Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Striptease

Godfried de Ridder

Personage: Godfried de Ridder

Naar het kinderdagverblijf met Godfried de Ridder II

Proza door Alma MathijsenGastbijdrage – 6 jaren, 6 maanden geleden

De portier is scheel. Godfried de Ridder omklemt het handje van de driejarige stevig. Zonder het kind van de man die elke stap die hij zet volgt, is hij niets op deze basisschool. Hij heeft hem, Stefan Kosakowski, geïnstrueerd om buiten op hem te wachten, hij zal zijn kind terug brengen wanneer hij ware kunst zonder bevlekking heeft zien ontstaan. Dat is waarom hij hier is. Een kind heeft niet de geschiedenis die hij met zich mee hoeft te dragen, ideeën roetsjen als van een glijbaan van de kop naar het papier. Ook nu wordt Godfried getormenteerd door gedachtes waar hij geen ruimte voor wil maken. Hij denkt aan Magda, ze lag zo zoet onder ziekenhuislakens. Ze zei niets, helemaal niets, en eigenlijk was dat zo prettig. Voor heel even kon hij geloven dat alleen zijn waarheid echt was, ze zal vast iets gevonden hebben, dat deed er niet toe. De spiertjes rond haar mond die af en toe aantrokken, interpreteerde Godfried als toekenning. Het waren mooie uren die hij aan de rand van haar bed had doorgebracht. Hij wachtte niet totdat ze wakker zou worden, dat zou alles verpesten. Op haar voorhoofd had hij een kus gezet, al voelde hij zich daar een beetje idioot over. Alsof hij dat gebaar direct uit een soap had gekopieerd, hij wist niets beters. Eenmaal uit het ziekenhuis besloot hij af te maken waar hij aan begonnen was, juist omdat hij dat normaal niet doet.
Godfried knikt iets te intens naar de portier, dan trekt hij het armpje van de driejarige hardhandig de lucht in om te laten zien dat hij niet alleen is. Haast wil hij ook nog zeggen: ik heb een kind mee. Gelukkig weet hij die woorden nog weg te moffelen.
“Ik hey hallo,” wordt het.
De portier staart nog steeds even scheel voor zich uit. Godfried versnelt zijn pas, de driejarige trekt zich los en stormt een trap op. Kinderen van drie kunnen erg snel rennen, moet Godfried concluderen. Dan bedenkt hij zich dat hij de naam van de driejarige is vergeten, of heeft hij die überhaupt ooit wel eens gehoord? ‘Zonder kind op een basisschool ben ik niks,’ galmt door zijn hoofd.
De driejarige verdwijnt bovenaan de trap.
“Zeg, ho, …, kind,” probeert Godfried, “kom eens terug nou.”
Zo snel als zijn voeten kunnen snelt hij de driejarige achterna, hij laat de leuning door zijn handen glijden. Boven scant hij de gang, vier deuren, alle voorzien van glas, alle dicht, en nergens een kind. Wat nu? Wat nu? Hij dwingt zichzelf te denken als een kind, dat is immers ook het uiteindelijke doel. Met een slag draait hij de eerste deur open. Een lerares kijkt verbaast zijn kant op, een twintigtal kindergezichtjes doet hetzelfde. Zijn deze kinderen drie, vier of vijf? Godfried weet het niet meer, misschien zouden ze wel zes kunnen zijn. Hij probeert zich in te denken hoe lang de driejarige was. Vergeten, hij is het allemaal vergeten, of heeft hij daar wel naar gekeken. Zijn gezichtje kan hij zich ook niet meer voor de geest halen.
“Wat kunnen we voor je doen?” vraagt de juffrouw met een stem in honing gedoopt, Godfried smelt.
“Ik kom mijn zoon halen,” zegt hij zonder na te denken, zijn ogen zakken in de boezem van de juffrouw.
“We moeten eerst altijd groeten. Is het niet zo klas? Stelt u zichzelf even voor.”
“Ja,” Godfried krijgt het warm, “mijn naam is Godfried, ik kom iemand ophalen.”
Hij wil zichzelf schoppen, waarom zegt hij iemand?
“Goedemorgen meneer Godfried,” klinkt uit twintig kinderkeeltjes.
“Wie is uw zoon?”
Godfried stamelt, hij wil heel erg veel te gelijk. De driejarige moet terug naar zijn vader, dit was een slecht idee. De juffrouw moet met hem mee, zodat hij onder de lakens iets kan bekijken. Het schilderij zal vandaag uit zijn vingers ontstaan, een echt meesterwerk. Zonder veel te zeggen schuifelt Godfried het lokaal uit en snelt, eenmaal op de gang, het schoolgebouw uit. De wind blaast zijn haar de andere kant op.
“Ik ben hem kwijt,” Godfried schreeuwt naar Stefan, die hem nog niet hoort, alleen verbaast opkijkt, “ja, ik ben je zoon kwijt.”