Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Honeymoon

Proza door Sanneke van Hassel – 6 jaren, 7 maanden geleden

Giorgos Papadiamantis staarde uit over het water van het IJ. Al dagen lag de Eleftria voor anker, gisteren had de zon eventjes geschenen maar de rest van de tijd was het weer overwegend grauw en het IJ een enorme donkere poel. Giorgos rilde, hij had maar een trui die hij sinds aankomst niet meer had uitgetrokken. De havenpolitie kwam elke dag even langs en zei hem dat hij pas weer mocht varen als bekend was geworden wat de herkomst was van dat rare schilderij dat die Chinees in zijn hut had verstopt.
Het waren vreemde mensen, die Hollanders, met van die blonde, blozende, vrolijke gezichten kwamen ze op je af. Je dacht dat je wel even iets met ze kon bespreken, dat ze wel begrip zouden hebben voor een kapitein van een klein vrachtschip die gewoon zijn werk deed, maar ze waren bikkelhard. Alles moest volgens de regels, en van die regels hadden ze er oneindig veel.
Die Chinees had hem er ook flink ingeluisd, hij wilde mee in verband met zijn ‘honeymoon’ had hij gezegd. Het was de wens van dat duivelse vrouwtje van hem kennis te maken met het echte leven op zee. Op het gesprek volgde een lange onderhandeling over de prijs voor de reis naar Amsterdam. ‘So romantic’, had zij gekird toen ze op haar pumps aan boord kwam en vrijwel direct uitgleed. Sinds dat moment was ze haar hut nauwelijks meer uit geweest.
De jonge bruid was er nu met dat schilderij vandoor en die Chinees liep maar treurig op en neer over het dek. Met zijn vage geklets tegen de recherche had hij Giorgos tot medeverdachte gemaakt.
Terug naar zijn land, dat was het enige wat Giorgos wilde, met moeite had hij een vracht naar Piraeus geregeld: een partij stalen kabels en hijsmateriaal waarvan de herkomst onduidelijk was, je kon niet al te kieskeurig zijn vandaag de dag. Giorgos verlangde naar zijn kinderen en zijn vrouw; met zijn vijven leefden ze nu van krap vijf honderd euro in hun Atheense flatje. Zijn oudste zoon en dochter waren weer bij hen ingetrokken. Twee dagen geleden had zijn vrouw hem over de telefoon verteld dat ze begonnen was zijn boeken op te stoken. De energieprijzen waren onbetaalbaar geworden. De auto had ze al weggedaan. Steeds vroeg ze hem wanneer hij geld overmaakte. Als het nog even duurde zou ze naar haar ouders op Zakynthos gaan, haar moeder had zoveel paprika’s en wijnbladeren ingemaakt en olijven gepekeld dat ze daar tenminste nog goed konden eten, zeker als haar vader weer af en toe ging vissen.
Giorgos pakte een emmer en een zwabber en begon het dek te schrobben. Roest vertoonde zich op de naden tussen de stalen platen. Hij had die platen rood geschilderd zodat je de roest minder snel zou zien, maar het resultaat viel tegen. Roest was snel, als het er eenmaal zat kwam het binnen een paar maanden terug, als een virus die zich onder de verflaag verscholen hield.
Buiten klonk gejoel. Er kwam een speedboot voorbij, met een rotvaart scheurde hij heel dicht langs zijn schip. Er stonden jonge mensen op, met lange haren en grote zonnebrillen. Een jongeman zwaaide met een fles champagne. Wacht maar, nu lachten ze nog, dat hadden zij in Griekenland tot drie, vier jaar geleden ook gedaan.
De speedboot bracht het water rondom de Eleftria in beweging. Een waterhoentje schommelde op de golven, midden in een olievlek.
Giorgos wilde weg. Hij wilde een zak met geld voor zijn familie. Hoe moeilijk zou het zijn, een schilderij te stelen? Eleftheria i thanatos, dacht hij, vrijheid dat was geen gegeven daar moest je voor vechten, daar moest je je leven voor in de waagschaal stellen, dat waren ze in zijn land tientallen jaren vergeten, maar nu was het besef terug.
Nadat hij zijn dek had geschrobd - niemand had gezien dat hij dat helemaal zelf deed, de paar filippino’s die hem hielpen kon hij niet uitbetalen, ze zaten mokkend in hun hut en hij meed ze als de pest - ging hij naar de kapiteinshut. Hij zette de tv aan en kwam in een uitzending van CNN International Europe terecht. De Roemeense verdachten van een kunstroof op een Rotterdamse Gallery moesten voorkomen, de roof was een fluitje van een cent geweest. De Roemenen beweerden dat ze via een zij-ingang zo binnen stonden. De directeur, een slanke jonge vrouw, zo oud als Giorgos’ dochter, beweerde met gespannen gezicht dat de beveiliging ‘state of the art’ was.
Giorgos schudde zijn hoofd, hadden ze in dit land niets beters te doen dan zich bezig te houden met kunstroven? De bewoners van Europa dansten op de vulkaan. De Chinezen kwamen eraan. De handel, daar moesten ze zich op richten, niet op wat ze de laatste resten beschaving noemden. In z’n eigen land had het ook te weinig opgeleverd, die paar gebroken beelden en stukken zuil. Giorgos zapte weg naar een Griekse zender. De zoveelste demonstratie. Wat kon iemand dat gerotzooi met rare schilderijen schelen terwijl een kopje koffie op de hoek van de straat niet meer te betalen was, terwijl zijn vrouw haar koffers stond te pakken, misschien zelfs al de huur had opgezegd?