Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Plakband

Proza door Martijn Simons – 6 jaren, 3 maanden geleden

Lianne Verstraaten zat met haar rugtas op schoot op het bakstenen muurtje voor het Gemeentemuseum, de zon in haar gezicht en, heel gek, dat vond ze zelf ook, ze hijgde een beetje en had het ongewoon warm, alsof ze zojuist haar gebruikelijke twee rondjes Vondelpark had gedaan en niet bijna een half uur naar een scheef opgehangen schilderij had staan koekeloeren. Ze luisterde naar het geluid van de fontein in de vijver achter zich, probeerde haar ademhaling onder controle te brengen en legde een hand op haar borst. Plakband!

Morgen [weet niet precies of dit klopt, dan wel kan, MS] waren de meetings, eerst met die Chinees die ze niet kende en daarna met die gladde Van Zwaaij, die corpsbal. Ze had zojuist nog, in de trein, stukjes van de aflevering van DWDD teruggekeken op haar iPhone, en ze kon wel janken om die vent en zijn geblaat. Die zou nooit zijn portemonnee trekken om een ander, in dit geval de gemeente, een plezier te doen. En wat ze van die Chen moest verwachten, ze had geen idee.

Klamme handen, ook dat nog. Ze wapperde ermee langs haar lijf, een zinloze beweging die er bovendien voor omstanders waarschijnlijk idioot uit moest zien. Jezus, Lianne, zei ze zacht, doe effe normaal. En als het nou door het doek was gekomen, ja, dan zou er niks aan de hand zijn. Dan zou ze eindelijk bevangen zijn geraakt door een kunstwerk, op een manier die nog het meeste deed denken aan hoe ze bevangen kon raken van een jongen die ze tegenkwam op een feest of een festival.

Mevrouw Claetering had haar een opdracht gegeven, vergezeld van een paar telefoonnummers, en vanaf dat moment dacht Lianne twee dingen. Een: de schilderijen moeten naar Amsterdam gehaald. En twee: er is geen geld. Ze kon er niet te lang aan denken, dan werd ze gek, dat wist ze zeker. Het was of haar een stuk lood in handen was gedrukt en gesommeerd was met niets anders terug te keren dan een klomp goud.

Goed, had ze gedacht, eerst maar eens kijken waar iedereen zo’n heisa over maakte, en ze had vroeg in de morgen nog de trein naar Den Haag genomen. Eenmaal in het museum – stikduur, zo’n kaartje, maar ze kon het declareren – had ze iemand gevraagd waar het werk hing en was ze er rechtstreeks naartoe gelopen. Ze was er twintig minuten voor blijven staan, eerst heel dichtbij en dan weer op een paar meter afstand, het hoofd recht, het hoofd gekanteld als het doek zelf, het materiaal bestuderend. Ze probeerde iets te voelen, iets van wat ze zag tot haar door te laten dringen, iets te ervaren, zoals dat wel werd genoemd. Maar ze dacht: Zie ik nou plakband?

Om eerlijk te zijn, ze voelde niets, niets van de dingen die ze van tevoren op Wikipedia had gelezen, over het ritme en de snelheid en de moderniteit van het werk, over de onvoltooide status en het gevoel dat het doek nog altijd in beweging was en dat dat altijd zo zou blijven: niks van dat alles. Het enige wat ze voelde was een nauwelijks te bedwingen neiging onbedaarlijk in de lach te schieten, bij de aanblik van die stukjes plakband. Plakband van, ze geloofde het haast niet, meer dan een halve eeuw oud. Yeah, right.

Lianne ritste haar rugtas dicht. In de stripboeken die ze vroeger las, kwam er op een moment als dit altijd iemand op de proppen met een list, een soort deus ex machina, maar dit was geen stripboek, en als Lianne haar tijdelijke contract aan het eind van de zomer verlengd wilde zien, moest ze dit tot een goed einde zien te brengen. En het enige goede einde was: allebei die doeken in het Stedelijk, no matter what. Ze had het idee dat ze al haar spieren in haar lichaam voelde toen ze zich van het muurtje liet glijden, nog eenmaal een blik op het museum wierp en terug begon te lopen richting Centraal Station.