Dit was een gezamenlijk schrijfspel. Lees het resulterende verhaal hieronder.

Onderwerp: Robots

Fei Fei

Personage: Fei Fei

Zes Boogie Woogie's

Proza door Robbert – 5 jaren, 6 maanden geleden

In de loods van Godfried was Li bezig alles klaar te maken om de drie Victory Boogie Woogie’s voor Wong na te schilderen: de kleine schets, de gehavende versie die Li zelf via Schiphol had meegebracht en de derde Victory die in Den Haag hangt, daarvan had hij een poster, bij gebrek aan beter. Het moest allemaal snel en hier in de haven gebeuren, dus tijd om naar Den Haag te gaan was er niet.
Li begon met de kleine schets. Hij mat hem op, zaagde de latjes in vieren en timmerde ze in ruitvorm aan elkaar, om er vervolgens het doek op te spannen en vast te maken met een tacker. Op het linnen bracht hij een laag gesso aan. Terwijl die ondergrond van gips droogde, begon hij met het volgende werk: hij mat de gehavende Boogie Woogie op en zaagde de latten in de juiste maten, om ook daar het linnen op te spannen en met gesso te prepareren. Van de Victory die in Den Haag hangt, zocht hij op een laptop op internet de maten. Het was allemaal gemakkelijk te vinden.
Toen het eerste doek droog was, begon hij de kleine schets na te schilderen. Ik zat op een krukje toe te kijken. Hij was zo geconcentreerd in de weer met verf, tape, houtskool en potlood dat hij mijn aanwezigheid was vergeten.
Ik vond het fijn om een beetje toe te kijken. Het kalmeerde me, het maakte me slaperig en tegelijkertijd klaarwakker, omdat ik getuige was van iets wat hier nu voor mijn neus ontstond.
Li werkte geroutineerd, alsof hij dit elke dag deed, gewend aan een naderende deadline: weinig tijd om na te denken. Het was een kwestie van doen, handelen, doorgaan.
Het drong voor de eerste keer tot me door dat een kunstwerk gemààkt wordt. Het heeft niet altijd in de uiteindelijke vorm bestaan, het wordt vanaf een nulpunt opgebouwd. Een wit vlak, dat steeds meer gevuld werd met vlakjes, streepjes en de kleuren rood, geel, blauw, zwart, wit en grijs.

Plotseling kwam Roderik de loods binnenlopen. Ik herkende hem bijna niet, zo strak in pak en gladgeschoren: hij maakte een opgeruimde indruk die lang was weggeweest. Wat Li aan het doen was, leek Roderik niet in zich op te nemen, alsof het onbelangrijk was. Hij had goed nieuws. Heel goed nieuws zelfs.
‘Ja ja,’ zei ik.
‘Nee, nu is het anders,’ zei hij. ‘Vergeet de gemeente Amsterdam, vergeet mijn vriendjes, het is nu rond. Zo rond als een cirkel maar rond kan zijn. Ja, het is rond!’
Ik had geen idee waar hij het over had, maar dat legde hij me uit. Hij wilde zichzelf niet op de borst slaan, maar dankzij een stuk van zijn hand in NRC, met als onderwerp de kleine schets van de Victory, had de landelijke overheid interesse getoond om dàt werk,’ hij wees naar de schets op de ezel, ‘aan te kopen voor Villa Mondriaan in Winterswijk.’
‘Wat? Waar?’
‘Winterswijk. Dat is een plaatsje in de Achterhoek in Gelderland. Jij zal er nooit van je leven een stap zetten, maar daar begon Mondriaans leven. Mij maakt het niet zoveel uit, een mens moet ergens geboren zijn, maar ze zijn er in Winterswijk nogal trots op. Kort geleden is er een museum geopend. De collectie is klein en moet groter worden. De overheid wil de schets aankopen. Nederland wil het werk van jou en Chen kòpen!’
‘Echt?… Eh, jee. Waar is Chen? Ik wil dat Chen hier bij is. Het is ook zijn werk.’
‘Maak je geen zorgen, Chen maakt buiten kennis met twee heren die namens de overheid de aankoop regelen. Zullen we er ook naartoe gaan?’
Buiten stond Chen inderdaad met twee heren in pak te praten, op de kade, naast twee dikke zwarte auto’s. We voegden ons bij hen en toen ging het allemaal heel snel. De heren deden hun verhaal, deels een herhaling van Roderiks verhaal, en ze sloten af met het noemen van het bedrag dat ze bereid waren te betalen voor ons schilderij: 7,5 miljoen euro. Om er droogjes aan toe te voegen dat we er uiteraard rustig over mochten nadenken. Chen en ik keken elkaar aan, onze ogen zochten elkaar als vanzelfsprekend op, en we zeiden alsof we dat afgesproken hadden: ‘We doen het’. Zo vreemd, zo simpel. Het een en ander aan papierwerk volgde, contracten die ondertekend moesten worden, in de stuurhut van de boot, aan een tafeltje. Daarna liepen we met z’n vijven naar de loods van Godfried om het werkje op te halen. Li en zijn gekopieerde kunstwerken… Als grapje zei Chen tegen de heren dat Li hobbyist was, onschuldig dus.
‘Ben je klaar met de kleine?’ vroeg Chen, best nonchalant voor zijn doen. ‘Of heb je hem nog even nodig?’
‘Nee hoor,’ zei hij, ‘ik ben er klaar mee.’
En zo ging het dus. Wij overhandigden de twee heren het schilderij, zij gaven ons uit zo’n zwarte auto een koffer gevuld met stapeltjes briefgeld. Het voelde als een louche transactie, maar de glimlach op Chens gezicht maakte alles goed dus ik dacht er niet meer over na. Het schilderij verdween in een auto. Vrij abrupt namen de heren afscheid en reden weg, Roderik ook. Chen en ik keken ze na, een beetje onwennig. Bijna stak ik mijn hand op om het schilderij uit te zwaaien. In plaats daarvan pakte ik Chens hand vast.