Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Ontmaskering

Godfried de Ridder

Personage: Godfried de Ridder

Haarscherpe ontmaskering van volwassen kwajongens

Proza door Niels ’t Hooft – 4 jaren, 1 maand geleden

Hollow Soul
Lucia Labruyère, Nederland, 2015
★★★★★

Godfried de Ridder kreeg enige bekendheid met de rauwe schilderijen die hij maakte in de jaren tachtig, in Berlijn. In de jaren negentig vertrok hij naar Shanghai, om gedesillusioneerd terug te komen. Er verschenen wat artikelen over de rampspoed die hem ten deel viel in China, maar toen werd het stil rond de Amsterdamse kunstenaar. Tot nu, in een documentaire die met recht de grote verrassing van het IDFA wordt genoemd.

We zien hoe De Ridder zichzelf uit de goot trekt middels het idee voor een omvangrijk laatste werk, dat knettert van de ambitie. Het moet alles in zich hebben: het universum, de mensheid, de geschiedenis, de filosofie, de wetenschap. De benodigde materialen worden vanuit de hele stad samengebracht, bovendien is het de bedoeling dat iedereen die dat wil eraan meewerkt. Waaronder ook jonge kinderen, vanwege hun onbezoedelde benadering van het creatieve proces.

De kunstenaar wordt ondervraagd door vriend en fotograaf Stefan Kosakowski, die Dutch Soul met zijn onorthodoxe aanpak mede vormgeeft. Hij zet zelfs een onrechtmatige kunstoverdracht in scène om De Ridder in beweging te krijgen. Het werkt: bij aanvang is hij uitgeblust en grauw, maar spoedig keren zijn scheppende kracht en bijbehorende geestdrift terug.

Ook de ophef rond nieuwe versies van Mondriaans Victory Boogie Woogie twee jaar geleden, speelt mee in in De Ridders wederopstanding. In een overweldigende monoloog halverwege de film, waarbij Mondriaans beeltenis tegen een aanzwellende minimalistische soundtrack over De Ridder heen wordt gelegd, formuleert hij wat hij zelf het ‘Mondriaan-motief’ noemt.

De theorie behandelt onder andere de potentiële perfectie van een schilderij: de foutloze representatie van de werkelijkheid die enkel door abstractie mogelijk wordt. Dan weer maakt De Ridder een boeiende neurocentrische zijsprong: “Een kunstwerk is tegelijk te veel en te weinig om in extase te raken,” zegt hij. “Te weinig omdat een object nooit genoeg kan zijn. Te veel omdat je er niets voor nodig hebt. Want alles wat je activeert, is al aanwezig in je hoofd.”

In dezelfde adem praat hij over de energie die is samengebald in de vlakverdeling, het lijnenspel, de kleurencombinaties. De goddelijke kracht die daaruit geput kan worden, om als het ware een hemel op aarde te creëren, misschien zelfs een doorgang naar een volgende wereld. Daartoe ziet hij een mogelijkheid in de twee nieuwe Victory Boogie Woogies, die hij wil opnemen in zijn installatie. Met de juiste positionering zouden ze samen een stereoscopisch beeld vormen, waarin je “als in een hyperruimte” kunt verdwijnen.

Terwijl je naar het betoog luistert, begin je te vermoeden dat onder De Ridders overtuigingskracht de simultane opkomst en aftakeling van de kunstenaar schuilgaat. Precies op dat moment ontzenuwt hij de veronderstelling dat je zijn ideeën serieus moet nemen. “Ik pas mijn theorie aan bij mijn werk,” zegt hij met een grijns. Je hoort Kosakowski grinniken achter de camera.

Verrassend zijn de momenten waarop de camera zich op Kosakowski richt, en zijn intentie duidelijk wordt. “Een documentaire is veel beter dan een schilderij,” zegt hij. “Hij legt zichzelf tenminste uit.”

Maar de opwinding rond deze film richt zich uiteraard op de derde laag. Het ruwe materiaal is samengebracht, geselecteerd, gemonteerd en voorzien van commentaar in videoblogs en voice-overs door de nu 17-jarige Lucia Labruyère. Op YouTube vergaarde zij al bekendheid met videocollages waarin ze archiefmateriaal voorzag van een vileine maar filosofische toelichting. Dit is de eerste keer dat ze een film van twee uur heeft gemaakt, en het format zit haar als gegoten.

Zij maakt van De Ridders opkomst en ondergang, en Kosakowski’s botte opportunisme, een schrijnend portret van volwassen mannen en hun luchtkastelen, grote kinderen die zich wentelen in grote woorden, maar niets waarachtigs te zeggen hebben. Het is holle bewijsdrift, zo wordt overduidelijk tijdens deze documentaire.

Al snel komt de beklemmende finale in zicht: met grote vaardigheid bouwt Labruyère de spanning op. De suggestie dat De Ridder zichzelf zal offeren als finishing touch van zijn kunstwerk, “de kers op de taart” volgens Kosakowski, hangt al een tijdje in de lucht. “De kunst is niet meer nodig, dus ook de kunstenaar niet,” zo verwoordt De Ridder het zelf in de pompende, koortsdroom-achtige opening.

Op de dag dat Dutch Soul wordt onthuld, schittert De Ridder door afwezigheid. Labruyère kadert het als een laffe grap. Maar dan is er het indringende laatste shot, waarin ze langzaam inzoomt op de twee nieuwe Victory Boogie Woogies. Toch opgegaan in de hyperruimte? De aftiteling meldt dat er van De Ridder niets meer is vernomen. Over Labruyère bestaat daarentegen geen twijfel: van haar gaan we de komende jaren nog veel horen.