Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Kinderdagverblijf

Godfried de Ridder

Personage: Godfried de Ridder

Naar het kinderdagverblijf met Godfried de Ridder

Proza door Alma MathijsenGastbijdrage – 5 jaren, 7 maanden geleden

“Ik heb nu geen zin in jou,” Godfried de Ridder houdt de deur in zijn hand, “ga maar foto’s van eenden maken, weet ik veel, is het geen broedseizoen?”
Het is 9 uur in de morgen, de zon schijnt fel naar binnen, de fotograaf staart Godfried even aan en stapt dan langs hem heen naar binnen. Op de grond liggen tientallen doeken, die schilderijen noemt Godfried ‘zorgenkindjes’. Hij weet niet hoe hij ze af moet maken, de uiteindelijke versie is nog lang niet daar. Op een bijzettafeltje liggen tubes verf klaar, zelfs de dopjes zijn eraf gedraaid. Godfried had gehoopt dat hij onder de verf zou zitten wanneer de fotograaf zou aanbellen, maar hij durfde de hele nacht geen veeg op het doek te zetten. Hij dacht aan een nieuws-item dat hij als kind had gezien. Een meisje, niet ouder dan zes, had tijdens het tekenuurtje een meesterwerk gemaakt. Met ecoline had ze een abstract werk geschilderd. dat iets in mensen ontdooide. Ze werd geïnterviewd, ze zei dat ze niet wist wat ze had gedaan, dat ze gewoon aan het kleuren was. Het stuk werd opgenomen in de collectie van het Guggenheim. Het meisje had niet door dat ze een meesterwerk maakte, ze had het niet door. Die woorden spookten door het hoofd van Godfried. Hij had altijd door waar hij mee bezig was, over elke verfstreek die hij zette dacht hij eerst na, hij verloor zichzelf nooit.
“Van dat werk hoef je geen foto’s te maken.”
De fotograaf draait zich om.
“Ik maak foto’s van je leven, dit is je leven.”
“Weet jij wat Piet Mondriaan deed met een schilderij dat niet lukte?”
“Moet ik raden?”
“Ja, doe maar,” zegt Godfried ongeduldig.
“Strikvraag. Het lukte altijd, want hij ging door tot het goed was?”
“Nee, fout! Ha, hartstikke fout.”
“Wat dan?”
“Hij nam het doek mee naar zijn tuin, zette het neer en schoot het neer met een 9 millimeter pistool. Dat was Piet.”
“Wil je schilderijen gaan afschieten?”
Godfried raakt geïrriteerd: “Een doek is pas een painting als het af is. Nu is het een doek. Je begrijpt het niet. En schieten, ja, dat kan ik helemaal niet. Ik kan dat toch niet? Ik kan niet eens een doek verwoesten, laat staan een goed werk maken.”
Hij gaat zitten op zijn bank, hij weet zichzelf geen houding te geven. De fotograaf knielt voor hem neer en klikt.
“Flikker nou een eind op, zeg.”
Ware kunst komt tot je, die kun je niet verzinnen. Godfried wil zien hoe die ontstaat. De vraag is of zoiets valt af te kijken. Hij wrijft zijn rimpels samen, en snuift een aantal keer hard.
“We gaan op stap,” zegt hij dan.
“Als het buiten is, moet ik een andere lens pakken.”
“Pak die dan.”
“Die ligt thuis.”
“Op een dag is onze samenwerking voorbij, ik hoop dat je dat begrijpt.”
“Ik woon niet ver.”
Een lange stilte.
“Heb jij eigenlijk kinderen?”
“Ja, hoezo?”
“Hoe oud?”
“Drie en vijf, hoezo?”
‘Waar is die driejarige?”
“Bij mijn ex, hoezo?”
De ogen van Godfried beginnen te twinkelen, hij slaat zijn handen in elkaar.
“Eerst halen we je lens, dan halen we de driejarige, en dan gaan we naar een kinderdagverblijf. Ik neem je mee op zoektocht naar ware kunst.”
Een tevreden glimlach straalt op het gezicht van Godfried. Dit is hoe het zal gaan. Hij zal zien hoe kunst in zijn puurste vorm gemaakt wordt, zonder belemmering van enige kennis van zaken. Kunst glijdt zo zonder oordeel van het brein uit de vingers van de kinderen.
“Waarom heb je daar mijn zoon voor nodig?”
“Zeg, zeg, jij bent hier omdat ik je een plezier doe. Nu mag jij mij een plezier doen. Als wij, twee mannen van middelbare leeftijd…”
“Ik ben 28.”
“Als wij, twee mannen van gemiddelde leeftijd een kinderdagverblijf binnen lopen zonder kind, dan is dat is raar. Dat vinden de mensen raar. Daar moet een kind bij.”
“Ik ben niet op zo’n goede voet met mijn ex. Ik weet het niet.”
“Nog beter.”
Een half uur later staan ze voor de deur van de ex. De bel zoemt lang door. De fotograaf draait zich om, haalt zijn handen door zijn haar en vloekt zachtjes. Godfried doet moeite om zijn gezicht strak te houden. De deur gaat open, een vrouw in velours joggingpak doet open.
“Mijn naam is Godfried de Ridder en ik kom uw zoon ophalen.”