Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Kunstenaarschap

Bert van Petten

Personage: Bert van Petten

Dutch Soul

Proza door Dirk Sr. – 5 jaren, 6 maanden geleden

Bert mocht Godfried wel, van een afstand, het was een moeilijke kerel. Soms dronken ze wat en dan voelde hij zelfs een vage verbondenheid. Godfried was iemand die die net als hij, het plezier in het leven niet al te veel wilde laten verpesten door burgerlijke minimumeisen en zorgen. Het hoorde er wel bij dat je vervolgens niet zeurde over de onzekerheid en rommeligheid van je leven en je de vooroordelen die mensen (bv over kunst) hadden (de positieve èn de negatieve) niet aantrok. Daar was Godfried erg goed in. Op het lompe af.

De laatste maanden was Godfried wel op drift geraakt. Een explosie aan activiteit vond er in de studio plaats. Eerst vooral met drankgebruik en feestgedruis. Zijn vrouw had hem het huis uitgeknikkerd en sinds het binnenlopen van de Griekse schip met dat Mondriaan-geval, leek hij over een extra battery-pack te beschikken. Hij kwam en ging in steeds verschillende wagens, luid pratend tegen onduidelijke Chinezen en meelopers. Zijn rug was rechter, zijn oogopslag even uitdagend als altijd, maar minder wazig. Hij had een doel, zo leek het.

Godfried had breed lachend geroepen dat hij het nog wel zou uitleggen, die dag dat hij al zijn onverkochte werk, de oude meubeltjes, de archiefdozen vol publicaties en knipsels naar buiten had gezeuld en in de fik gestoken. Even later had Bert gezien dat er bestelwagens en zelfs een vrachtwagen kwamen om enorme hoeveelheden, ja, zooi af te leveren. Een partijtje bakstenen, gebruikte golfplaten inclusief algenlaag, verweerd houtwerk, spatborden van oude Opels, zeildoek, ga maar door.

Bert was nieuwsgierig geworden. Het werd tijd om eens te gaan buurten en te zien wat zich daar binnen allemaal afspeelde. De woest bebaarde fotograaf Stefan deed open, bromde, knikte en liet hem binnen. Met een peuk in de mond liep Godfried rond, een groot vel papier in de hand, een veldheer tijdens een veldslag in volle gang. Het hele vloeroppervlak van het atelier was met lijnen duct-tape in zones verdeeld. In ieder van die zones stond een berg zooi.

‘Ha Bert, jou moest ik net hebben. Precies op tijd. Moet je zien, dit hele atelier, of eigenlijk dat hele gekantelde vierkant dat je met de buitenste rode lijn ziet afgezet, wordt een kunst-installatie, Dutch Soul. Na de Boogie Woogie komt de Soul, toch? Ik werk met elementen uit het Nederlandse landschap, zoals je ziet. Er komt morgen nog een wagen met grasplaggen om er wat weiland in te verwerken. Ik heb dus fietsen van je nodig. Het liefst losse onderdelen. Wielen, frames, de bak van een bakfiets, spatborden en losse spaken en kettingen. Denk je dat je wat kunt missen, wat anders naar de schroot gaat?’

Bert was perplex. Hij krabde op zijn hoofd, zei dat hij wel kon kijken. Knikte, maar maakte van de afwachtende houding van Godfried gebruik om meer uitleg te vragen.

‘Een landschap? Een soort Madurodam bedoel je? Alleen dan zonder pittoreske stadhuisjes, zoiets?’

‘Jezus Bert, ik ben net begonnen. Het wordt mijn versie van het nationale landschap, maar er komen ook mensen in. Die bouw ik van dezelfde spullen. Twee meter hoge figuren, van doek en spatbord, en dat zijn Nederlandse oer-types. Maar dan hedendaags, natuurlijk. Een keuterboer, een visser, een schoolmeester, een makelaar, een kantoorpik, een wethouder, een bouwvakker ga maar door. Het wordt een plastische explosie waarin Mondriaans Victory Boogie Woogie, als verbeelding van de elektrische energie van het Nederlandse landschap, versmolten is met Rembrandts Nachtwacht.’

Bert schrok van Godfrieds blik, zo bevlogen dat het richting allesverschroeiende woede ging. Godfried schoot in de lach.

‘Ja Bert, voor minder doe ik het niet. En plat wordt het ook niet. Daar aan de noordwand, zei je, loopt het op, daar komt een heuvel. Daar, op het brandpunt van de compositie, gulden snede weet je wel, komt de bekroning.’

Bert liep er naar toe. Van klei, steigerplanken en brokken beton was inderdaad een helling opgebouwd. Er zaten recht onder elkaar twee uitsparingen in het rommelige oppervlak. Bovenaan was een gekanteld vierkant uitgespaard, ongeveer zo groot als de krat met het schilderij dat Bert van boord gedragen had zien worden van het Griekse vrachtschip. Eronder iets dat op de afdruk van een menselijke gestalte leek. Wijdbeens, de armen opgeheven, zodat het was alsof hij het vierkant als een trofee, een vlag, een heilig symbool vasthield en het volk toonde.

Godfried trapte zijn sigaret uit en wees.

‘Dit wordt het pronkstuk van het Stedelijk. Daar komt die nieuwe Victory Boogie Woogie, en daar kom ik.’

Hij wees op de Godfried-vormige leemte in het veld van schroot, puin, riet en klei.

Bert had het opeens koud en meed Godfrieds blik.

‘Ik zal eens kijken wat ik aan fiets-onderdelen voor je heb…’ mompelde hij.