Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Meesterwerk

Chen

Personage: Chen

Schilderles in het Hutchison Whampoa Museum

Proza door Edzard – 4 jaren, 3 maanden geleden

Dertig zwarte stippen, zou dat ook kunst kunnen zijn? Als die vlakjes dat waren, waarom dan niet stippen, dacht Chen. Stippen waren levendiger dan vlakjes, stippen hadden aan zichzelf genoeg maar samen begonnen ze vanzelf te dansen en konden ze alle verbindingen aangaan, het maakte niet uit welke, de mogelijkheden waren onbeperkt. Afwezig frunnikend aan de knopen van zijn uniform liet hij zijn blik over de schoolkinderen gaan. Hun haar glansde als verf die net was opgebracht, ze zaten allemaal in kleermakerszit en bogen diep over hun vel papier heen, met een liniaal trokken ze strakke lijnen, sommigen waren al met het inkleuren begonnen, om hen heen rode, blauwe en gele spetters, als confetti. Hij was vertederd, hij zou van hen allemaal kunnen houden, wat voor hem op de vloer van de museumzaal gebeurde, was één groot feest.
Godfried was als eerste klaar en hield zijn Victory Boogie Woogie omhoog, niet voor zijn juf, maar voor hém, Chen, zijn vader, althans, hij had maar aangenomen dat het jongetje, dat negen maanden na hun avontuur in Nederland uit Fei Fei’s buik tevoorschijn kwam, zijn zoon was, en niet dat van Wong. Dat de kleuter het talent van zijn oom Li had was onmiskenbaar. Zou hij daarnaast de bezetenheid hebben van de Nederlandse kunstenaar naar wie hij vernoemd was, dan zou hij later misschien nog rijk kunnen worden, zoals Ai Wei Wei, en hoefden Fei Fei en hij zich geen zorgen meer te maken over hun oude dag. Weliswaar had Wong hem een baan gegeven, maar hij was en bleef de harde zakenman die hem groot had gemaakt; zijn salaris was ‘marktconform’, en dus niet meer dan de eerste de beste arbeidster in een confectieatelier of computerfabriek uitgekeerd kreeg. ‘Voor jou een miljard anderen,’ had botweg Wong gezegd; het salaris dat het Hutchison Whampoa Museum for Magnificent Reproductions of Great Masterworks betaalde, bleek net genoeg om hun appartement te kunnen betalen, vijftien vierkante meter op eenentwintig hoog. Om elke maand enkele yuan apart te kunnen leggen voor later, als Godfried zou gaan studeren, was Fei Fei als manicure in een nagelstudio gaan werken, soms verzorgde ze ook massages; het was niet het leven zoals ze zich dat had voorgesteld, maar dat de nagelstudio in het nabijgelegen Hong Kong gevestigd was, vergoedde veel: elke dag ging ze een half uur eerder van huis zodat ze nog even gelegenheid had langs de etalages te lopen. Het was goed zo, haar liefde voor kleren, schoenen, sieraden en parfum was ze niet kwijt, maar ervan dromen volstond, haar zoon was haar geluk.
Of Chen zelf ook gelukkig was, kon hij niet zeggen. Geluk was misschien meer een Westerse preoccupatie, het nastreven van ervan leidde daar tot niets dan chaos en ongeluk, dat was hem in die weken in Nederland wel duidelijk geworden. Tevreden kon hij zichzelf wel noemen, hij had eindelijk iets in zijn leven tot een goed einde gebracht, hij was erin geslaagd de Victory Boogie Woogie te verkopen, en nog herinnerde hij zich hoe hij van trots had gegloeid toen hij Fei Fei de koffers met geld had laten zien; wel jammer dat Roderick ineens vijftig procent bemiddelingskosten in rekening had gebracht en dat Papadiamantes hem vervolgens, behalve een glas raki en gefrituurde calamares , een astronomische rekening had voorgeschoteld, vanwege advocatenkosten, liggeld, logies, brandstofkosten, gederfde inkomsten, ongespecificeerde schade, een post ‘onvoorzien’ en btw van 23% – er was nog maar net genoeg geld over geweest om voor Li, Fei Fei en hemzelf vliegtickets naar China te kopen.
De schilderles liep ten einde, ineens heerste er chaos, de kleuters liepen kriskras door elkaar en wapperden met hun vellen papier - bij velen liep de verf uit, alsof de Victory Boogie Woogie helemaal niet meer zo uitgelaten was maar huilde. Met zijn vel als een vlag omhoog gestoken rende Godfried op Chen af. Hij aarzelde, als suppoost mocht hij geen bezoeker aanraken, laat staan oppakken of betasten, maar hij kon zich niet beheersen en nam het jongetje op, zwierde het door de lucht, zette het weer neer; vervolgens liet hij zich door zijn hurken zakken en bekeek samen hem de vlekkeloos nageschilderde vlekken.
‘Wat denk je dat het voorstelt?’ vroeg hij.
Het jongetje aarzelde geen moment, ‘de wereld,’ zei hij, ‘de hele wereld in een plat vlak.’
Chen drukte het jongetje tegen zich aan, o, dat tengere, ongedurige lijfje, dat hartje dat hij dwars door zijn uniform heen voelde bonken alsof het op de hielen werd gezeten - maar hij werd op zijn schouder getikt.
Zijn chef, of hij even mee wilde komen naar zijn kantoor. Zijn gezicht stond op onweer.