Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Rijks Museum

Proza door Daniel Rovers – 5 jaren, 11 maanden geleden

Twee in feloranjegele regenjassen gehesen mannen hielden de wacht. Op hun jas de naam ‘VERKEERSREGELAAR’. Ze ontzegden fietsers de toegang tot het fietspad in de onderdoorgang, een verbodsbod alleen was kennelijk niet genoeg in deze stad.

Van de vier draaideuren waren er drie buiten werking. Geen probleem voor de gretige museumbezoekers, die zich met hun tienen tegelijk in de glazen driehoek van de draaideur persten alsof ze er werkelijk tien jaar op gewacht hadden, stapje voor stapje schuifelend naar het zojuist heropende kunstwalhalla: Rembrandt, Vermeer, Van Gogh. Li hield met beide handen een in dik karton ingepakt vierkant voorwerp vast en wrong zich door de deur.

De meisjes in de garderobe werkten er nog maar een week, leken vers uit de verpakking gehaald. Het garderobemeisje bij de sectie A wenkte dat hij mocht komen. Li bood het pakket aan als een door de wol geverfde postbezorger, die niet op weigeren is ingesteld. ‘Uhm, well, Sir, nou ja, although this package is much too big, we can put it, I think, under the desk right here for you, we hold an eye on it, no problem.’ Zijn fiche was A-234. Geen geluksgetal.

Twee rijen mensen schuifelden onder twee bijbelse stenen poorten door, waar een lange jongen met kostschoolscheiding in zijn haar de kaartjes scande. De meeste bezoekers liepen daarna linea recta naar de derde verdieping, naar de Gallery of Honour, zaal 1 van Cinema de Gouden Eeuw. Li echter nam de trappen aan de rechterkant naar eerste verdieping, ging de schuifdeur door en zag hem daar meteen hangen, aan het einde van de lange negentiende eeuw, naast Toorops “The Sea near Katwijk”.

In levenden lijve, bij wijze van spreken: “Oostzijdse Mill along the River Gein by Moonlight” uit 1903 van Piet Mondriaan, het werk waarop hij amper een jaar geleden summa cum laude was afgestudeerd aan het Shanghai Institute of Visual Art. Rustig was het op deze afdeling, waar de meeste aandacht werd getrokken door een zelfportret van Van Gogh waar Japanners een hand onder hielden alsof ze die rossige kop op een presenteerblaadje wilden hebben op de foto. Zo’n smartphone, bedacht Li, is het beste bewijs dat de techniek toch altijd deels vernietigt wat ze beweert vast te willen houden. Hij hoefde niet eens een blik te werpen op “The Nightwatch”, een verdieping hoger, om te weten dat het olieverfschilderij voortdurend in een rode gloed zou staan van red-eye-reduction-licht.

Oostzijdse Mill along the River Gein by Moonlight” – na tien jaar voornamelijk te hebben doorgebracht in de opslagplaats, hing het hier, als aankondiging, een ware belofte van de twintigste eeuw. Precies veertig jaar eerder tot stand gekomen dan dat schilderij dat deze weken zo veel besproken en betwitterd werd. Zeker: dit was een realistisch werk, maar in het oppervlak hielden zich de kleurvlekken, je zou bijna zeggen de pixels klaar om te ontsnappen aan de ordenende menselijke blik, zoals je staand op een wolkenkrabber ook niet de gezichtsuitdrukkingen of zelfs maar de mensen en auto’s waarneemt, maar de kleurvlakken en het raster van de stad.

Toch maar een blik werpen op de Gallery of Honour. The New York Times had geschreven over de hidden gems die de architect in het gebouw verwerkt had. Li keek omhoog, zag bleke blonde drugsverslaafden moedeloos staren naar de chauffeur van de methadonbus: ‘Willibrordus preekt het Christendom tot de Friezen.’ Een jonge vrouw in een gele jurk kwam naast hem staan, zei met een vriendelijk gezicht: ‘Nou, die Friezen hebben er ook niet echt zin in.’

Boven, op de zolderverdieping, een smalle gang, voorbij de stoelen van Berlage en een schaakspel dat een bekende Duitse nazi aan een Nederlandse nazi geschonken had, voorbij een authentiek pak uit een concentratiekamp dat daar ingelijst hing als een heilig object, als de lijkwade van Turijn, naar een hoge vierkante ruimte waar drie Mondriaans tegenover een levensgroot gevechtsvliegtuig uit de Eerste Wereldoorlog hingen, waarbij het vliegtuig in dezelfde primaire kleuren als de doeken geschilderd leek. Een handjevol mensen dat tot de zolder was doorgedrongen keek verveeld naar een film die cineast Joris Ivens – welbekend Chinareiziger – maakte van de Philipsfabrieken in 1931. Li hield voor elke Trafalquar Square vijf minuten stil, als bij een herdenkingsplechtigheid, zonder dat iemand naast hem kwam staan. Hij voelde dat gevechtsvliegtuig in zijn rug hangen als een levensgroot pistool. Een bedreiging, maar van wie of wat?

Met de lift naar beneden. Wat nu? Zo’n Hollandse jenever drinken in het museumrestaurant waar de museumdirecteur zo vol van was geweest in The New Yorker? In de museumshop kocht hij een plastic ring, zo’n ring voor meisjes, met op het zegel een Hollands meesterwerk. De afdruk was er een van Mondriaans Trafalquar Square; als je er een aansteker bij hield veranderde het beeld in dat ene schilderij dat in Den Haag hing, als je tenminste geloofde in de feiten.