Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

De kleine rivier

Proza door Sanneke van HasselGastbijdrage – 6 jaren, 6 maanden geleden

Nadat ik Roderik had gesproken, belde ik niet met Wong: ik sloop het hotel uit. Bij de receptie, op de trappen keek niemand op of om en toch was het alsof ik ontsnapte. De afgelopen tijd had ik op zoveel plekken opgesloten gezeten, eerst op het schip, toen in het appartement van Roderick. En dan had je de uitstapjes, als bubbels in de tijd: de avond in de televisiestudio, het weerzien met Chen in een warenhuis, de morsige hotelkamer, de roulettetafel waar ik Wong ontmoette. Ik was op veel plaatsen geweest maar overal was ik mee naartoe genomen of heengebracht, gedropt of begeleid als iemand die onder toezicht staat.
Het was een van de eerste mooie dagen sinds onze aankomst. De lucht was waterig blauw. De kleine rivier die midden door de stad liep glom. Ik bleef er langs lopen, zo dicht mogelijk langs de kade, de auto’s en fietsen die er geparkeerd stonden omzeilend. Er stonden planten in teilen en potten. Ik herkende rode tulpen en een kleine bamboesoort maar veel planten kende ik ook niet. Het groeide lukraak door elkaar, zonder orde of structuur. De bomen hadden nog net die lichtgroene kleur van het vroege voorjaar. In de rivier lagen boten waar mensen op woonden. Sommige boten lagen zij aan zij. Om op de achterste te komen moest je over het dek van de buren lopen. Door een open raam zag ik een man in blote bast die zich uitrekte. Hij zette zingend koffie. In Nederland gebeurde veel in het openbaar. Men riep, men schreeuwde, men toonde zich. Men sprak zich uit. Zwijgen was niet de sterkste kant van de Nederlanders, ik hoefde alleen maar te knikken en er was me van alles verteld de afgelopen weken, behalve hun strategieën bij de verkoop van die schilderijen hadden de Hollandse mannen me hun levens uit de doeken gedaan. Van Roderick wist ik inmiddels alles over zijn bazige moeder, journalisten hadden me steevast aangesproken of ik hun beste vriendin was. Steeds keken ze me recht in de ogen, alsof ze me gingen aanvallen.
Een bel rinkelde, ik sprong opzij, een man met twee kinderen in een soort bakje voorop zijn fiets, reed me bijna omver. Hij was aan het bellen. Hij leek een beetje op die presentator van die talkshow, van dat woeste haar. Je kon wel zien dat ze hier nog van de Vikingen afstamden. De kinderen zagen er al even woest uit, hun lichtblonde haren waren ongekamd en ze gilden boven het gerammel van het voertuig uit. Een had een hondje op schoot dat luid begon te keffen toen de man om een geparkeerd busje heen laveerde.
Ik liep langs een groot gebouw, het was zeker honderd jaar oud. Hermitage Amsterdam stond erop, de mensen ervoor droegen sportieve jacks. Dat viel me ook op, veel mensen zagen er hier uit of ze net uit bed kwamen of op het punt stonden een grote sportieve prestatie te gaan leveren.
Trams rinkelden en passeerden elkaar. Wit en blauw. Ik stak over tussen vele nationaliteiten. Een groep Japanners volgde een gids, de paraplu’s in de aanslag. Een plein met een rond bakstenen gebouw met veel glas, grote wit met roze taart. Langs de rivier stonden bankjes, ik ging zitten en zag een witte zwaan die dobberde op het grauwe water. Mijn jas was te dun en toch was het goed om hier te zijn, alleen op een bankje aan de kleine stadsrivier, met niemand die iets van me wilde. Even dacht ik dat dit zelfs beter was dan het zwijgend naast Chen zitten. En die ene gedachte zorgde ervoor dat ik een besluit nam.