Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Kunstenaarschap

Chen

Personage: Chen

Vlekveld onderuit

Proza door Edzard – 5 jaren, 7 maanden geleden

De tocht van Schiphol naar het huis van Magda Vlekveld in Buitenveldert, met Li’s bagage en de koker met de Victory Boogie Woogie in de kofferbak, duurde uren. Nog op de lus die Godfried, Chen en Li op de snelweg zou moeten slingeren, begon de Mercedes te pruttelen en te schokken; ineens was het doodstil en gleed de auto sereen met de bocht mee, om in de vluchtstrook verder uit te vieren en dood te vallen.
De wegenwacht bellen was beneden Godfried’s stand. Hij dook onder de motorkap en haalde draden los, bevestigde ze weer; Chen en Li zagen af en toe zijn nagenoeg kale schedel, glimmend en bepareld, toch een fiere bekroning van zijn brein. Met bevuilde handen en vegen op zijn gezicht, de groeven nog dieper en dramatischer, kwam hij weer tevoorschijn.
Toen de auto nog niet wilde starten, dirigeerde hij Li en Chen uit de auto om te duwen.
‘Wat een idioot,’ zei Li tegen Chen terwijl ze met gekromde rug kracht zetten, ‘een soort aapmens, de beschaving moet hier nog uitgevonden worden. Hoe haal je het hoofd om zijn hulp te vragen?’
‘Hij is geen kwaaie, hoor, veel gewauwel waar ik ook niets van begrijp, maar hij brengt ons naar die kunsthistorica, die Vlekvlek. Hij weet waar ze woont, hij zegt dat ze nog iets hebben gehad toen zij nog studeerde.’
‘Iets gehad?’
‘Nou, je weet wel. Ze vielen allemaal voor hem, beweert hij, alle kunstgeschiedenisstudentes. Hij werkte ze een voor een af, hup eroverheen, en dan de volgende. Zo gaat dat hier, Li, echt een beestenbende, ze werken vrouwen af en van standjes weten ze niets, hoe je het een vrouw naar de zin moet maken, ik ben hier nog maar net maar als je eens wist…’
Telkens leek de motor steunend aan te slaan, maar dan stierf het aarzelende geluid nog voor het goed en wel op gang gekomen was. Li en Chen moesten tenminste een halve kilometer geduwd hebben, toen eindelijk een donker grommen opklonk vanonder de motorkap en ze konden instappen, nat van het zweet en de motregen die het Hollandse landschap met zijn snelwegen en bedrijfsgebouwen deed vernevelen tot een idylle uit een andere, gedroomde wereld.

De motorpech was niet het enige oponthoud. Vlak voor de afslag bij het VU ziekenhuis klopte Li op de schouder van Chen en zei hij dat hij eerst naar het Rijksmuseum wilde; hij had in de Beijing Times gelezen dat het heropend was.
‘Alsjeblieft, laten we eerst doen wat we moeten doen, het museum komt later wel. Dan kunnen we daarna samen ook naar de redlightzone, als je wilt,’ zei Chen in het Chinees.
Maar Li stond erop, het hoefde niet lang te duren, hij kende de beroemdste schilderijen wel, hij had ze geschilderd, honderden, duizenden keren, hij wilde ze alleen maar even vergelijken met hoe hij ze schilderde. ‘Weet je, Chen, ik denk eerlijk gezegd dat ik ze in de loop der jaren dus verbeterd heb. Het is pure zen, je verliest jezelf en zinkt weg in de gedachte, of hoe zal ik het zeggen, in de géést van het schilderij. Hoe vaker je het doet, hoe dieper je erin komt. Je wordt het schilderij, bij elke kopie een beetje meer. Wat je dan schildert, kan alleen maar beter zijn dan het origineel. Ik bedoel, het origineel is niet meer dan een vertrekpunt; waar het echt om gaat is de herhaalde oefening.’
‘Wat zitten jullie nou te lullen!’ riep Godfried, ‘wat een fucking brabbeltaal, hoe krijgen jullie het voor elkaar om elkaar ook maar iets aan het verstand te brengen, mán! Je kunt beter twee van die jengelviolen tegen elkaar laten instrijken, je reinste kattengejank.’
‘Li wil naar het Rijksmuseum. Maar dat gaan we niet doen.’
‘Waarom niet? Dat waren echt teringgoede schilders, dat wil je niet weten, die wisten tenminste wat schilderen was.’
‘Hij wil kijken of hij beter is.’
Godfried bulderde van het lachen, ‘goeie gozer. Het kan hem allemaal geen fuck schelen, reputaties, hij gaat voor de kunst, vrijheid blijheid.’
Hij trapte de gaspedaal dieper in, de auto schoot naar voren.

