Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Plastic meisjesringen

Magda Vlekveld

Personage: Magda Vlekveld

Made in China

Proza door Sanneke van HasselGastbijdrage – 6 jaren, 7 maanden geleden

Een van de dingen waarmee ik me vroeger absoluut niet mocht vertonen, was het plastic meisjesringetje. Op de lagere school hadden al mijn klasgenotes er minstens een. Met een lieveheersbeestje, dat wij kapoentje noemden, een dolfijntje, een geëmailleerd bloemetje, een vlindertje of een trosje kersen. Soms waren ze van zilver, maar meestal van buigzaam staal of plastic. De ringetjes sloten niet volledig, ze bogen mee met de kleine-meisjesvingers. Ze braken ook makkelijk, maar dat gaf niet, de meisjes uit mijn klas hadden er vaak meer dan een. Ze haalden ze uit van die plastic ballen met speelgoed of snoep erin, die ze van hun ouders uit de automaat mochten trekken. In de kantine van het zwembad had je zo’n automaat en ook bij de ingang van de drogist prijkte er een naast een plastic paard waar je vijftig cent in moest gooien, waarop het dier traag rondjes begon te draaien. Op zo’n ritje hoefde ik niet te rekenen, dat was ordinaire onzin, vonden mijn ouders. Net als ajourkousen (van die witte met gaatjes), zwarte lakschoenen (zoals Stefanie Slijkhuis ze had), knopjes in mijn oren en barbiepoppen.
Voor de buitenwereld leek het misschien of ik niks mocht, maar niets is minder waar. Al op jonge leeftijd kon ik het complete oeuvre voor kinderen van An Rutgers van der Loeff, een botaniseertrommel en een microscoop tot mijn bezittingen rekenen. Daarnaast gingen we niet alleen met Hemelvaart dauwtrappen, nee, zodra het eerder licht werd stonden we vroeg op voor een verkwikkende wandeling (maar laat naar bed gaan mocht weer bijna nooit). Verder bezocht ik ieder weekend met mijn ouders een museum (uit de Nederlandse Museumgids) en minstens drie keer per jaar een Natuurvriendenhuis.
Al jong voelde ik dat ik anders was dan de anderen. ‘Hee Vetvlek,’ riepen ze me vanaf halverwege de lagere school toe, een naam die aan me bleef kleven, ook toen ik in Apeldoorn naar het gym ging. Mijn kleren waren altijd onberispelijk schoon, dat was het niet, maar mijn moeder had een voorkeur voor onopvallende kleuren. In de jaren zeventig met zijn paars, oranje en bruin, was ik de vale vetvlek.
Ik schikte mij vrij makkelijk in mijn lot. Achteraf zijn mijn klasgenoten allemaal als kleurloze wezens in hun Veluwse bungalows geëindigd, misschien dat ik dat toen al voorvoelde. De pauzes bracht ik in mijn eentje door. Eindeloos hinkelspelletjes doen op de vierkante tegels of het raster tussen de tegels natrekkend met een stokje. Het gaf mij rust en bracht me misschien wel mijn voorliefde voor abstract geometrische kunst.
Een keer kreeg ik in de grote pauze van een vriendinnetje zo’n ringetje toegeworpen: ‘Hier vetvlek, heb ik dubbel,’ riep ze. Het was een plastic ringetje met een roze bloemetje met een geel hartje. ‘Made in China’ stond er aan de binnenkant. Ik wist niet goed wat ik ermee aan moest, wist blijkbaar instinctief dat er iets niet in de haak was met dit object. Na schooltijd vond mijn moeder het ringetje in mijn broodtrommel. Met opgetrokken wenkbrauwen keek ze naar het ding dat tussen de kruimels lag. ‘Weet je wel door wie en onder welke omstandigheden dat gemaakt wordt?’ vroeg ze.
Angstig keek ik naar het ringetje dat ze met een afkeurende blik uit het trommeltje viste. Had ik het maar in mijn laatje op school gelaten.
‘Chinese kinderhandjes,’ zei ze.
Direct zag ik een lange rij donkere kopjes voor me, daaronder een rij kleine ongeringde werkhandjes, die voor blonde meisjes als ik ringetjes in transparante plastic ballen moesten stoppen.
Tijdens het avondeten verklikte mijn moeder het voorval aan mijn vader. Hij greep het aan om college te geven over de mensenrechtenschending in China, over Mao en de heropvoedingskampen. Van de Grote Sprong Voorwaarts die slechts hongersnood had opgeleverd, tot de industriële revolutie die nu op gang aan het komen was. ‘Ze zijn niet wat ze lijken,’ zei hij een paar keer. Zijn woorden bleken profetisch. China kan inmiddels een communistische handelsnatie genoemd worden, een contradictio in terminis. De dubbele moraal viert er hoogtij.
De laatste jaren zie ik ook in de beeldende kunst steeds meer curatoren en critici naar China lonken. De Chinese moderne kunst kan mij niet bekoren, te weinig ‘Geist’. Ze zijn er blijven steken in het ambachtelijke, gecombineerd met pop-artachtige ideeën, en daarnaast heb je nog de shock art van wat door het regime geteisterde zielen.
Maar goed, mijn moeder, middenin de keuken, zon viel door het raam, op haar, op het Chinese ringetje, dat ze tussen duim en wijsvinger hield.
‘Welnu, Magda. Wat gaan we ermee doen?’ vroeg ze.
‘Ik wil dat u het weggooit, moeder,’ zei ik.
‘Heel goed, mijn kind.’ De trap op het pedaal van de vuilnisemmer, het deksel wat openvloog. Mijn ringetje, bovenop de aardappelschillen.
Wat betreft die meisjesringen hebben mijn ouders niet kunnen raden dat het allemaal nog veel erger zou worden. Dat je nu winkels hebt met enkel en alleen oorbellen, armbanden en haarspelden. Dat we in een wegwerpmaatschappij leven. Dat er bijna niets meer is wat niet ‘Made in China’ voor weinig geld te verkrijgen is, dat er van de soberheid die Mondriaan en zijn tijdgenoten nastreefden maar bar weinig terecht kwam.