Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Vertrouwen

Proza door Robbert – 5 jaren, 8 maanden geleden

Radeloosheid, het is geen gezicht bij een man. Zeker niet als het je eigen man is. En radeloos was Chen. Zijn ogen stonden groot, zijn mond hing open en dan die rode vlekken die spontaan in zijn nek waren verschenen.
Of ik er iets van wist, wilde hij weten.
Hij was de hut uit gestormd, naar mij toe, en had mijn onderarm vastgepakt.
‘Waarvan?’ vroeg ik.
‘De kist natuurlijk.’ Hij omklemde mijn pols steviger, met twee handen nu, smekend.
‘Je doet me pijn,’ zei ik en keek naar zijn handen. Hij volgde mijn blik en liet los. Zijn armen hingen nu slap langs zijn lichaam en beduusd staarde hij voor zich uit, als een aan zichzelf overgelaten kind.
‘Nee, ik weet niet waar de kist is,’ antwoordde ik. ‘Ik was net in de loods een kopje thee aan het drinken.’
‘Hoe kun je hier zo rustig onder blijven?’ vroeg Chen retorisch. Hij legde zijn warme voorhoofd tegen de koude wand en sloot zijn ogen. ‘De kist is weg! Hij staat niet meer onder het bed!’
‘Dat hij niet meer onder het bed staat, wil nog niet zeggen dat hij weg is.’
Hij draaide zijn gezicht naar me toe. ‘Weet jij dan waar hij is?’
‘Nee.’
‘Waarom zeg je dan zulke dingen? Zo’n opmerking, waar slaat dat op? Soms snap ik echt niks van jou. Je lijkt zo… berekenend, zo irritant kalm. Alsof niets je kan raken. Nou, mij raakt het wel. En jou zou het ook moeten raken. Het is ook jouw toekomst, in die kist.’
Hij kreunde en legde opnieuw zijn voorhoofd tegen de wand.
Radeloosheid: niet alleen bij een man, ook bij een vrouw is het geen gezicht, trouwens. Al zal het in de perceptie van een man iets aantrekkelijks hebben. Hij kan de redder uithangen, het meisje te hulp schieten.
‘Waarom verdenk je mij eigenlijk?’ vroeg ik. ‘Heb je zo weinig vertrouwen in me?’
Hij zuchtte. ‘Je hebt gelijk. Ik was mezelf niet. Sorry. We doen dit samen, dat weet ik.’
Het zal goed komen, wilde ik hem troosten, want ik vond het pijnlijk om hem zo te zien, maar hij was me voor met de vraag: ‘Als jij het niet was en ik ook niet, wie was het dan wel?’
Ik dacht even na.
‘Vertrouw jij de kapitein?’ vroeg ik.
Daar leek hij nog niet aan gedacht te hebben. Hij rende terug naar de hut, de deur viel achter hem dicht. Een moment later hoorde ik een woordenwisseling. De exacte woorden waren hier op de gang niet te verstaan, ik hoorde alleen hoge klanken (Chen) en laag gebrom (de kapitein). De twee vrouwen hoorde ik in het geheel niet. Alsof ze er niet meer waren. Waarschijnlijk stond de journaliste gretig te pennen in een blocnote en keek de kunsthistorica stijfjes en afwachtend naar dit tafereel, te geremd om iets te zeggen, laat staan om iets te doen, zoals weggaan.
Tot een vruchtbaar einde kwam de woordenwisseling niet, want de kapitein verliet de hut en sloeg de deur met een klap achter zich dicht. Zonder me een blik waardig te gunnen liep hij me voorbij, de loopplank op, de kade op. Daar schopte hij met de punt van zijn laars tegen een roestig colablikje. Ja, hij was duidelijk verontwaardigd over het feit dat Chen hem ook maar had kunnen verdenken. Maar gekrenkte trots is nog geen bewijs van onschuld.