Godfried en Chen dwaalden door de zalen, stonden in mum van tijd weer buiten, dronken koffie, lunchten en gingen op bier over in een café aan het Leidseplein. Met verwondering nam Chen alle oranje versiering op, het roodwitblauw dat ook overal terugkeerde, vreemde, harde kleuren, waarin hij verwantschap zag met de kleuren van de Victory Boogiewoogie – misschien had Mondriaan ooit voor het Hof geschilderd en was zijn kinderlijke kleurpalet in dit land tot wet verheven.
Li was nog steeds in het Rijksmuseum. Godfried had al meerdere biertjes op en werd onrustig. Hij kon het niet laten steeds weer over Li te beginnen, hij was bang dat hij iets met het schilderij aan het uitspoken was, in het Rijksmuseum, of elders.
‘Zonder Vlekveld kan hij er niets mee,’ herhaalde Chen, en Godfried liet zich dan weer in zijn stoel zakken, steeds wanhopiger en stiller, alsof zijn bravoure met de verstrijkende minuten weglekte.
‘Zie je, niets aan de hand,’ riep Chen toen zijn mobieltje leek te exploderen.
‘Weet je, die Victory Boogie Woogie kan me aan m’n reet roesten. Mijn handen tintelen, die energie, ik moet weer eens iets maken. Ik voel het, het is dichtbij, ik kan het niet tegenhouden.’
Terwijl hij opstond, als verzwaard, viel zijn stoel. Hij leek het niet te merken en slingerde tussen de tafels en stoelen door, stootte nog een stoel om en liep naar buiten.
‘Misschien is het beter als jij rijdt,’ zei Li tegen Chen.
‘Er is maar één die in mijn Mercedes rijdt, en die heet Godfried,’ brieste de kunstenaar toen Chen zei dat hij ook kon rijden.
Met een schok, alsof ze gelanceerd werden, verlieten ze de parkeergarage en schoten ze de Van Baerlestraat op. Het bier had Godfried op scherp gezet, zijn zwijgen was onheilspellend, zijn rijden driftig, alsof hij remmend en versnellend, bruut voorrang nemend en andere auto’s afsnijdend, iets wilde openbreken, iets wat hem beknelde, zijn leven, zijn kunstenaarschap. Chen zei niets, in Beijing was hij niet anders gewend, het was hem al opgevallen dat Nederlanders als bejaarden reden. Weer voelde hij ontzag voor de grote, uit botten en vlees opgebouwde Nederlander. Godfried reed dierlijk, op zijn instinct, als een neushoorn die door het oerwoud stampt. Met zijn hoofd zat hij zowat tegen de voorruit aan, telkens wist hij net op tijd bij te sturen of af te remmen.
Hij liet zijn remmen piepen. Jankend schoot de Mercedes vervolgens tientallen meters achteruit, bonkte het trottoir op, voor een laag flatgebouw, waar nooit iets zou gebeuren.
‘Jezus, mán, ze was best een wilde chick, en nu hier, in deze graveyard…’
Chen liep met Godfried mee naar de voordeur, Li bleef in de auto, met de koker over zijn schoot - hij zou er pas uit komen als de professor thuis was.
M.J.A.M.L. Vlekveld’ vermeldde het naambordje. Ze woonde op de begane grond.
Geen gezoem, de gemeenschappelijke hal leeg, behoudens een aardewerken vaas zonder bloemen.
Chen keek op naar Godfried, als een kind.
‘Verdomme, dat ook nog, die kut is niet…’ maar er klonk een klik, als een tikje tegen een glas, amper hoorbaar. De klap waarmee Godfried de deur tegen de stopper duwde, dreunde door het trappenhuis.
Haar voordeur stond op een kier, ‘zie je Chen, Magda verwacht ons al,’ zei de kunstenaar, toch weer monter en energiek.
Ze bleven staan. De kier bleef de kier, daarachter stilte, witte stilte, dat was nog net zichtbaar.
Weer staarde Chen naar de kunstenaar, hij kende de mores van dit land. Op zijn beurt grijnsde de kunstenaar naar de Chinees en liet deurknop in zijn hand verdwijnen.
Geen beweging, iets blokkeerde de deur. Hij zette zijn schouder ertegenaan, hij gebruikte zijn volle gewicht, hij kreeg de deur zover open te krijgen dat hij eromheen kon kijken.
Hij was één bonk zwijgend vlees. Hij zou daar voor een eeuwigheid te staan, een kolos die de tijd weerstond.
‘Krijg de fucking tering, Jezus, mán,’ hoorde Chen hem uiteindelijk zeggen, en hij zette zich schrap en schoof de deur zover open dat ze naar binnen konden.