Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Vervalsing

Duizendjarige eieren, of: Het verblijf in de bergen van Fuchun

Proza door Gregor Verwijmeren – 6 jaren, 4 maanden geleden

Nog lang geen 1,3 miljard inwoners had China in 1973, een slordige 800 miljoen slechts, maar even leek het of ze allemaal verzameld waren in het huis Huan-Jiang, Chens grootvader, op de dag dat hij zijn verjaardag vierde te midden van zijn omvangrijke familie - zijn hoeveelste precies wist niemand, al was het vermoedelijk ergens tussen zijn tachtigste en drieeëntachtigste en dan waarschijnlijk dichter bij het laatste dan het eerste getal. Drie generaties vrouwen liepen af en aan, behendig elkaar ontwijkend als twee stromen werkmieren, schotels, vuurvaste schalen en aardewerken potten naar de gigantische ronde eettafel dragend, met daarin soms nog sissende of borrelende maar altijd stomende gerechten, gerechten luisterend naar namen als ‘kip die honderd bloemen laat bloeien’, ‘hemelse duivensoep met zeeoren’, ‘in cellofaan verpakte eend met rupspaddestoelen’, ‘gemarmerde thee-eieren’ en ‘duizendjarige eieren’, ‘leeuwenkoppen’, ‘zeevruchten-vogelnest’ en ‘aubergine van Ming-Tsai’ en ‘varkenssnuit van mevrouw Wong’. Dieren en delen van dieren kwamen voorbij, sommige duidelijk herkenbaar zoals snoek, krab en kreeft, eend, garnalen en genoemde varkenssnuit, andere slechts voor ingewijden, zoals kwal, eendentongetjes en kippenvoetjes. En dan waren er nog de groentes - bladeren en stelen, roosjes en torens en waaiers - waarbinnen de kleur groen in al zijn schakeringen domineerde en rijst rijst rijst en nog een rijst. Het was in ieder geval vergeefs zoeken naar saté en kip kerrie.

De vrouwen werkten, de mannen zaten om de jarige geschaard. Hij verhaalde weer uit de oude trommel, zoals hij gewoon was te doen. Over zijn avonturen in New York, want niemand mocht dan precies weten hoe oud hij was, vast stond dat hij erbij was geweest in de vroege jaren veertig, toen het gebeurde in New York, preciezer gezegd in Minton’s Playhouse, dat laboratorium, die hogedrukketel, waar de jazz opnieuw werd uitgevonden leek het wel door grootheden als Bud Powell, Thelonious Monk, Dizzy Gillespie en Charlie Parker. Hij had ze allemaal gekend, Huan-Jiang, met sommige gespeeld, en ze daarbij zo goed bestudeerd dat hij zowel hun spel als gedrag perfect wist te imiteren. Het was vaste prik, een spel waarvan de uitslag al van tevoren vast stond: opa zo ver krijgen dat hij achter de piano plaatsnam en een voorstelling ten beste gaf. Ze hadden hem nu ook weer zo aangemoedigd… hij kon geen nee meer zeggen, wilde dat ook niet. Onder gejuich nam hij plaats achter de piano, met de jazzportretten die erboven hingen het enige vreemde element in de verder traditioneel Chinese woning. Een paar akkoorden, wat loopjes…

Bud! Bud!’ riep een van de mannen - en daar gingen Huan-Jiangs vingers, niet gehinderd door reuma of artrose, ragfijn en vliegensvlug à la Bud Powell over de toetsen van de piano, die waarschijnlijk voor het laatst gestemd was in de hoogtijdagen van de bebop. Dan weer hief Huan-Jiang zijn hoofd extatisch ten hemel, dan weer liet hij zijn mond als een centenbakje open hangen. Hij was Bud.

Dizzy! Dizzy!’ riep een van de vrouwen - en Huan-Jiang draaide zich om op zijn kruk en toeterde een trompetsolo die zo uit Salt Peanuts leek te zijn weggeplukt, compleet met veinzende vingers en opgeblazen wangen aan toe. Iedereen lachte en klapte.

