Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Pingpong

Pingpong

Proza door Arie Willem v Veelen – 6 jaren, 1 maand geleden
Pingpong

In 1902 verscheen bij de American Sports Publishing Company een handleiding voor tafeltennis: “Table tennis; a description of the game, with rules and instructions for playing.” Het boekje van 84 pagina’s vangt aan met wat fait divers. Tafeltennis heet ook wel: Whiff-Whaff, Pom-Pom en Ping-Pong. Het spel komt uit Japan, waar het al bijna tweeduizend jaar wordt gespeeld. Het huidige succes komt door de nieuwe balletjes van celluloid, in plaats van rubber.
Dan volgen de spelinstructies. Er staan illustraties bij van een heer in jacquet, die de slagen voordoet. Zo’n instructieboekje is eigenlijk onzinnig, schrijft de anonieme auteur vervolgens. Je moet niet lezen, maar spélen. Hij staakt zijn uitleg dus, maar spreekt nog wel de hoop uit dat zijn publiek het spel op de juiste wijze zal spelen, en met de juiste uitrusting.

Die juiste uitrusting, zo blijkt, is te koop bij A. G. Spalding & Bros., 126 Nassau Street, New York. Het materiaal uit die winkel is gemaakt volgens de regels van de sportbonden: deze spullen zijn ‘official’.
Wat volgt zijn advertenties. Ruim de helft van de 84 pagina’s van het boekje bestaat uit reclame. Het is een folder. De belangrijkste spelregel is: koop de juiste spullen, wees officieel.
Elk spelletje verandert vroeg of laat in een business, met officiële regels en officiële sponsoren. Elk spel wordt vanzelf een serieus regime.

Eén van de eerste videogames was Pong, uit 1972. Het ging om een computervariant van tafeltennis. Het batje bestond uit een paar pixels die je op en neer moest bewegen om het balletje naar je medespeler – vaak de computer zelf – terug te kaatsen. Dit spel was de voorloper van de gigantische videogame-industrie van nu.
Ik ben met spelletjes gestopt rond mijn twaalfde. Ik denk dat Prince of Persia de laatste was. Soms ben ik bang dat ik nu een essentieel aspect van mijn eigen tijd aan het missen ben. Spelletjes zijn nu overal, en zijn een gewichtige zaak geworden, met lectoraten en professoraten en kunstenaars. Het verkleinwoordje mag niet meer. ‘Spelletje’ staat tot game zoals ‘pingpong’ staat tot tafeltennis en ‘strip’ staat tot graphic novel.
Het enige spelletje dat mij na mijn vijftiende nog kon bekoren is de klassieker Snake, op mijn mobiele telefoon. Je bent een slang die steeds een hapje moet nemen zonder jezelf aan te raken. Bij elk hapje groeit je staart. Hoe verder je vordert, hoe benauwder je het krijgt, omdat er steeds meer slang is en steeds minder manoeuvreerruimte.
Dat is mooi sardonisch: hoe beter je bent, hoe moeilijker je het jezelf maakt. En hoe goed je het ook doet, winnen kun je niet. Dat maakt Snake een embleem van het leven zelf. Je bent onderworpen aan instructies die je niet zelf bedacht; er is geen uitgang; hoe goed je het ook doet, je bent straks af.
Elke game is een gesloten systeem. Dat is unfair. Dus ik ben met spelletjes gestopt.
Maar de laatste jaren komen spelletjes ongevraagd terug in mijn leven.
September 2012, bijvoorbeeld, kwam zorgverzekeraar Menzis met een spel waarbij je punten kon verdienen door gezond te leven. Dit spel heet SamenGezond. Je krijgt punten als je niet rookt of een marathon loopt. Die punten kun je inruilen voor cadeaus en kortingen.
Hier wordt een spelelement gebruikt om gedrag te beïnvloeden. Zo’n toepassing heet gamification.
Ander voorbeeld. Een vriend liet me laatst een rubber armbandje zien met ledlampjes en een sensor. Het is de Nike FuelBand. Het ding registreert al zijn bewegingen en turft hoeveel calorieën hij verbrandt. Hij kan zelf doelen instellen of via Facebook een competitie beginnen met vrienden.

De gedachte dat een lastige taak leuk wordt al je er een spelletje van maakt is niet nieuw. Mary Poppins zong in 1964 al: ‘a spoonful of sugar helps the medicine go down’. Dat lied begint met de volgende, gesproken woorden:
‘In ev’ry job that must be done
There is an element of fun
You find the fun and snap!
The job’s a game’.
Zulk zelfbedrog werkt soms. Bijvoorbeeld als je een raceparcours uitzet voor je stofzuiger om zo het schoonmaken te veraangenamen. Maar het is al anders als je de regels niet zelf hebt bedacht, als het gaat om klassieke gedragsbeïnvloeding. De internetcriticus Evgeny Morozov (1984) beschrijft ergens hoe er in de Sovjet-Unie ook al aan een soort gamification werd gedaan: als studenten naar het platteland werden gestuurd om te helpen met oogsten, was er ter motivatie een puntensysteem.
Snap! The job’s a game!
Life is a sport!
Gamification is dus iets ouds, maar het nieuwe is dat het nu alomtegenwoordig is. Het spel wordt nu massaal misbruikt voor een doel buiten het spel zelf. Sport en spel met bijbedoelingen. Alles is een profcompetitie geworden. Alles wordt spel – maar niet op een postmoderne wijze, niet pour le sport, niet l’art pour l’art.
Het risico is dat je niet werk verandert in spel, maar spel in werk. Dat je tafeltennis speelt, niet voor de lol, maar om punten te sparen voor je verzekering.
De slang moet zich altijd in eigen staart bijten. Gister kreeg ik een bericht dat ik een bijdrage mocht schrijven over pingpong. Ik heb mij, met bokkensprongen, keurig aan de regels gehouden. Maar misschien ben ik te solistisch voor het sociale, voor gezelschapsspel; misschien benauwen mij de regels te veel – heb ik nu al spijt dat ik mij aan instructies hield.
Er bestaat een oude, kwijnende, romantische opvatting van het kunstenaarschap. Dat de kunstenaar een eenling is die de regels juist aan de laars lapt. Die alleen binnen de lijntjes kleurt als hij die lijntjes zelf heeft uitgezet. Voor wie ‘spel’ en ‘regels’ tegenpolen zijn en het woord ‘spelregels’ een oxymoron. De verdwijnende traditie die zei dat de goede kunstenaar spelbreker is, omdat andermans instructies – zie kookboeken, algoritmen – nooit tot kunst leiden, hooguit tot gepingpong en recreativiteit.