Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Cultuur in crisistijd

Fei Fei

Personage: Fei Fei

Het mysterie Wong

Proza door Robbert – 5 jaren, 6 maanden geleden

Jeetje, wat was de auto groot. En het restaurant chique. En de hotelkamer daarna groot èn chique. Ik laat me op het bed vallen, zo moe ben ik. Ik weet niet eens waar ik ben of hoe dit hotel heet. Hoog boven me golft de reflectie van water over het plafond. Is er buiten een gracht, een rivier? De trap in de lobby was breed en over de treden lag een dieprode loper. Wong vergezelde me naar boven, die dikke pad. In het begin had het wel wat, dat vertrouwen wekkende volume, maar na een paar dagen was het me gaan tegenstaan. Wat is alles aan hem toch rond. Zijn buik, wangen, ogen. En iedere dag rijden we in een andere auto, dineren in een ander restaurant, overnachten in een ander hotel.
‘Waarom doen we dit eigenlijk?’ vroeg ik hem.
‘Je hebt het verdiend,’ zei hij. ‘Of je gaat het verdienen.’
Dit soort antwoorden krijg ik de laatste tijd alleen maar, van mannen, sinds ik in Nederland ben. Je kan er helemaal niks mee. Zijn woorden suggereren dat ik iets gedaan heb waar ik nu een beloning voor krijg. Of dat ik iets zal gaan doen en er nu alvast dit voor krijg. Geen idee wat dat ‘iets’ zou moeten zijn. Ik heb niks bijzonders gedaan sinds ik hem aan de roulettetafel ontmoette. Ik kletste alleen maar wat met hem over de schilderijen, maar ja, iederéén om me heen heeft het over die schilderijen.
‘Daar hoef jij je geen zorgen over te maken,’ antwoordde Wong toen ik vroeg wat ik dan voor hem gedaan had, of zou gaan doen. Weer zo’n denigrerend antwoord. Ik bepaal zelf wel waar ik me zorgen over maak. Maar hij is een en al onbereikbaarheid. Zijn dikke vette huid fungeert als een verdedigingswerk en ik kan niet tot hem doordringen. En dan die zware oogleden waardoor hij zich nog verder in zichzelf lijkt terug te trekken. Gelukkig laat hij me in bed met rust. Daar is het hem dus niet om te doen. Toen hij zojuist naast me ging liggen en het licht uit deed, viel hij meteen in slaap. Maar de vraag blijft op mijn lippen liggen. In het donker staar ik naar het plafond waar nu nog zichtbaarder het water over golft. Het moet wel iets met de schilderijen te maken hebben.

De volgende ochtend, Wong slaapt nog, kleed ik me stilletjes aan en verlaat de kamer op mijn tenen. In de gang trek ik mijn schoenen aan. Een telefoon vind ik beneden in de lobby. Ik twijfel over wie ik zal bellen: Chen of Roderik. Ik kies uiteindelijk voor Roderik, want hij is gehaaider en zal Wong dus beter doorzien.
‘Hij voert iets in zijn schild. Wat zou het kunnen zijn?’ vraag ik hem, nadat ik heb uitgelegd bij wie ik de laatste dagen was, al blijkt Roderik daar niet verrast over. Hij vermoedde het al, zei hij, maar hij is duidelijk niet geamuseerd. Hij heeft het druk en zijn antwoord is dan ook warrig, alsof er twee dingen door elkaar lopen.
‘Wie voert er niet iets in zijn schild?’ zegt hij enigszins geïrriteerd. ‘Bel je me daarvoor op? Ik verwacht een belangrijk telefoontje. Wie is onschuldig en integer? Natuurlijk heeft Wong iets met de schilderijen te maken, alles heeft de laatste maanden met de schilderijen te maken. Jouw Wong is echt rijk, ik bedoel, hij is manager van een grote multinational in China. Wat ik verder over hem heb kunnen lospeuteren: hij is nog eens hartstikke patriottistisch ook. China is in zijn ogen nummer één, de rest van de wereld is tweederangs. Dus het laat zich raden wat Wong wil. Hij wil een Victory naar China halen. Mij of Botering heeft hij niet benaderd en hij is al een tijdje in Nederland dus het kan niet anders of hij heeft de andere partij wèl benaderd. Deze man zit heus niet stil. Zo zie ik de zaken. Heeft hij tegen jou concrete voorstellen gedaan over onze Victory?’
‘Geen enkele.’
‘Dat vermoedde ik al. En laat hij iets los over de andere Victory?’
‘Niets. Weet je wat hij me wel aan me heeft gevraagd?’
‘Nou?’
‘Of ìk met hem mee terug naar China wil gaan.’
‘Jij? Met hem?’
‘Ja. Hij zei dat alle schoonheid in China thuis hoort. En dat ik daar dus ook thuis hoor.’
‘Wat een charmeur. Is een bosje bloemen niet genoeg? En wat heb je als antwoord gegeven?’
‘Ik deed alsof ik het een compliment vond en zei dat ik erover na zou denken.’
‘En, heb je er al over nagedacht?’
‘Ik weet het niet hoor. Ik heb echt geen idee wat ik van zo’n voorstel moet denken. Het zijn maar woorden. Of zou het toch meer zijn dan alleen maar woorden? Soms lijkt het me best prettig om weer terug in China te zijn. Ik bedoel, hoe lang ben ik hier nu?’
‘Zo te horen te lang. Weet je, kan jij niet contact opnemen met Chen? Polsen of hij iets over Wong en het schilderij weet?’
‘Denk je dat hij dat zomaar zal zeggen?’
‘Je kan het in ieder geval proberen. Tenslotte zijn jullie man en vrouw, weet je nog?’
‘Oké,’ zucht ik, ‘ik zal het doen. Maar waar ben jij zo druk mee de laatste dagen?’
‘Wat denk je? Terwijl jij champagne lag te drinken tussen satijnen lakens en klaar kwam bovenop die aangespoelde walrus, probeer ik het schilderij te verkopen. Dus ga jij Chen nou maar bellen, hij weet vast meer.’
‘Goed, ik ga mijn echtgenoot proberen te bereiken. Bel je zo terug.’