Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Kunstenaarschap

Chen

Personage: Chen

De redding komt uit China!

Proza door Edzard – 5 jaren, 6 maanden geleden

De auto weerspiegelde de plassen, en omgekeerd vergrepen de plassen zich aan de glanzende auto. De fijne druppeltjes, die als een voile over de zwarte lak lagen, hielden de loodsen en kranen gevangen, tenminste een miljoen keer vermenigvuldigd en ook nog eens duivels verkleind. Dat een dergelijke slee zijn entree op het haventerrein maakte, geluidloos meegevend met de kuilen, haast zwevend, had alles van een zinsbegoocheling, en als iemand ernaar gekeken zou hebben gekeken (dat deed niemand, het miezerde nog), dan zou hij zijn ogen niet hebben geloofd, of onmiddellijk begrepen hebben dat het terrein zelf een illusie was, die al spoedig plaats zou gaan maken voor een grote fabriek of, wat in Nederland ondanks de crisis nog altijd waarschijnlijker was, een luxe appartementencomplex, want hun handen uit hun mouwen steken waren ze hier voorgoed verleerd.
Voor de garage van Godfried de Ridder bleef de auto staan. De chauffeur stond al buiten, in een plas, en boog met zijn paraplu naar voren; een Chinese man, kogelrond maar strak in het pak, wurmde zich uit zijn stoel. Van de achterbank stapten nog drie Chinezen uit, Chen, Li en Fei Fei.
Chen ging voor en loodste het gezelschap tussen de plassen door. Fei Fei liep naast hem, hij wilde niets liever dan haar hand pakken - hoe eigengereid ze ook was, haar handen bleven klein en onschuldig en wonden hem altijd weer op - maar met anderen erbij durfde hij dat niet. Haar passen waren kort maar fel, nog steeds droeg ze de schoenen met bandjes, de modder kon haar niet meer schelen, ineens was weer te zien dat ze eigenlijk nog een dorpsmeisje was, een beetje lomp en onwaarschijnlijk lief. Misschien maakte al die luxe haar alleen maar ongelukkig en zou ze zich meer op haar gemak voelen op het platteland, in het dorp waar ze geboren was, Wulingshanxiang, een modderpoel, met varkens en al, maar wat een bevrijding zou dat zijn, voor hen beide!
Waarom waren ze aan dit avontuur begonnen, het had hen alleen maar verder van huis gebracht. Ook waren ze erdoor van elkaar verwijderd geraakt, meer dan ooit. Er was iets in de dynamiek tussen hen, die hem niet onbekend was maar die hier, in Nederland, dankzij het bizarre aura rond die twee foeilelijke schilderijen, volledig uit de hand was gelopen. In de warboel die als een kluwen wol vanzelf was ontstaan in dit bemoeizieke land, waar geen enkele discretie leek te kunnen bestaan en alles meteen op straat lag, was een van de directeuren van de multinational Hutchison Whampoa, operates businesses in ports and related services, telecommunications, property and hotels, retail and manufacturing, and energy and infrastructure, als uit het niets opgedoken.
Als je je maar openstelde, kwam de redding altijd, had zijn grootvader Cheng Liu hem geleerd, en dat gold niet alleen voor improvisatie maar ook voor het leven als zodanig. Die redding heette Chun Hin Wong; ineens had hij zich op Chen’s gsm gemeld, hij had Fei Fei aan de roulettetafel ontmoet en haar al spelend uitgehoord over de schilderijen. Hij had meteen begrepen welke van de twee Victory Boogie Woogie’s de echte moest zijn en voorgesteld het kunstwerk terug te brengen naar China, waar hij doende was in Shenzen het Hutchison Whampoa Museum op te richten, met louter hoogtepunten uit de kunstgeschiedenis. Eerst had Chen nog tegengesputterd, ‘er zijn al onderhandelingen gaande, de stad Amsterdam wil het voor het museum hier aanschaffen, ze hebben er zo’n enorme toestand over gemaakt dat ze er vast en zeker veel geld voor over zullen hebben.’ Maar Wong had hem gezegd dat hij van Nederland niets hoefde te verwachten; als directeur van een multinational wist hij dat het een land op z’n retour was, van geen belang meer. ‘En vergeet je vaderland niet, Chen. Het schilderij hoort in China, het is door Mondriaan aan je grootvader geschonken, het was zijn wil en intentie dat het naar China zou gaan. De geschiedenis bepaalt waar een schilderij thuishoort, en die geschiedenis zegt ‘China’, en niets anders. Het wordt tijd dat we met het westerse cultuurimperialisme afrekenen. Het is je kans om je als patriot te bewijzen, Chen.’
Chen had moeite de directeur van Hutchison Whampoa te volgen, maar toen hij een prijs noemde, was hij meteen om. Het was wel lastig dat het schilderij al in het depot van het Stedelijk opgeborgen was en professor Vlekveld elke medewerking weigerde om het daar weer weg te krijgen; zo boos was ze geweest dat ze al haar voorkomendheid verloren had en het gesprek als een driftig pubermeisje abrupt had afgebroken. Chen’s hoop was nu gericht op Godfried de Ridder, magiër die alles voor elkaar kon krijgen maar die hoe dan ook als enige in staat leek Vlekveld te vermurwen; hij had allang door dat zij een zwak had voor de kunstenaar.
Chen klopte op de deur. Harde rockmuziek, het doffe dreinen van een dreun, jankende gitaren, tot slot een uithaal van een kopstem waar geen einde aan leek te komen - Black Sabbath.
Toen er niet werd opgedaan, bonkt hij met zijn volle vuist op de garagedeur.
Onderaan een kier, en jankend, een met de muziek die aanzwol naarmate de opening groter werd, kwam de garagedeur omhoog.
Alleen zijn broek had hij aan, zijn bovenlichaam naakt en behaard, overal druppels, waarin de dag zich gretig spiegelde. Zijn ogen leken haast helemaal wit en stonden vreemd omhoog gedraaid; het moest wel of hij had iets ingenomen. Achterin de garage, in de groezelige schemering die de ruimte vulde, lag een man op de vloer. Het leek of hij van daaraf aan het fotograferen was, maar het kon ook zijn dat hij sliep. Er schoot iets bleeks door de ruimte, van de ene hoek naar de andere, een naakte vrouw.
‘Eén, twee, drie, vier… en met de dame erbij vijf… vijf Chinezen,’ stamelde Godfried, ‘mán, wat zo’n schilderij al niet losmaakt. Kunst hè, dat kan alleen de kunst, wat ze ook zeggen.’