Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Meesterwerk

Magda Vlekveld

Personage: Magda Vlekveld

De boogiewoogie van het IJ

Proza door Arjen – 6 jaren, 2 maanden geleden

Daar stond ik, ontdaan, verlamd, en keek in het gapende gat van de geschiedenis. Over de wanden van de grot van mijn innerlijk dwarrelden lichtbeelden uit de voorbije maanden. De brief op vooroorlogs luchtpostpapier vol bizarre tekens en stempels. De vage, verkleurde, deels gescheurde fotoafdrukken. De documenten uit ‘46 over de uitvoer uit de U.S.A. van een schilderij genaamd ‘Vimbooglewoogle’ van de hand van wat zich in het slordige handschrift liet lezen als D. Nondrial. Het langzaam rijzende besef: het zal toch niet dé Victory Boogie Woogie zijn, niet een vroege schets, maar de eerste versie in verf, hét voorstadium dat meer dan een jaar tegen de wand van Mondriaans Newyorkse atelier had staan wachten tot de kunstenaar weer de tijd en concentratie kon opbrengen eraan verder te werken?
Ik had altijd geweten dat hij eind ‘43 aan een nieuw doek was begonnen in plaats van het oude voor de zoveelste keer over te schilderen. De röntgenfoto’s die ze in het Haags Gemeentemuseum van het uiteindelijke werk hadden gemaakt lieten toch duidelijk zien dat Mondriaan veel minder aan het doek had gewerkt dan de overgeleverde bronnen beweerden. Wat een vreemd werk ook, deze eerste versie in verf, die harde rode en gele stroken, en op de polaroids waren zelfs twee zwarte lijnen te ontdekken. Dat weerlegde de theorie van prof. Joop Joosten van de Catalogue Raisonné dat de Victory uit de titel niet op de aanstaande overwinning van de geallieerden tegen nazi-Duitsland sloeg, maar op Mondriaans eigen overwinning op de zwarte lijnen die zijn werk in de jaren ‘30 hadden overwoekerd. Het werk van begin ‘43 was nog helemaal niet in de wervelende overwinningsstemming die het uiteindelijke werk oproept en uitstraalt.
Met de provenance in handen wist ik wat mij te doen stond: deze authentieke Mondriaan redden voor Nederland, en er dan - durfde ik het mijzelf al toegeven? - het definitieve boek over schrijven voordat er weer zo’n postmoderne zot als Wannus Botering een theoretisch sausje over meende te moeten uitgieten. Om over het commerciële circus maar te zwijgen…
En toen het verlossende telefoontje, het schip dat eindelijk de haven in voer. De ontmoeting met het Chinese echtpaar dat nu voor mij grommend en sissend met elkaar staat te bakeleien over waar de kist is gebleven, neem ik aan. Hun verhaal zat al zo vol tegenstrijdigheden: eerst was er een ruwhouten kist, later een van noten- of zelfs kersenhout. Eindigde hier het spoor? Maar dat het werk bestond, dat wist ik zeker. De foto’s en documenten bewezen het.
Naast me klinkt nu ook het klaterend geklets van die hysterische journaliste, Joie de Vivre of wat was het ook weer. Vers van de School voor Journalistiek in Utrecht: een typisch product van de daar heersende zesjescultuur. Kon ze niet voor één keer haar brutale mond houden en nadenken? Snapte ze nog niet wat er op het spel stond, het onnozele mens?
‘Ik weet hoe ik dit moet aanpakken,’ mompelde Joris, dat wil zeggen advocaat Schillinckxs van het gerenommeerde kantoor Schillinckxs en Schillinks aan de Herengracht te Amsterdam. ‘Kom mee.’
Ik liet me door de nauwe gang en de glibberige trap terug naar het dek voeren. Maar in het zonlicht en met de frisse wind over mijn wangen, pakte ik de reling, ademde diep en zei: ‘Doe jij wat je doen moet, ik wil hier buiten blijven.’
Ik liep over de kade weg van het schip met zijn barre bewoners, langs het IJ-water dat blikkerde als een boogiewoogie zo vrolijk. Uit de eerste geverfde versie van het schilderij sprak al Mondriaans twijfel en aarzeling en wanhoop en bodemloze vertwijfeling. Was het nu voor de tweede keer achter de horizon van de geschiedenis verdwenen? Wat stond ik hier dan te doen? Waarop was mijn leven gegrondvest? Hoe zuiver was ik in mijn motieven? De VBW is geen vrijblijvend studieobject, geen leuk stukje design met de kleurtjes van plastic meisjesringen. Het is de meest genadeloze boorgang door de ziel van de westerse mens uit heel die meedogenloze twintigste-eeuwse kunst, waar ik godbetert mijn brood mee poog te verdienen. De VBW is een ziel in duigen, de mijne, die van ons allemaal. O dood, waar is uw prikkel?
‘Psst, vrouwtje,’ klonk het naast me. Ik keek op. Een zwerver, een beduimelde scharrelaar stak zijn duim naar me op. Een penetrante zweetlucht walmde me uit zijn kleren tegemoet.
‘Ik denk dat ik iets heb waar jij heel vrolijk van wordt,’ zei hij.
Ik zag ons tweeën als van een hoogte staan op de verlaten kade.
‘Kom mee naar mijn loods. Maar snel, voor we die andere hotemetoten achter ons aan krijgen.’