Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Geldnood

Godfried de Ridder

Personage: Godfried de Ridder

Oppervlak

Proza door MitchGastbijdrage – 5 jaren, 9 maanden geleden

Christiaan Pitka had nooit gedacht dat hij ooit nog eens in geldnood zou komen. Een jaar geleden toerde hij met zijn Maserati nog door het Europese laagland, op zoek naar dat ene sterrenrestaurant, dat hij uiteindelijk in een verbouwde hoeve in de oostelijke Ardennen vond. Hoe anders was zijn leven nu. Zeven maanden geleden was hij ontslagen als directeur van de Rijksgebouwendienst nadat hij zijn hand op de billen van zijn secretaresse had gelegd, juist op de dag dat ze aan iedereen wilde vertellen dat ze in verwachting was. Rusteloos en verlegen had ze aan het raam van haar kantoortje gestaan en in een vlaag van wellust had Christiaan haar gedrentel opgevat als een tersluikse uitnodiging tot toenadering. Vier dagen later stond hij de spreekwoordelijke kartonnen doos te vullen met de inhoud van zijn bureaulades en stonden de ingelijste posters die zijn kamer opfleurden in een rijtje op de grond. Nog één laatste keer keek hij naar het uitzicht, en bedacht hij dat hij zijn vrouw nog niets had verteld, hiervan, nee, nergens van. Misschien omdat hij een beetje bang voor haar was, maar veel meer omdat hij niet wist hoe er over te beginnen. Geen wonder, dus, dat die middag zijn leven glorieus en definitief in elkaar donderde, niet in het minst omdat zijn vrouw meer van de luxe hield dan van hem. Nu, ettelijke maanden en rechtszaken later, kon hij rustig en spijtig concluderen dat zijn scheiding hem had geruïneerd, emotioneel en financiëel. Avonden lang zat hij op een nieuwbouwflat aan het IJ achter zijn computer te dwalen op het internet. Niks denkend, niets voelend, nurks, en met een te vol glas wijn ernaast. Via Facebook was hij weer in contact gekomen met zijn schoolvriend Godfried, die, zo bleek na een aantal chats, ook niet de levenswandel had gehad die hij had gehoopt. Dus ze hadden weer afgesproken, om hun gedeelde verleden en hun beider geleden verliezen te drenken in alcohol. Ze klonken op het leven en klokten de rode wijn in hoog tempo weg in de nacht. ‘Wat ga je nu doen?’ zei Godfried met oprecht sentiment in zijn ogen. ‘Ik weet het werkelijk niet,’ zei Christiaan. ‘Ik kan het nog een jaar uitzingen op deze manier en dan moet ik ergens anders wat hebben. En jij?’ ‘Ik ben bezig mijn wederopstanding te organiseren met gemanipuleerde beelden waar ik de media mee ga bespelen.’ ‘Echt?’ zei Christiaan. ‘Echt’, zei Godfried. ‘Echt, echt. Echt. Het spannendste thema wat er nu speelt, is het verschil tussen echt en onecht. Wat is er virtueel, wat is echt. Wat is er namaak, imitatie, kopie, serieproductie, gemediëerd en wat is er echt.’ ‘Je bedoelt zoals dat gedoe over die Mondriaan?’ ‘Precies. Ligt bij mij om de hoek, dat schip.’ zei Godfried met een houterig soort van trots. Christiaan negeerde het. ‘Ik had een reproductie op mijn werkkamer hangen, bij de Dienst. Het was mijn favoriete ding om naar te kijken. Gewoon omdat het een oppervlak is, en meer niet.’ Een knotsgek orgelriedeltje klonk uit de broekzak van Godfried. Hij pakte zijn telefoon en keek op het scherm. ‘Ach, wat leuk. Wat leuk. Een jongetje.’ Christiaan keek hem vragend aan. ‘Mijn nichtje. Is net bevallen.’