Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Het plan van Chen

Chen

Personage: Chen

De douane ruikt onraadt

Proza door Edzard – 5 jaren, 8 maanden geleden

Door het patrijspoort kwam een futloos licht. Het leek op het licht in Beijing, even melkig en diffuus. Welkom thuis, dacht Chen, reis je de halve wereld om in een benauwde hut en verandert er hoegenaamd niets. Straks stapt hij van het schip en grijnst alles hem weer toe, zijn hele leven in China: de wolkenkrabbers die hij met spoedbestellingen moet afjakkeren, de volgepakte wegen waar hij op zijn fiets doorheen moet manoeuvreren, de gore lucht die hij gedwongen is in te ademen, de armetierige kamer met gemeenschappelijke keuken op tien hoog, die hij met Fei Fei deelt, en even twijfelde hij aan de hele onderneming. Zo onbezonnen was hij niet eerder geweest, zelfs niet toen hij illegaal vuurwerk naar de hoofdstad smokkelde. Goed, hij had gevangen gezeten, er waren schulden ontstaan, Fei Fei had zijn creditcard volledig leeggeplunderd en had hem ook stevig onder druk gezet met haar minnaar, maar hoe had hij het in zijn hoofd gehaald al zijn kaarten te zetten op dat spuuglelijke schilderij? Als het nou een fraaie pentekening was geweest, van een meisje bij een beek, een maan boven een rijstveld, een vogel in een wilg, een pandabeer in het bamboe! Maar dit was niet meer dan een tafelkleed waarbij zelfs de cultuurcommissie nog in slaap zouden zijn gevallen!
De angst greep hem naar de keel. Het was onbehaaglijk met dat schilderij op pad te gaan terwijl het hem volstrekt koud liet en voor hem niet te doorgronden viel waarom er mensen op de wereld schenen te zijn die er vele miljoenen voor over hadden. Misschien was het toch niet zoveel waard als hij dacht, of zou die professor Vrekvlek,Vlekvlek, Vlekvel, of hoe ze ook mocht heten, meteen ontdekken dat het niet door Mondriaan maar door zijn grootvader moest zijn geschilderd. Die man was een bohemien geweest, een wereldreiziger, hij had overal gewoond en alles gedaan wat Confucius verboden had, hij was ook nog eens een musicus geweest, een jazzmusicus, een artiest, en het liet zich heel wel indenken dat hij na zijn kennismaking met de Nederlandse schilder moet hebben gedacht, ‘als schilderen zo eenvoudig is, kan ik het thuis ook wel eens proberen, wie weet kan ik er nog een beetje mee bijverdienen,’ maar dat was toch meer zoals Chen zelf dacht, van zijn grootvader had hij nooit iets begrepen.
Ze stonden dicht opeen gepropt : de douaniers, Fei Fei en hij. Desondanks maakte de douaniers zich breed, hun benen uiteen, gretige uitdrukking, ze roken prooi. Fei Fei keek hem niet meer aan; dat er problemen waren met het inklaren, was voor haar eens te meer een bevestiging dat hij nergens voor deugde, ze ging van niets anders uit. Tegen het onderste bed stond de kist, op zijn kant, ze staarden ernaar alsof het om dat houten geval ging en niet om wat erin zat. Chen had overal spijkers in gejast; vertrouw maar eens op een sluiting als je leven ervan af hangt. ‘Breekbaar’ had hij er ook nog op gekalkt, in het Chinees. En, wel weer in het Engels: ‘Deze kant boven.’
Het duurde even voor kapitein Giorgos Papadiamantes terug was. De schroevendraaier en het breekijzer gaf hij met een knikje aan een van de douaniers, ze begrepen elkaar. Chen kreeg een dodelijke blik. Problemen op zijn schip, iets wat het daglicht niet kon verdragen, verborgen handeltjes - als hij er zelf geen profijt van trok, wist hij zich verraden.
De douanier begon al te wrikken. Toen de opening groot genoeg was, dreef hij het breekijzer er met geweld in. Het hout kraakte , spijkers glinsterden in de spleet als draden slijm in een mond. Chen kon het niet meer aanzien, hij schoot naar voren, maar de andere douanier greep hem zo hard bij de polsen dat ze begonnen te schrijnen, en stevig vastgeklemd zag hij hoe de deksel plank voor plank verwijderd werd en het schilderij, gehuld in een laken, bloot kwam te liggen. Meteen begon de douanier eraan te rukken, voor hem leek elke handeling op een worsteling uit te draaien, het duurde even voordat hij doorhad dat het met vliegertouw op zijn plek werd gehouden, en hij sneed het door en trok het er vervolgens met een groots gebaar af, alsof het om inhuldiging ging.
‘Kunst,’ mompelde de een in het Nederlands.
‘Van wie zei je ook al weer,?’ vroeg de ander, weer in het Engels.
Chen bewoog niet meer, hij leek verlamd, hij was ook nog vastgeklemd. ‘Monlian’ zei hij toen hij tot hem doordrong dat hij was aangesproken.
‘Monlian,’ herhaalde de douanier, en hij liet zijn wijsvinger over zijn smartphone hinkelen, keek naar het scherm, hield het voor Chen’s gezicht. ‘Er leeft een Monlian Lee in Manilla, en een Monlian Chen in Livingston, New Jersey, maar ik geloof niet dat zij de schilderkunst beoefenen.’
‘Als uw collega mij even wil loslaten,’ en hij wreef over zijn polsen, trok zijn portemonnee, zocht tussen de beduimelde renminbibiljetten en haalde een opgevouwen krantenartikel tevoorschijn, uit de Beijing Times.
Eerst las de ene douanier het, daarna gaf hij het, met opgetrokken wenkbrauwen, aan de ander. ‘Nooit van gehoord. Is dit hetzelfde schilderij? Van dezelfde schilder?’
Chen schudde zijn hoofd, ‘derde versie, ik heb een afspraak met die professor, professor Vekvel,’ en hij wees naar de foto.
‘Dat gaat me een beetje snel, lijkt me toch eerder een zaak voor justitie,’ zei de kleinste van de twee, en hij viste zijn smartphone al uit zijn broek.