Monk!’ riep een van de mannen en - ook vaste prik - de vrouwen deden hun handen voor hun oren of verlieten de ruimte. Huan-Jiang sloeg wild een akkoord aan, deed niets, sloeg weer een akkoord aan, deed weer niets. Wat was dit? Was dit nog muziek? Het was Monks Evidence - hoekiger kon je muziek niet krijgen - en de tantetjes kreunden en steunden alsof ze ernstig leden. Huan-Jiang voegde er nog een authentiek Monk-dansje voor de piano aan toe, wist daarbij zelfs Monks omvang en gewicht in trage bewegingen te vertalen, en dat was het. Meer alcohol, meer rijstwijn was nodig om hem weer opnieuw achter de piano te krijgen. Misschien na de maaltijd, over een uurtje of drie, vier? Het was een ongeschreven familieregel hem niet te vragen naar Charlie Parker. Hij werd dan stil, Huan-Jiang, en verviel in een zware melancholie.

Ongevoelig voor het muzikale gedoe zaten twee dozijn of meer kinderen aan de andere kant van de ruimte te tekenen, te schaken en te dobbelen, te spelen met poppen of al dan niet ingebakerde echte baby’s: neefjes en nichtjes, broertjes en zusjes van nul tot de onbestemde leeftijd dat ze bij de mannen mochten aanschuiven of de vrouwen in de keuken mochten bijstaan. In het midden zaten Chen en Li in kleermakerszit aan de lage tafel te tekenen. Tweelingen zou je zeggen als je ze zo zag zitten, maar in werkelijkheid volle neven. Vijf, zes waren en ze leken zo op elkaar dat zelfs enkele tantes moeite hadden ze uit elkaar te halen. Had het te maken met het feit dat hun vaders tweelingen waren? Ze waren onafscheidelijk, de neefjes, afwisselend de dikste maatjes of de grootste vijanden. Gingen ze over straat dan was het óf innig gearmd óf rollebollend. Water en vuur waren ze, maar dan allebei water en allebei vuur. Yin en yang waren ze maar dan allebei yin en allebei yang. Ze waren dag en nacht, man en vrouw, hond en kat tegelijk. Als ze met elkaar vochten vormden ze een kluwen en kon je hun ledematen niet onderscheiden.

Ze werkten met pen en papier - grote rollen papier, maar ook weer niet zo groot als de hangende rol aan de wand, een handgetekende kopie van het oorspronkelijk zeven meter grote ‘Verblijf in de bergen van Fuchun’ van Huang Gongwang, een pentekening uit de Yuan dynastie waarvan de geschiedenis zo duizelingwekkend is, compleet met diefstallen, vermeende vervalsingen en in-de-vlammen-geworpen-en-op-het-laatste-moment-gered-verhalen, dat het een sprookje lijkt. Chen doopte zijn pen in de inktpot, meteen daarop Li. Chen leek zijn fantasie de vrije loop te laten, soms in het wilde maar wat te krassen, Li, tegenover hem gezeten, hief telkens zijn hoofd op naar de rol aan de wand en leek in een soort trance verzonken. Daar ontstond iets op het papier, iets dat groeide en groeide, met snelle en trefzekere pennenstreken die eerder bij een volleerd meester pasten dan bij een hummel van vijf, zes. Dat daar iets ontstond begonnen anderen ook te zien. Een neefje eerst, vervolgens een ouder nichtje dat haar moeder erbij riep, die weer haar man erbij haalde, etc. etc., tot daar achter Li een schare familieleden verzameld stond die in stomme verbazing getuige was van iets heel buitengewoons: een volmaakte kopie was daar ontstaan, of beter, een kopie van een kopie, maar zó verfijnd en zó levensecht - de rotsen, de kliffen, de bomen tot in detail - dat het was alsof je erin kon stappen

完美 奇迹,’ klonk het in koor. ‘Perfectie! Perfectie! Een wonder! Een wonder!’

Het was op het moment dat ook de jarige Huan-Jiang, gelokt door de kreten, aan de tafel verscheen, dat Chen de tekening weggriste en verscheurde.