenminste nooit meer te zijn dan hij was. Hij kwam me in zijn oude Peugeot ophalen uit zo’n slagroomtaartig vijfsterrenhotel. Oet oet, drukte hij op zijn stuur en uit zijn opengedraaide raam riep hij in het Engels iets van: ‘Hé wijfie, hier zo’. Waarop ik, als een hoertje, in zijn raam voorover boog en hem mijn waar aanbood. Hij kon zijn lach maar met moeite onderdrukken.

Van alle Nederlanders had ik Bert als eerste ontmoet, in zijn loods, nadat ik een voet op de kade had gezet: hij als geen ander zou me ook weer terug naar die plek moeten brengen. Wat een grap: het begon in de haven, het piekte even in een vijfsterrenhotel en nu gaan we weer terug naar de haven. Is dat niet het leven in het kort? Je bent niets, dan ben je even iets, en daarna keer je weer terug naar het begin.

We haalden de Victory op uit het depot van het Rijksmuseum. Ze sputterden wel tegen, dat had ik verwacht, maar ze hadden geen poot om op te staan. Ik ben tenslotte nog steeds de eigenaar.

Op weg naar de haven pikten we Botering op. Bert en Botering raakten meteen in een vurig gesprek verwikkeld, waarbij Bert regelmatig achterom keek naar Botering op de achterbank, waardoor een paar keer een ongeluk maar net werd vermeden. Want het is uitgelekt dat de gemeente Amsterdam de twee werken wil kòpen, terwijl Gemeentemuseum Den Haag hun VBW juist wil vèrkopen. Andere media spraken dit gerucht weer tegen: niet de VBW uit Den Haag zullen ‘we’ verkopen, juist èèn van de twee laatst opgedoken versies gaat verkocht worden aan China. Welke van de twee is dan weer onduidelijk. Of toch allebei? Interessant aan deze discussie vond Botering dat het niet langer om de kwestie van het geld ging: in de discussie was het woordje ‘we’ steeds vaker gevallen. ‘We gaan deze werken niet zomaar laten weghalen naar China,’ is de protesttoon van een groeiende groep mensen die de kunstwerken als Nederlands gedachtegoed is gaan toe-eigenen.

Bert was het hier helemaal mee eens, en reed bijna van de weg af, toen hij zich, met het stuur in zijn handen geklemd, naar Botering omdraaide. Sterker nog, riep hij boven de motor uit, nu komt naar boven wat al langere tijd onder de oppervlakte van de maatschappij borrelt (of eigenlijk had hij het laatst in de column van een krant gelezen): we worden eindelijk verlost van de terreur van de wansmaak. Er zijn te veel mensen die er genoeg van hebben dat Nederland de afgelopen jaren in een soort Volendam aan het veranderen was, waar Geert Wilders als een held werd gezien. Die tijd is voorbij, hij heeft afgedaan en deze kunstwerken staan symbool voor een nieuwe orde. We hervinden ons en iemand uit het buitenland, uit China nota bene, heeft ons ons besef van waarde teruggegeven. Dus gaan we dat nu niet alweer weggeven. De werken hebben hun plek hier, als onderdeel van de geschiedenis van dit land. En van de toekomst, vulde Botering met zijn piepstemmetje aan. En dit allemaal is in gang gezet door iemand van buìtenàf, herhaalde Bert hoofdschuddend, een beetje geëmotioneerd. En hij keek veelbetekenend naar mij.

We reden de haven binnen terwijl er boven ons een vliegtuig overvloog. Tijdens die oorverdovende herrie zag ik Chen op de boot staan. Opeens leek het allemaal weer zo dichtbij, wij twee, dagenlang op dat bootje op zee, hopend op geluk, en die momenten met hem kwamen me niet langer als beklemmend voor, zoals het toen wel leek, maar juist gezellig en vertrouwd, die momenten wàren het geluk. Naar dat geluk riep ik uit het autoraam: ‘Chen! Chen!’

Hij stapte de kade op en ik stapte de auto uit. Hij leek verrast me te zien, hij leek iemand anders te verwachten, was afgeleid. Ik had op een kus en omhelzing gehoopt. Daar, op de kade, dat zou toch mooi zijn geweest? Hij zei dat hij inderdaad ieder moment Wong verwachtte. Waar ik meteen zenuwachtig van werd. Wong, hier? Ik dacht hem juist achtergelaten te hebben, daar, in de stad. Intussen waren Botering en Bert ook uit de auto gestapt, met de Victory. Ik wilde dat werk aan Chen geven, in een verzoeningspoging, maar ik zag Bert ermee weglopen, richting een loods. En zag ik daar nu een glimmende zwarte auto aan komen rijden? Er gebeurde zoveel tegelijk, ik had me het weerzien heel anders voorgesteld.