Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: De prijs van kunst

Joy Puik

Personage: Joy Puik

Entertainmentwaarde

Proza door Han van der Vegt – 5 jaren, 6 maanden geleden

Joy Puik
to: Samantha Borger
date: 13 mei 2013 17.33
subject: Lianne Verstraaten

Altaar van mijn zoekgeraakt zieltje!
Je zult even moeten wennen aan de huiskamer, want er zijn twee toevoegingen: in de zithoek hangt het schilderij van Ben Dickinson dat ik gekocht heb. Nomdevlektyfus, het is een behoorlijk dominant werkje. Het is elke keer slikken als je binnenkomt. Ik ga me van alles afvragen. Wat zegt het over mij dat ik dit schilderij in de kamer heb hangen? Past de rest van de kamer er wel bij? Moet ik mijn leven aanpassen nu ik dit schilderij bezit? En natuurlijk: wat vindt mijn vrouw ervan dat ik hier 800 dollar aan heb uitgegeven, in een opwelling van uitgelatenheid en overmoed? Interessante vragen allemaal. Dat gebeurt er dus als je kunst in je leven laat. Dat laatste is nog wel het interessantst. Mingus vindt het een ‘cool’ schilderij, zegt hij, en dan gaat hij er voor zitten nadenken. Hij heeft ook al diverse pogingen gedaan het te vervalsen. Ik had al bijna Roderik van Zwaaij gebeld.
En boven mijn bureau hangt voorlopig die voorpagina van het Parool: de foto van Mondriaan, opa Chen en het schilderij, zestig jaar geleden, en daarnaast, Fei Fei met hetzelfde schilderij, nu. Ik had haar graag geïnterviewd voor de gelegenheid, maar ik mocht absoluut niet bij de fotosessie aanwezig zijn. Van Zwaaij, lijkt mij zo.
Gisteren werd ik opgebeld door een ambtenaar bij cultuur. Of ik eens langs wilde komen, in verband met de Victory Boogie Woogie. Dus ik vanochtend naar het gemeentehuis.
De ambtenaar heet Lianne Verstraaten. Jonge meid, van het type spontaan en weet van aanpakken, maar haar reet heeft meer verstand van kunst dan haar kop. (Moet je mij horen!)
Ze is bezig met de aankoop van de Boogie Woogies. Een soort twee-voor-de-prijs-van-één-deal, geloof ik. Ik dacht dat ze meer wilde weten van wat ik in New York had ontdekt, maar dat boeide haar niet. Of ik in mijn berichtgeving een beetje rekening kon houden met de belangen van Amsterdam in deze zaak, vroeg ze. Ze begreep best dat het journalistiek interessant was om te gaan vissen naar wie precies welk kwastje op welk schilderij had gezet. Maar uiteindelijk was het toch het belangrijkste dat de schilderijen in Amsterdam kwamen te hangen, dat was ik toch met haar eens?
Nou, zei ik, is het niet handig te weten of de schilderijen echt zijn, voordat je er een paar miljoen tegenaan smijt?
O, zei ze lachend, daar hoefde ik me helemaal geen zorgen over te maken. Daar was geen belastinggeld mee gemoeid. Het geld moest allemaal van het bedrijfsleven komen, dus dat gaf niets. En wat maakte het nou uit, of Mondriaan of Li het schilderij had gemaakt? Voor de prijs misschien, daar had ik gelijk in, maar uiteindelijk ging het toch om de entertainmentwaarde. En met die entertainmentwaarde zat het voorlopig wel snor. Iedereen had het erover, dus iedereen zou de schilderijen ook wel willen zien. Het zou de sponsors meer dan genoeg naamsbekendheid opleveren, de wethouder zou een pluim krijgen voor daadkrachtig optreden, en voor het toerisme in
Amsterdam kon het ook alleen maar goed zijn.
Mijn vader denkt daar overigens heel anders over. Toen ik Mingus kwam ophalen vertelde hij dat er bij de douane nu minstens twee Boogie Woogies per dag worden aangegeven. We sturen ze allemaal direct terug, zei hij, ongezien. Zodra ze over de Boogie Woogie beginnen, zetten we ze op het vliegtuig. Hij klaagde steen en been, het was natuurlijk allemaal mijn schuld, ik bezorgde hem alleen maar extra werk.
Ik mis je. Ik mis je alsof er een rat in mijn buikholte rond knaagt. Hij houdt vooral huis achter mijn schaambeen, als je het weten wilt.