Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Kosakowski's ommezwaai

Proza door Niels ’t Hooft – 5 jaren, 6 maanden geleden

Stefan Kosakowski stond in zijn eentje in het atelier van Godfried de Ridder, of Ottie, zoals hij hem noemde, zijn Canon EOS 5D Mark III om zijn nek en in zijn handen. Dit project was nochtans begonnen uit liefdadigheid: het had hem doen denken aan de manier waarop hij zijn vader soms met lichte tegenzin hielp met zijn smartphone, al was er altijd ook de zweem van good karma. Maar moest je hem nu eens zien: op het manische af fotografeerde hij de laatste veranderingen in de ruimte, overtuigd dat hij getuige was van iets miraculeus. Terwijl hij niet eens echt wist waar hij naar keek.

Hij kende Ottie nog uit zijn tijd aan de Academie, waar hij in het eerste jaar les van hem had gehad. Op de een of andere manier was die ongelijke verhouding uitgegroeid tot een warme vriendschap, en kwam hij regelmatig bij de De Ridders over de vloer. Hij had zelfs nog een dingetje met Otties dochter gehad, een paar jaar jonger dan hij, maar dat was lang geleden. Vervolgens had Stefan van dichtbij meegemaakt hoe Otties huwelijk to hell was gegaan en hoe hij langzaam alle contact met de buitenwereld was verloren.

Het optreden bij Pauw & Witteman een jaar geleden, waarin hij zou vertellen over een nieuw boek over de stroming waartoe hij in de eighties had behoord, was een kantelpunt geweest. Ottie was zo zenuwachtig dat hij zich vooraf had volgegoten, en in het item zelf kwam er geen zinnig woord meer uit. Het was geëindigd met de suggestie, of het dreigement, om eens even flink op de tafel te poepen. Het was enerverende televisie geweest, dat dan weer wel. Dus toen Ottie hem vroeg om zijn leven terug op de rails te helpen met een gezamenlijk mediaproject, kon Stefan dat als welopgevoed wereldburger eigenlijk niet weigeren.

Inmiddels had Ottie de touwtjes weer stevig in handen. Van onhandig groot was hij imponerend groots geworden. Dat had ongetwijfeld te maken met alle nieuwe Victory Boogie Woogies, een geschiedenis waarin hij met hulp van Stefan, via een omweg, diep verwikkeld was geraakt. Het betekende dat er hier in het atelier down- en uptime was. Downtime als Ottie in den lande de regelneef uithing, of veldwerk verrichtte, of wat hij ook deed. Uptime als Ottie aan zijn meesterwerk sleutelde, wat Stefan dan vastlegde. Hij haalde veel energie uit zijn uitstapjes, dat was duidelijk: als een wervelwind kwam hij binnen, in no-time haalde hij de boel overhoop. Het ging zo snel en radicaal, en zo vaak opnieuw, dat Stefan de draad al lang kwijt was. Hij kon het alleen maar vastleggen en hopen dat hij na afloop kon reconstrueren wat er hier precies was gebeurd.

Het was helder genoeg begonnen: een week of drie geleden had Ottie zijn moment van inzicht gehad, en was alles in het atelier naar buiten gegaan. Stapels onaffe doeken, materialen, zijn meubilair, inclusief twee versleten bankstellen, zijn boekenkast, inclusief alle boeken: alles. Hij had de boel op het plaatsje in de fik gestoken. Blauwe walmen waren eraf gekomen, maar niemand uit de buurt had er melding van gemaakt. De zwartgeblakerde puinhoop lag nog steeds voor de deur.

En binnen? Stefan vond het moeilijk om er concrete gedachten over te formuleren. Misschien zat er ook wel geen idee achter, en was het een over uren, dagen, weken uitgesmeerde bevlieging. Toch vond hij het te krachtig, te omvangrijk, om het af te doen als the busiwork of a madman. Het hele atelier was erdoor opgeslokt. Een ruimte die, als je de uitstulping met het keukentje en wc-hokje wegdacht, ook daadwerkelijk vierkant was, of liever, ruitvormig. Onuitputtelijk schiep Ottie er, vernietigde hij, herschiep hij. Rangschikte hij de materialen die hij in alle hoeken van de stad had gevonden, die soms per vrachtwagen werden afgeleverd. En zette hij zijn hulpkrachten in: de kinderen, de dieren. Ja, het was hier af en toe een dolle boel. Eigenlijk moest het dak eraf, had Ottie gezegd. Eigenlijk moesten ze de vloer eruitzagen en, hup, in het Stedelijk schuiven.

Dit moest de kunstenaar zijn zoals hij in Berlijn ooit zo’n indruk had gemaakt. Een natuurkracht zowat. Zodanig dat het de critici had laten jubelen, de handelaren had doen kwijlen, de kunstgeschiedenisstudentes bij de dozijnen tot een bedevaart had verleid… waar Stefan het moest doen met één minderjarige scholiere die geen woord sprak en al niet veel beter pijpte. Hij hoopte dat ze ook tegen zijn vrouw stil zou zijn.

Er werd een sleutel in het slot gestoken en omgedraaid. De schuifdeur gleed open. In het felle ochtendlicht zag hij Otties silhouet. Aan zijn zijde een rank schepsel in een lange jurk, Stefan kon niet goed zien wie het was. ‘Vers vlees,’ riep Ottie, en hij bulderde van het lachen.