Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: De prijs van kunst

Wij zijn het werk

Proza door Daniel Rovers – 4 jaren, 7 maanden geleden

De spijker waaraan het schilderij Victory Boogie Woogie in het Haagse Gemeentemuseum hing was bij wijze van spreken nog amper in de muur geslagen toen ik het doek voor de eerste keer zag. Het was ook meteen de eerste keer dat ik het door Berlage ontworpen museum zelf mocht ervaren, daartoe aangezet door het televisierumoer over de miljoenen die waren gespendeerd aan wat toenmalig Staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg ‘De Nachtwacht van de twintigste eeuw’ had genoemd. Ik weet nog dat ik die dag, dat was in de tijd dat je in de kantine nog met guldens voor een kop automatenkoffie betaalde, een slaaptekort had, waarschijnlijk zelfs een lichte kater, en daardoor in het soort verruimde, want half verdoofde bewustzijn verkeerde waarin museabezoek het meest opwindend is, vooral het bezoek aan musea waar, in strakke lijsten ingekaderd, de kunst van de laatste eeuw wordt getoond. De schoonheid al die werken komt op de een of andere manier direct binnen, alsof je je op die katerige ochtenden kunt reduceren tot één groot oog.

Ik herinner me een rechthoekige zaal met louter witte wanden en een karaktervolle oude houten vloer, met rondom louter Mondriaans, zodat je in een enkele blik een overzicht kreeg over de ontwikkeling die de schilder in de loop van zijn leven had doorgemaakt, en ik weet vooral nog dat ik niet alleen onder de indruk was van zoveel rijkdom (die kleuren!) aan de wand, maar ook een haast pathetisch soort dankbaarheid voelde dat ik daar op deze doordeweekse ochtend getuige van mocht zijn. Het woord hier is ‘geprivilegieerd’: voor de duur van mijn zaalbezoek kon ik wat hier hing gewoon mijn bezit noemen, want dat is ook wat schoonheid doet: niet zozeer dat je wilt hebben wat je ziet, nee, het is sterker; even ontstaat de indruk dat je daadwerkelijk bezit wat je ziet.

Eerlijk gezegd weet ik niet wat ik precies ‘vond’ van het iconische schilderij zelf - ik heb er geen precieze herinnering aan, en kan me ook geen specifiek eerste oordeel (‘wow!’ of ‘82 miljoen!?’) voor de geest halen. Wat ik me echter nog wel herinner, dat waren de bezoekers die juist op dat moment in de zaal bivakkeerden. Een groep Scandinavische scholieren die zich had genesteld te midden van de Mondriaans, jongens en meisjes die in hun spijkerbroeken en t-shirts op de houten vloer zaten te luisteren naar hun docent die een betoog hield over de kunstenaar en diens werk. Ik kon niet verstaan wat de leraar zei, maar alleen al de manier waarop hij sprak, rustig en in tastende zinnen, en dus niet op de snelle, ingestudeerde manier waarop sommige museumgidsen hun groepen door de zalen jagen omdat ze bijvoorbeeld per se binnen het uur in steenkolen-Duits door de Gouden Eeuw moeten gaan.

De man sprak met liefde, zou je kunnen zeggen, hij verwoordde zijn voorliefde voor het werk, waardoor hij het op een bepaalde manier ook leek te kunnen bevragen terwijl hij uitleg gaf, alsof hij eerder openlijk essayeerde dan een voorbereid betoog afstak. Ook opvallend was de manier waarop de leerlingen op zijn woorden reageerden: ze luisterden, stelden vragen en gaven zelfs aanvullingen of commentaar, zonder dat de leraar daarvoor iemand de beurt moest geven, en zonder dat er eerst vingers de lucht in gingen. Dit was duidelijk geen les kunstgeschiedenis, maar een gesprek over een onderwerp dat hen allemaal aanging.

Het punt van deze herinnering, als er al een punt is, bestaat er niet in dat er diezelfde dag ook een groep Nederlandse scholieren in het museum rondliep dan wel - hing, een groep die nog geen fractie van de aandacht of overgave te speuren gaf die de Scandinavische groep toonde. Niet iedereen heeft het geluk de ideale docent te treffen of de ideale school - zulke docenten en scholen zijn er heus ook nog in Nederland, toch? Het gaat erom dat wat die Scandinavische groep of gemeenschap deed bijzonder was: ze nam verantwoordelijkheid voor het kunstwerk, zo niet voor het complete oeuvre van Piet Mondriaan, om een vervolg te geven aan dat wat een esthetische ervaring heet, door Nabokov eens als de ‘gezegende huivering’ omschreven. Of, om het in de woorden van de klassieke esthetica te zeggen: ze probeerden een niet-objectiveerbare subjectieve ervaring in begrijpelijke, te bediscussiëren woorden uit te spreken. Ik weet niet of dat nu een verwezenlijking, een erfenis, of een gift van de Verlichting is, maar het is in ieder geval een traditie of kennisveld waarvoor een grote persoonlijke inzet of betrokkenheid vereist is. Kunst wordt alleen dan kunst als, om op Jeroen Mettes te variëren, iemand durft te zeggen: dít is kunst. En dat vervolgens ook verdedigen wil en kan.

Want het werk, dat zijn wij. Ook in zogenaamde crisistijd.