Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: De prijs van kunst

Chen

Personage: Chen

Terug naar waar het allemaal begon: op de Elefteria

Proza door Edzard – 5 jaren, 6 maanden geleden

Voorop liep Li, dat wil zeggen, achterwaarts en angstvallig omlaag kijken, naar het donkere water. Dan volgde de kist met de Victory Boogie Woogie, een halve meter zwevend boven de loopplank. Tot slot kwam Chen, enigszins gebukt, zijn gezicht vertrokken en zijn handen om de onderkant van de kist geklemd. Na een knikje van Chen zakten hij en Li door hun knieën en zetten ze het schilderij op het dek. Beiden strekten en bogen hun vingers, veegden ook het zweet van hun voorhoofd. Ze leken elkaar na te bootsen, de een het origineel van de ander, en dus beide niet alleen echt en authentiek, maar ook een geraffineerde kopie, zoals tweelingen.
Glimlachend keek kapitein Papadiamantes toe, ‘alles stroomt, alles keert weer tot zijn oorsprong terug. Als dat schilderij ergens thuishoort, is het wel op dit schip. Zal ik de trossen alvast losgooien, dan gaan we een eindje varen. Zijn we van het hele gezeik af. Ik word nog steeds ondervraagd, door de douane, door de politie, door de pers, malákes. Ze laten me nog geen seconde met rust.’
‘Nog even blijven liggen, we zijn hier nog niet klaar, we verwachten bezoek,’ zei Chen, en aan zijn stralende gezicht was te zien dat hij Wong hoger aansloeg dan alle mensen die hij vanwege de schilderijen in Nederland had ontmoet, alsof hij met de komst van de hooggeplaatste Chinees weer werd opgenomen in gezagsverhoudingen waarmee hij van kindsbeen vertrouwd was. Het had ook met geen mogelijkheid kunnen slagen: zaken doen in een land dat hij niet kende en waarin hij zijn plek niet had. Alle gevoel voor verhoudingen was hij kwijtgeraakt, zelfs was hij als een slaapwandelaar achter die maffe kunstenaar aangelopen, het had hem niets dan gedoe opgeleverd. Wat hem betreft was met Wong de orde weer hersteld; alles moest nu wel goed komen.
Van Papadiamantes kregen ze toestemming de kist in de kapiteinshut neer te zetten. Dat was een gepastere omgeving om de Victory Boogiewoogie aan Wong te presenteren, dan Chen’s hut. Er hing een gewijde sfeer. Behalve met foto’s van vrouwen (het viel niet uit te maken wie zijn vrouw was, wie zijn dochters en minnaressen, wie zijn moeder) was de ruimte behangen met wandkleden en iconen. Het ontbrak er nog maar aan dat er ook wierook werd gebrand. Achteloos pakte Chen een boek van tafel; ‘door mijn grootvader geschreven, Alexandros Papadiamantes, een schrijver die zijn hele leven arm is gebleven maar wiens boeken meer waard zijn dan al die dure schilderijen van jullie bij elkaar. Beter nog dan Tsjechov, heren, maar wie kent hem nog?’ zei de Griekse kapitein met een zucht.
Hij wees naar een grote doos, ‘pas bezorgd, bestelling van je vrouw. In je hut staan nog meer dozen. Het was hier de afgelopen dagen een komen en gaan van bestelbusjes. Alsof ik dat erbij kon hebben.’
Met een mesje sneed Chen de tape door, laarzen met pantermotief, zo lang dat ze bij haar tot haar liezen moesten komen.
‘Het is zo genoeg geweest, die gaan dus niet mee. Als je me aan een telefoonnummer kan helpen, laat ik een koerier komen,’ en hij sloot de doos met een klap.

Voor het eerst in die weken begon de zon te schijnen, geheel onverwacht, want de hemel leek nog altijd potdicht te zitten. Een verticale lichtbaan kwam er dwars doorheen en liet de roestige staalplaten van de Elefteria opvlammen. Met Papadiamantes wachtten Chen en Li op het dek. In de verte zagen ze de fietshandelaar de ene na de andere fiets naar de garage van Godfried de Ridder rijden. Telkens maakte hij de meest wilde bochten, het zag er frivool uit, het leek of hij er een spelletje van maakte, maar misschien probeerde hij alleen maar plassen en kuilen te ontwijken. Uiteindelijk reed hij elke fiets de donkere muil van Godfrieds garage in, de kunstenaar zelf kregen ze niet te zien.
‘Gaat dit nog lang duren?’ vroeg Papadiamantes met een geeuw.
Chen keek op zijn gsm. ‘Ze hadden er al moeten zijn.’
‘Ik heb nog een fles raki staan…’
‘Dacht dat we alles al opgemaakt hadden…’
‘Er is altijd nog één fles meer, maar dit feest moet niet te lang gaan duren.’
Nogmaals tuurde Chen tussen de loodsen door, gebarsten beton, modder, plassen. Toen toch een geronk, een auto bonkte door de kuilen, het bordeauxrood van een oude Peugeot, zo leek het, hoe dan ook niet het glanzende zwart waar ze naar uitkeken, en hij draaide zich naar de kapitein, die met een fles zonder etiket in zijn ene, en drie glaasjes in zijn andere hand uit de stuurhut opdook.
Chen en Li hielden hun glaasje bij, Papadiamantes schonk in. Een vliegtuig vloog laag over; even leek alles gevangen in een alomvattend razen.
‘Chen! Chen!’ klonk een schelle, hoge vrouwenstem toen de wereld weer open lag.
Hij draaide zich naar de wal - Fei Fei.
Ze zat nog in de auto, alsof ze bang was uit te stappen. Hij zag dat ze niet alleen was.