Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Kunstenaarschap

Joy Puik

Personage: Joy Puik

Provenance

Proza door Han van der Vegt – 5 jaren, 7 maanden geleden

Joy Puik
to: Samantha Borger
date: 3 mei 2013 22.54
subject: Joy is het prijsbeest!

Ha geile donder!
Die Joy van jou hè, die kan er wat van! Gotnomdenakendechristus. Ze lijkt wel een journaliste soms.
Veel sporen heeft Chen Jié niet achtergelaten in New York. Hij was hier zeer waarschijnlijk illegaal, want de archieven van New York zwijgen over hem. Lang zal hij ook niet gebleven zijn. Zijn optredens in de Cafe Society beperken zich tot wat invalwerk, in de eerste maanden van 1943.
Gisteren werd er eindelijk opengedaan op het adres dat in Barney Josephsons ‘Big Book’ stond, in Greenwich Village. Een licht geïrriteerde jongeman was naar beneden gekomen om me te woord te staan. Hij vroeg zich af wie er de hele tijd aanbelde. Er hadden op het adres in de loop van de tijd allerlei mensen gewoond, legde hij uit. Zijn grootouders hadden altijd mensen op kamers gehad om de huur te kunnen betalen. Maar daar had hij geen administratie van. Waarom was ik naar die Chinees op zoek?
Ik heb het liever niet over het schilderij, merk ik. Het is niet een verhaal dat je in twee minuten uitlegt. Misschien heeft het ook te maken met de Nederlandse afkeer van alles wat artistiek is. Als je snel van je gesprekspartner af wilt kun je in Nederland het best over kunst beginnen. Maar om deze jongen geïnteresseerd te krijgen moest ik hem wat meer geven dan een geheimzinnige pianist. Dus probeerde ik Mondriaan. Zijn gezicht lichtte meteen op. Hij bleek zelf schilder. Ik mocht mee naar boven komen.
Hij gebruikte het appartement als atelier. Ik keek wat rond. Overal stonden schilderijen. Abstract werk, maar het tegenovergestelde van Mondriaan. Dichter bij de Amerikaanse traditie, de Abstract Expressionists. Hij schildert wilde, vlammende figuren. Niet tragisch of gekweld hoor, eerder uitbundig. Ergens achter een rij doeken stond een bed, goed gecamoufleerd met allerlei verfvlekken.
Ben (zo heet hij, Ben Dickinson) was intussen op zoek gegaan in een grote metalen hutkoffer. Daar lagen de spullen van zijn ouders en grootouders in, of wat hij ervan bewaard had. Hij kwam te voorschijn met een stel fotoboeken. Die kamerbewoners van zijn grootouders, die leefden te midden van het gezin, aten mee, konden met hun problemen bij grootmoeder terecht. Vrijwel elke gezinsfoto is verrijkt met een onbekend gezicht. Op de boeken stond netjes welke jaren ze bestreken. Dus we sloegen het boek voor 1943 en begonnen te bladeren.
Er stond een Chinees bij een familieportret rond de eettafel. Dat moest hem zijn. Ben stak zijn vinger tussen de bladzijden en bladerde verder. Je weet nooit. Daar was nog een fotootje van de Chinees. Hij stond glimlachend naast een andere man, een man met lang, kalend hoofd, een kloeke neus en een brilletje. Ze stonden aan weerskanten van een schilderij aan de muur van wat waarschijnlijk Chens kamertje was. Een ruitvormig schilderij, niet echt groot, waarover een aantal kleurige lijnen liepen. ‘Could that be…’ zei Ben nog maar ik was al opgesprongen.
Ik belde AS3 dat ze Herman-de-cameraman konden sturen.